

Met grote zekerheid kan ik zeggen dat iedere Westlander gruwt van de smaak van buitenlandse druiven. Dat staat gelijk aan verraad, want het Westland is groot geworden door de druiventeelt onder glas. De ondergang van de druiventeelt is het meest tekende voorbeeld van een bijna verloren ambacht dat moest wijken voor grootschaligheid.
“Niet rennen door de druivenkas”, riep mijn vader altijd, “want dan krijg ik stof op mijn druiven. Niet met je vingers aan de trossen zitten, want dan gaat de dauw er af.” Die regels kreeg ik als kleuter ingeprent voordat ik het heilige der heilige mocht betreden en daar hield ik me natuurlijk aan. Op ons bedrijf stonden naast wat kassen en open land ook twee druivenkassen. Eén met Frankenthaler, één met Alicante. Van die driehoekige bouwsels, waar druiven schuin omhoog worden geleid. De inhoud was een kostbaar bezit, want druiven zijn eigenlijk vanaf het begin van het ontstaan van de Westlandse tuinbouw een delicatesse geweest, die veel geld op bracht.