woensdag, november 26, 2008

Gerbera
















Germini telers tevreden over samenwerking binnen Colours of Nature
Van der Lans: ‘Een ondernemer moet bij ons een teamspeler zijn’

Colours of Nature is een begrip binnen de gerberateelt. Het samenwerkingsverband is in veertien jaar tijd uitgegroeid naar een professionele organisatie. “Het lukt ons steeds beter om marktgericht te produceren”, vindt woordvoerder Robert van der Lans.

“We waren alleen problemen aan het oplossen en de verkoop bleef hangen. Daardoor waren we niet in staat om vooruit te denken, met de klant mee te denken.” Zo omschrijft Robert van der Lans de situatie waarin telersvereniging Colours of Nature na negen jaar samenwerking terecht was gekomen.
De stap om meer marktgericht te produceren was nodig om het samenwerkingsverband meerwaarde te geven. Zo werd de vereniging op 1 januari 2005 omgezet naar een coöperatie. Nu, bijna vier jaar later, vertelt Van der Lans wat deze verandering heeft opgeleverd.

Germini-pool
De samenwerking tussen de telers ontstond op initiatief van veiling Flora Holland. In de jaren tachtig waren er al telers van grootbloemige gerbera’s, die met een boekettenlijn werkten. De vader en oom van Robert, bijvoorbeeld. Toen in de jaren negentig de teelt van mini-gerbera’s opkwam riep de veiling een aantal telers bij elkaar met het plan om de retailers te gaan beleveren met boeketbloemen.
De mini’s waren minder kwetsbaar dan de grootbloemige gerbera’s en daarvoor beter geschikt. Het doel was retailers met export naar Duitsland en Engeland van gemengde boeketten te voorzien en daardoor tegelijkertijd de totale gerberamarkt te ontlasten. Uit deze germini-pool ontstond in 1995 de vereniging Living Colours, later omgezet naar Colours of Nature.

Van vereniging naar coöperatie
De leden bundelden het totale aanbod, maar kregen individueel door de veiling uitbetaald. Een situatie, die lang naar tevredenheid van beide partijen functioneerde. Toch gaf deze constructie te weinig mogelijkheden om op de markt in te spelen. Ieder lid van de vereniging handhaafde nog het gebruikelijke assortiment van zo’n tien rassen per bedrijf en onderlinge afstemming van de aanvoer was moeilijk. Ieder individueel lid liet zich te veel leiden door klokprijzen, die nu eenmaal op maandag hoger liggen dan later in de week. Het gevolg was toch een ongelijke aanvoer.
Deze situatie was voor de leden uiteindelijk onbevredigend. Zij waren van mening dat het niet uit moest maken op welke dag je bloemen levert. Bovendien was een herverdeling van het assortiment over de bedrijven nodig om meer efficiënt te gaan produceren. Dit leidde uiteindelijk tot het initiatief om een coöperatie op te richten. In de bloementeelt nog een vrij uitzonderlijke situatie.

Hoe het werkt
Het grote verschil tussen de vereniging en de coöperatie is dat de totale productie van de individuele telers nu één geheel vormt. De coöperatie ontvangt de inkomsten, waarna een eerlijke verdeling plaats vindt over de bedrijven.
De verkoop van de bloemen verloopt nog steeds via Flora Holland. Of het product voor de klok komt, wordt bemiddeld via een verkoper van de veiling, of zelf direct wordt verkocht, de geldstroom verloopt via de veiling.
Van der Lans, die zich binnen de coöperatie steeds meer toelegde op afzet en marketing, bedacht een matrix voor het volledige assortiment. Hij zette de productie van ieder ras uit tegen het gemak van verwerken. Zo ontstonden er verschillende prijsgroepen. Ieder lid krijgt nu van de coöperatie een prijs per steel uitbetaald, vastgelegd in die prijsgroepen. Overstijgen de inkomsten de afgesproken prijzen, dan volgt een verdeling over de bedrijven. De coöperatie heeft namelijk geen winstoogmerk.
Door het loslaten van individualiteit heeft ook een herverdeling van het assortiment plaats kunnen vinden. Van der Lans: “Het aantal rassen per bedrijf is teruggebracht tot vier. Dat is natuurlijk veel efficiënter. De onderlinge verschillen per bedrijf bestaan nog steeds, want de één kiest voor een gemakkelijk te telen assortiment, terwijl de ander er juist voor kiest om moeilijke rassen te telen. Het verschil komt vanzelf tot uitdrukking in de uitbetaalprijs.”

Eerder voetballer dan tennisser
De coöperatie heeft een vaste samenstelling van zeven bedrijven. Zes daarvan zijn individuele ondernemers. Het zevende bedrijf is van alle ondernemers samen. Van der Lans, die geen eigen bedrijf meer heeft en inmiddels directeur is, heeft ook een aandeel in het zevende bedrijf. De telers kozen gezamenlijk voor deze constructie, omdat er ruimte was voor uitbreiding van areaal.
Het is niet uitgesloten dat er in de toekomst nog een ondernemer in stapt, maar dan moet deze in het bestaande stramien passen. Hij of zij moet namelijk goed kunnen samen werken, omdat de bedrijven erg op elkaar zijn ingespeeld. De directeur: “Als ondernemer moet je bij ons een teamspeler zijn. Eerder voetballer, dan tennisser.”
Het grote voordeel van deze samenwerkingsvorm is dat de verschillende bedrijven zich volledig kunnen toeleggen op teeltechniek en kwaliteit. Het feit dat ze minder verschillende rassen telen is daarbij een tweede voordeel. Zij kunnen het klimaat veel meer toe spitsen op het kleine assortiment. Het prijsrisico hebben ze gedeeld, maar ieder bedrijf blijft zelf verantwoordelijk voor de productie. Er blijft een stimulans om zo goed mogelijk te presteren.

Vraag gestuurd leveren
Colours of Nature houdt een teeltduur aan van drie jaar. Eén keer per jaar nemen de ondernemers het assortiment door en bepalen welke rassen afvallen en er nieuw bij komen. Dit gebeurt op basis van overleg met veredelaars en eigen proeven op het zevende bedrijf. Steeds houden ze daarbij hun eigen USP (Unique Selling Point) in het achterhoofd, namelijk vraag gestuurd leveren van een goed product voor een marktconforme prijs.
Ieder jaar stelt de coöperatie haar ondernemingsplan bij. Daarbij hoort ook een SWOT-analyse, waarbij de sterke en zwakke punten van het samenwerkingsverband worden afgezet tegen de kansen en bedreigingen. Bij die kansen hoort ook vernieuwing van het assortiment.
Nieuw zijn bijvoorbeeld gerbera’s met blad aan de stelen. Met deze gerbera’s hopen de telers de sierwaarde te verhogen, zodat gerbera een betere presentatie krijgt als monobos.
Colours of Nature is niet de enige samenwerkingsvorm in coöperatief verband gebleven. Inmiddels heeft een groep santinitelers een vergelijkbare structuur opgezet onder de naam Flowers4all.


De deelnemers
De coöperatie Colours of Nature, met een gezamenlijk areaal van bijna 25 ha, bestaat uit:
Fa. J. Groenewegen & Zn, De Lier
Fa. Batist Oranjepolder, Maasdijk
Fa. Gebr. H & P. Koop, Den Hoorn
Van der Lans Gerbera’s VOF, Honselersdijk
Fa. F.P. Breugem, Made
Fa. Gebr. A. & R. van Veen, Rijswijk
Colours of Nature BV, Kwintsheul

Onder Glas, december 2008

vrijdag, oktober 24, 2008

Alpaca































Verliefd tot over mijn oren

Ooit in Nederland tussen een kudde alpaca’s in gestaan? Ja, inderdaad. Ze zijn hier gesignaleerd. Inmiddels zijn er verschillende fokkers gevallen voor de charme van deze kleine kameelachtigen uit Zuid-Amerika, met lief karakter en superzachte wol. Aan mij de eer om Margriet Moed uit het Groningse Westerlee te interviewen, die nu zes jaar fokt met deze dieren.
Dat interview liep al snel uit op knuffelen met alpaca’s. Mijn kinderen mochten deze keer mee, omdat het herfstvakantie was en het onderwerp aaibaar. Cathelijne was al snel onderweg naar de jongste telg van de boerderij, die met een dekje over de schoudertjes bij moeder stond. En mijn aandacht voor het interview ebde snel weg, toen ik in de donkerbruin fluwelen ogen van enkele alpacadames keek. Daar moet je wel voor zwichten. Jammer dat het zo moeilijk te beschrijven is wel geluid alpaca’s maken. Het is nog het beste te beschrijven alsof je in een reusachtig piepbeest knijpt.
Binnenkort meer over Alpaca Europe op mijn weblog en de site van ABN AMRO Bank. Kijk alvast eens rond op de site van Margriet.

Paprika































Stephan Persoon en Rin Alleblas:
Buffer voor acht sorteringen brengt rust in de sorteerruimte

Neem een ondernemer met een uitgesproken en eigenzinnige visie op de verwerking in zijn schuur. Voeg daar een specialist op het gebied van sorteer-en verpakkingssystemen aan toe. Daar kan iets moois uit groeien. Stephan Persoon en Rin Alleblas vertellen over de ontwikkeling van een compact en efficiënt paprika sorteer- en buffersysteem. En hoeveel inspanning die ontwikkeling kostte.

“Zoveel rust in de schuur”, begint paprikateler Stephan Persoon. “Dat werkt geweldig. Op ons vorige bedrijf had sorteren meer om het lijf dan hier. En dat terwijl we zo’n enorme productiegroei hebben doorgemaakt.” Zelfs toen we vorig jaar ook de paprika’s van de andere tuin over deze machine lieten lopen, viel het nog mee.”
Rin Alleblas, verkoopmanager van Aweta, loopt ondertussen even langs de sorteerder en legt hier en daar een deksel recht. De mannen overleggen wat, want de paprika’s zijn op het moment wat groot voor hun gewicht, dus wippen de deksels van de dozen omhoog. Voor het oog wat vervelend, maar verder geen al te groot probleem in het verwerkingsproces.

Samen kiezen
Aweta heeft met zijn sorteer- en verwerkingsmachines in de groententeelt een marktaandeel van 80 procent. Op het gebied van bufferen heeft het bedrijf minder apparatuur voorhanden. Dat Persoon toch Aweta uit koos voor een buffersysteem heeft een geschiedenis.
Toen vijf ondernemers twee jaar geleden besloten om nieuwe bedrijven te bouwen aan de verlengde Wilgenlei spraken zij af om intensief samen te werken bij de bouw. De vier paprikabedrijven en het tomatenbedrijf oriënteerden zich gezamenlijk op het totale project en kozen in een aantal gevallen voor dezelfde leverancier. De paprikabedrijven kozen voor Aweta sorteerders.
Vervolgens heeft ieder bedrijf een specifieke oplossing gezocht, toegespitst op de eigen situatie. Persoon: “Ik bedien veel deelmarkten. Daarom had ik een buffer nodig die ook veel verschillende sorteringen kan verwerken. Ik zag een buffersysteem van Maf Roda, dat al aardig aan mijn ideeën beantwoordde. Maar eigenlijk wilde ik één bedrijf voor sorteren en verpakken. Eén aanspreekpunt. Vandaar mijn vraag aan Aweta om ook een buffer te bouwen.”
“In eerste instantie legden de vier bedrijven deze vraag bij ons neer, maar uiteindelijk kies je één bedrijf voor een prototype”, vult Alleblas aan. “En eerlijk is eerlijk, je hebt ook een ondernemer nodig die bereid is om tijd en energie in zo’n project te steken en technisch behoorlijk onderlegd is. De markt voor sorteermachines is enorm veranderd, waarbij de machines zijn in omvang en capaciteit gegroeid.”

Rustig
Het valt op hoe rustig het in de schuur is. Vier mensen, waaronder operator Pedro, doen gestaag hun werk. Zij sorteren gewoonlijk van zeven tot half vijf. De sorteermachine heeft in totaal 22 uitgangen (+ één restbak), waarvan zeventien geautomatiseerd en vijf met uitloopbak en handmatig afwegen.
De geoogste paprika’s worden naar de sorteerruimte gebracht met verzamelwagens van Buitendijk Slaman. Via een rollenbaan komen ze voor de opvoerband van de machine. Eén persoon raapt handmatig klasse II uit. Bij paprika’s blijkt dat nog steeds een moeilijk te automatiseren handeling te zijn. De rest van de sorteerploeg vult de dozen. De paprika’s op de cupsorteerder zijn dan al met camera’s beoordeeld op diameter en kleur en ook hun gewicht staat al vast. De computer zoekt vijf kilo paprika’s bij elkaar. De gevulde dozen krijgen handmatig een deksel, waarna ze via een band onder de machine naar achteren gaan, richting buffer. Half boven de sorteerder, tegen de achterwand van de bedrijfsruimte, is een dubbele buffer met rollenbanen in vier lagen gebouwd. In totaal passen er acht verschillende sorteringen in deze buffer. Zodra er voldoende dozen of kisten zijn verzameld gaat er een seintje naar de palletizer voor het stapelen en binden.

Door elkaar
Achter de sorteerder wordt duidelijk waar het allemaal om gaat. De gevulde dozen en kratten komen door elkaar op één afvoerband. Groot en klein door elkaar. Deze band beweegt niet continue, maar stapsgewijs in de richting van de lift. De computer weet precies welke doos zich waar bevindt in het traject. Zo is dus al bekend of er een doos van 30 x 40 cm aan komt of poolfust van 60 x 40 cm. Zodra er een krat passert mag deze direct door naar de lift. Een doos krijgt eerst een duwtje, zodat deze dwars komt te staan (positioneren). In één vloeiende beweging gaat deze doos langs de inktjet, die er telersgegevens en een code op spuit. Daarna schuift iedere doos of krat de lift in.
De lift brengt vervolgens het fust naar de juiste baan in de buffer. Er kan één krat in de lift, of twee dozen tegelijk. Komt er maar één doos aan, dan gaat er ook maar één doos naar boven. Aan het eind van de buffer zit weer een lift die het fust naar beneden transporteert, zodra de palletizer er om vraagt.
De sorteermachine met buffer is in totaal 47 meter lang. De machine kan vijf ton paprika’s per uur verwerken. De buffer heeft een iets grotere capaciteit van 1.200 dozen per uur. De sorteerder, die ook een kleurencamera heeft, kan zo worden ingesteld dat er meerdere programma’s tegelijk kunnen draaien. Een speciale bestelling kan dus tegelijk met de bulk mee lopen. Voor Persoon is dat belangrijk, omdat hij veel deelmarkten bedient, waarbij rijpheid ook vaak een rol speelt. De operator houdt in de gaten dat de ploeg weet waar iedereen mee bezig is.
“Sorteren is nu veel leuker en lichter dan vroeger”, vindt de ondernemer. “Geen dozen meer tillen, laat staan die zware kratten. We kunnen de pallets hoger stapelen, omdat dit niet meer met de hand gebeurt. Het werken achter de machine is veel prettiger geworden. Je wilt tenslotte toch dat mensen graag bij je werken.”

Geavanceerd
Het verwerkingssysteem bij Persoon is niet vanzelf tot stand gekomen. Het bedrijf kwam in het voorjaar van 2007 in productie, maar het heeft zeker een jaar geduurd voordat sorteermachine en buffer volledig op elkaar afgestemd waren. In eerste instantie werkte de buffer te traag, maar dat probleem is inmiddels verholpen. Sinds dit voorjaar is hij tevreden over de resultaten. “We hebben al een keer 70 pallets op één dag verwerkt. Dat is voor ons een topprestatie, die eigenlijk moeiteloos is verlopen.”
Het verbaast Alleblas allerminst dat er een jaar over heen is gegaan. “Je bent bezig met een nieuwe ontwikkeling. Op de weg er naar toe kom je steeds iets tegen dat beter kan. Bovendien vraagt zo’n installatie ontzettend veel programmeerwerk. Eigenlijk werk je op het randje van wat mogelijk is. Gelukkig heeft een tuinder daar wel begrip voor. Tenminste, als je het probleem ook direct komt oplossen.” Persoon beaamt dat. “Vaak zijn de monteurs ’s avonds en zelfs ’s nachts door gegaan om een probleem te verhelpen. De sorteerploeg heeft er niet veel hinder van ondervonden. Het hoort er allemaal een beetje bij. En uiteindelijk ben ik heel tevreden over het resultaat.”

Personal Vision
Personal Vision is het nieuwe paprikabedrijf van Stephan en Thea Persoon aan de Wilgenlei in Bleiswijk. De totale oppervlakte is 70.000 m2 en de jaarproductie komt op ruim twee miljoen kilo rode paprika’s. Voorheen had de familie Persoon een bedrijf van 24.000 m2 aan de Groendalseweg in Bleiswijk. Op het moment dat het nieuwe bedrijf in productie kwam was de oude tuin nog niet verkocht. Vorig jaar liep de productie van beide bedrijven probleemloos via de nieuwe sorteerinrichting. Dit voorjaar is de laatste hand gelegd aan het nieuwe buffersysteem.

Onder Glas, oktober 2008

vrijdag, oktober 17, 2008

Herfst





















Herfst in Leiden

Op de leuning van de Karnemelksbrug zit een groepje duiven in het zonnetje. Ze schrikken van mijn camera en weg zijn ze.

zondag, oktober 05, 2008

Shii-take
















Shii-take op eikenhout is een delicatesse voor kenners

Menno Haveman heeft het gehad met een hectische baan in het bedrijfsleven. Hij verruilde deze met een leven in het groen en een commerciële Shii-take kwekerij. Zo kan hij altijd buiten werken in zijn sprookjesbos.
In het bos van Menno Haveman komt de frisse geur van sparren je tegemoet. Hier en daar raken zonnestralen de zachte bosgrond. In lange rijen staan boomstammetjes van ruim een meter schuin opgesteld. Op die eiken stammetjes groeien paddestoelen. “Shii-take”, vertelt Menno. “’Shii’ betkent ‘eik’ en ‘take’ is in het Japans ‘paddestoel’. Het bos waar Menno zijn paddestoelen kweekt is al heel lang familiebezit. Het is de plaats waar hij dagelijks de volgroeide paddestoelen oogst.
“Ik heb bedrijfskunde gestudeerd en jarenlang een druk bestaan geleid. Na een flinke burnout heb ik besloten om iets heel anders te gaan doen. Het kweken van paddestoelen was al een hobby van mijn vader en van mij. Nu heb ik er mijn beroep van kunnen maken”, aldus Menno.
De Shii-take is in Azië een populaire paddestoel. In het verre oosten kweken mensen deze paddestoelen op eikehout, waar ze thuis horen en wat de smaak ten goede komt. Het is een hele extensieve teelt met lage opbrengsten. Daar staat tegenover dat de investeringen ook laag zijn. In Nederland is de Shii-take wel bekend, maar lang niet zo populair als in het verre oosten. Kenners weten wel dat de paddestoelen die op eikehout groeien het allerbeste smaken. Een delicatesse. Behalve Haveman zijn er in Nederland maar enkele bedrijven die deze paddestoelen op dezelfde manier kweken.

Pluggen
De teelt begint met goed uitgangsmateriaal. Menno heeft daarvoor eiken stammetjes nodig, die hij betrekt van Staatsbosbeheer. Hout dat over blijft na dunning. Deze stammetjes moeten worden geënt met mycelium, ofwel broed. Dit gebeurt door gaatjes in de stam te boren. Die gaatjes hebben een patroon, zodat ze op vaste afstand van elkaar liggen. Gewoonlijk gebruikt men voor het enten gesteriliseerde en doorgroeide beukenhouten pluggen, die met een hamer in de stam worden geslagen. Haveman gebruikt een nieuwe methode. Hij betrekt zijn broed uit Amerika, waar het is opgekweekt in zaagsel. Deze zachte zaagselpluggen komen aan in trays, afgedekt met een stukje styropor. Die pluggen kan je in de gaatjes van de stam drukken, waardoor het mycelium niet beschadigt. Volgens Menno maakt deze methode de slaagkans groter. “Als je die houten pluggen er in slaat dat beschadig je het mycelium. De zaagselpluggen slaan beter aan.”
‘Aan slaan’ betekent dat de myceliumdraden in de stam gaan groeien. Dat is een langzaam proces. Het duurt één tot twee jaar voordat een eiken stammetje volledig is doorgroeid. Menno pakt zo’n stammetje op van een vierkante stapel en laat de kopse kant van het hout zien. Met zijn vinger gaat hij langs wit pluis dat in grote ringen zichtbaar wordt. “Kijk, deze stam is nu volledig doorgroeid.”

Schrikken
In de volgende fase van het proces zet hij de stammen kruislings schuin overeind. In lange rijen staan de stammen in het bos opgesteld. Voordat de paddestoelen hun hoed tevoorschijn toveren moeten ze een signaal krijgen dat ze zich door sporen moeten voortplanten. Van nature gebeurt dit als de verschillen tussen dag en nacht toenemen. In de herfst dus, de paddestoelentijd. Je kant dit verschil ook opwekken door de stammen 24 uur in water te dopen. Dan laat je ze als het ware ‘schrikken’.
Op dat moment komt het vruchtlichaam van de Shii-take als kleine witte knopje naar buiten en groeit deze uit tot een fluweelzachte, crème met bruine paddestoel. Zo eentje waar een kabouter trots op zou zijn.
Menno plukt de paddestoelen dagelijks. De productie in het bos gaat, met wat pieken en dalen, jaarrond door. Op momenten dat ze niet tevoorschijn willen komen haalt hij wat kunstgrepen uit om ze weer te laten schrikken. Daalt de dagtemperatuur onder de tien graden Celsius, dan haalt hij een deel van de boomstammetjes naar binnen in een schuur. De productie kan op die wijze ook ’s winters door gaan. Een stammetje gaat zo’n vier tot zes jaar mee. “Het klinkt misschien een beetje gek, maar door hun lange levensduur herken ik mijn stammetjes. Net zoals een boer zijn koeien, vertelt hij.”

Thuisteelt
De paddestoelen gaat voor verkoop naar een biologische groothandel, vanwaar ze hun weg vinden naar de consument. De teelt is zo extensief dat Menno ook naar nieuwe bronnen van inkomsten zoekt. “Gezien de vraag zou ik mijn kwekerij wel kunnen uitbreiden, maar dat wil ik niet. Liever zoek ik uitbreiding van andere activiteiten. Zo verkoop ik via het Internet doorgroeide eiken stammetjes, voor thuisteelt en zaagselpluggen met broed voor kwekers. Ik zocht bewust naar een minder hectisch leven. Dat is me gelukt en dat wil ik zo houden.”

Biologische Shii-take kwekerij Haveman Groen bv
Kwekerij Haveman Goen in Balkbrug is gespecialiseerd in de teelt van biologische Shii-take. Menno Haveman kweekt de paddestoelen traditioneel op stammetjes eikehout in het bos. Het bos van Menno is in totaal 18 hectare groot. De kwekerij beslaat een oppervlakte van ongeveer één hectare.

Agrarische kalender ABN AMRO Bank

maandag, september 01, 2008

Archeon
















Rare jongens, die Romeinen

Een kwartier lang zo'n helm op je hoofd en je hebt gegarandeerd de rest van de dag hoofdpijn. Arend en Cathelijne krijgen er geen genoeg van. Die willen liefst iedere week naar het Archeon.

Sprinkhanen













Goed belegde boterham met kweken van sprinkhanen

Het is eten en gegeten worden. Honderdduizenden sprinkhanen mogen zich drie weken lang vol eten om vervolgens zelf als voedsel te dienen voor hagedissen en reptielen. Lauran en Carla van Lierop bouwden in vijftien jaar tijd een goed draaiende sprinkhanenkwekerij op.

In de aangenaam warme, donkere kweekruimte van sprinkhanenkwekerij Locusta staan de glazen terrariums met lampen op lange rijen. In de ene bak zitten volwassen geselecteerde insecten die voor het nageslacht zorgen, in de volgende halfwas sprinkhanen en weer in een andere bak komen de kleine springertjes net uit het ei. En bij iedere bak kan Lauran een boeiend verhaal vertellen over de voortplanting en leefwijze van de Locusta migratoria, ofwel de Egytpische treksprinkhaan.
Hoewel hij dagelijks duizenden insecten door zijn handen laat gaan voelt Lauran geen enkele behoefte om er een op te eten. “Een van mijn personeelsleden lust ze graag. Die neemt af een toe een bakje mee en frituurt ze”, vertelt hij. Zijn echtgenote Carla denkt er net zo over: “Het is gewild voedsel voor hagedissen, reptielen, vogels, vissen en kleine zoogdieren en daarvoor worden ze hier gekweekt.”
Eng zijn ze ook al niet, vindt Lauran. Het zijn onschuldige diertjes die niet bijten. Alhoewel, helemaal onschuldig zijn ze ook weer niet. We hebben het hier wel over de sprinkhanen die op het Noordafrikaanse continent beroemd en berucht zijn vanwege hun verwoestende vraatzucht. Gelukkig zal dat in Nederland niet gebeuren, want in ons klimaat kunnen ze niet overleven. En met genoeg voedsel voorhanden vertonen ze die trekjes niet.

Hobby
Lauran en Carla begonnen in 1993 hobbymatig met het kweken van sprinkhanen. “Ik ben een liefhebber van hagedissen, maar de aanschaf van insecten werd een kostbare zaak. Daarom ben ik begonnen met eigen kweek”, vertelt Lauran. “In het begin ging dat heel vaak fout, omdat er zo weinig bekend was. Het heeft zeker vier jaar geduurd voordat ik wist hoe het moest.”
Op een gegeven moment hield Lauran sprinkhanen over en begon ze te ruilen met andere hobbyisten. Zijn sprinkhanen vonden gretig aftrek, omdat een volwassen dier in de winkel wel een euro per stuk kost. Hij begon daarom met de verkoop aan speciaalzaken en verhandelde zijn sprinkhanen op beurzen.
In 1999 volgde de omslag van hobbykweker naar ondernemer. Carla besloot haar baan op te zeggen om haar man in het bedrijf te helpen. In 2004 verhuisden zij naar de huidige locatie met grotere kweekruimte. Die ruimte bestaat uit een geïsoleerde schuur zonder ramen, met een verpakkings- en koelruimte.
De naamsbekendheid van Locusta is inmiddels zo groot dat de familie van Lierop nog verder zou kunnen uitbreiden. De kweek is echter zo intensief dat ze die behoefte niet hebben. “We gaan niet voor kwantiteit, maar kwaliteit”, meent Lauran.
Locusta heeft afzet over verschillende landen. Veel sprinkhanen gaan naar Duitsland en Frankrijk. Eén klant komt zelfs iedere week uit Engeland om sprinkhanen in te kopen.

Vleugels
Achter het glas besluit één sprinkhaan om te vervellen. Langzaam laat hij zich uit zijn oude jasje glijden dat te klein is geworden. Er komen een paar verfrommelde vleugels tevoorschijn die volgens Lauran binnen een uurtje uitgevouwen zullen zijn. “Dat is het laatste stadium”, vertelt hij. “Ze moeten zeven keer vervellen voordat ze volgroeid zijn. Alleen dan krijgen ze vleugels.”
In de vrije natuur duurt het vele weken voordat een sprinkhaan is uitgegroeid tot volwassen dier. In de kweekbakken duurt het maar drie weken tot wasdom, vanwege continue belichting.
Als hij een hand nat gras in de bak laat vallen wordt de vraatzucht van de sprinkhanen zichtbaar. Met z’n allen storten ze zich op de verse hap. Het voeden van de insecten gaat zo dag en nacht door.“Het is een echt 24-uurs bedrijf”, verklaart Lauran .
Hygiëne is voorwaarde voor een schone kweek. Ze moeten vaak worden verschoond, waarbij de uitwerpselen weer een gewilde meststof zijn. Bovendien moeten de insecten in de korte opkweekperiode verschillende keren van bak verwisselen, zodat er niet te veel beestjes bij elkaar zitten. Na drie weken zijn de sprinkhanen volwassen en hebben ze een respectabele hoeveelheid groenvoer naar binnen gewerkt. Dan worden ze een voor een gevangen en in kartonnen dozen verpakt. Ze gaan vervolgens in de koelcel waar ze wachten voor transport. In dat stadium kunnen ze weken lang in leven blijven zonder een hapje voer.
“Het zijn merkwaardige insecten”, geeft Lauran toe. Zitten ze te veel op elkaar dan eten ze elkaar op. Ik kan dat aan zien komen. Dan veranderen ze van kleur en van karakter. Herrie maken doen ze niet. Laat dat maar over aan krekels en cicaden.”

Sprinkhanenkwekerij Locusta
Carla van Lierop heeft een sprinkhanenkwekerij in Somerenheide. Haar man helpt haar daarbij. Hun hobby groeide uit tot een bedrijf dat in Nederland marktleider is op het gebied van de kwekerij van Locusta’s.


Agrarische kalender ABN AMRO Bank september

vrijdag, augustus 29, 2008

Bark
















Ronald Keijzer:
‘Stabiele kwaliteit schors zonder houtjes, cambium en stenen’

De expansie van de Phalaenopsis-teelt heeft de vraag naar schors doen stijgen. Het RHP-keurmerk voor schors kon daarom niet uitblijven. Een aantal kwaliteitseisen ligt nu vast, maar over schors is ook nog veel onbekend. Het levende product met mediterraan karakter kan zich grillig gedragen. Dus moet je weten waar je mee bezig bent.

Niets dat duidt op de aanwezigheid van een potgrondbedrijf in het Groene Hart. Langs de weg van Zoeterwoude naar Stompwijk liggen bergen veen en schors volledig verborgen achter een dikke rij bomen. “Lang zal dat niet meer duren”, vertelt Ronald Keijzer. Het bedrijf heeft nieuwbouwplannen, waardoor de grondstoffen voortaan in overdekte hallen komen te liggen. Weersomstandigheden zullen de productie van voldoende voorraden dan niet meer kunnen beïnvloeden. En door de landelijke ligging zullen coniferen plaats gaan maken voor begroeiing die in deze omgeving past. Slingerland Potgrond is een aantal jaren geleden overgegaan in de Hortimea-groep. Het bedrijf investeerde tot dusver meer in zijn substraten dan in een degelijk kantoor.
Buiten liggen verschillende ruwe materialen, afkomstig van de mediterrane zeeden (Pinus pinaster) hoog opgetast. Een shovel rijdt af en aan om de verschillende fracties na breken, zeven en sorteren naar de juiste voorraad te transporteren. Een sterke dennengeur hangt boven het terrein. Ronald laat de schors door zijn handen glijden en vertelt over de vooruitgang die de laatste jaren is geboekt.

Hoge eisen
“Deze schors komt van zagerijen in Portugal en Frankrijk. Op die bedrijven is hout het hoofdproduct. Voor schors of bark hebben zij inmiddels ook een goede afzet gevonden. Voor de consumentenmarkt, speelplaatsen en openbaar groen, of als brandstof voor de zagerijen zelf. Voor die toepassing zijn de eisen niet zo hoog. Een houtje of een steen is geen probleem. Voor gebruik als substraat ligt dat anders. Wij willen bijvoorbeeld geen cambium tussen de schors. Dat verteert, wordt snel nat, trekt insecten aan. Kortom, niet gewenst.” Keijzer is er duidelijk over.
Sinds kort is 100 procent toepassing van schors voor de orchideeënteelt onder het RHP-keurmerk van toepassing. Het is een omvangrijk proces geweest om tot goede normering te komen. Keijzer ziet de meerwaarde van dit keurmerk, hoewel de orchideeëntelers hun eisen ook voor die tijd wel kenbaar maakten. “Ik vind de teeltproef die RHP doet, een goede aanvulling. Als leverancier deden we die proef nog niet. We doen uiteraard wel onderzoek naar chemische en fysiologische eigenschappen en vooral ook zuiverheid in ons eigen lab.
De normen die je als sector gezamenlijk opstelt, moeten wel hout snijden. Voor een product als schors is dat heel moeilijk. We weten nog lang niet alles van schors en hoe het zich onder bepaalde omstandigheden gedraagt. Het is een levend product, waar verschillen tussen zitten die we nog niet altijd kunnen onderbouwen.”
Langzaam aan begint het tot de telers door te dringen dat schors als orchideeënsubstraat nu ook onder het RHP-keurmerk valt. De reacties zijn wisselend. Het is volgens Ronald te vroeg om daar iets over te zeggen. De potplantentelers zijn volgens hem voldoende ‘RHP-minded’ om vanzelfsprekend aan te nemen dat er ook voor schors normen zijn opgesteld.

Onbekend terrein
RHP is begonnen om zagerijen te bezoeken om afspraken te maken over de werkwijze en opslag van schors. Keijzer merkt dat de zagerijen die aanpak nog niet kennen. “Je merkt wel dat ze het besef krijgen dat schors wordt toegepast in een teelt, die zelf ook onderhevig is aan eisen van afnemers. Maar de omvang en professionaliteit is voor de medewerkers van zagerijen nog niet te bevatten”, meent Keijzer. Op de zagerijen gelden inmiddels regels voor hygiëne, scheiding en opslag. “Zelf werken we met ongeveer vijftig zagerijen. Dat zijn tamelijk kleine bedrijven die onderling verschillen in professionaliteit. Je ziet wel dat daar ook schaalvergroting optreedt. We hebben ter plekke verzamelplaatsen, waar al een deel van de bewerking plaatsvindt. Dit om transport van overbodige bestanddelen te beperken.”
Schors staat als substraat nog aan het begin van nieuwe ontwikkelingen. Ronald Keijzer meent dat de kwaliteit van het materiaal nog verder omhoog kan. “Voor onszelf leggen we de lat al hoger dan de RHP-normering. We gaan ook specifiek in op de wensen van de klant. Persoonlijk denk ik dat er nog veel verbetering aan het substraat mogelijk is. De vochthuishouding van schors kan nog beter. Dat kan bijvoorbeeld door veen en Sphagnum toe te voegen. Deze ontwikkeling is nog maar net in gang gezet en vraagt de komende jaren nog heel veel teeltspecifiek onderzoek.”

Slingerland Potgrond
Slingerland Potgrond valt met vijf tuinbouwgerelateerde bedrijven onder Hortimea. Het oorspronkelijke familiebedrijf is al vijftig jaar actief in de potgrondsector. Slingerland levert groeisubstraten voor langdurige teelten. Het bedrijf is marktleider in substraten voor de orchideeëncultuur. Kwaliteitsverbetering van schors heeft de afgelopen jaren erg veel aandacht gekregen. Geen wonder, want dit product is inmiddels verantwoordelijk voor eenderde van de totale omzet. Ronald Keijzer is hoofd kwaliteit van Slingerland Potgrond en Lentse Potgrond, het andere substraatbedrijf dat onder Hortimea valt.


Jaarverslag RHP 2007

Marketing boomkwekerij
















Peter Bontekoe:
‘Toekomst voor marktgericht produceren’

Salixteler Peter Bontekoe verwacht dat het aantal boomkwekers in Boskoop over tien jaar is gehalveerd. Hij denkt ook dat de sector sterk genoeg is om ruimschoots te overleven, mits de ondernemers voor een marktgerichte aanpak kiezen. Nieuwe tijden verdringen oude tradities. Vakkennis en efficiency blijven sterke troeven.
Op de Boskoopse boomkwekerij van de familie Bontekoe wuiven tienduizenden wilgenboompjes in één vloeiende beweging mee met de zomerwind. Tafels vol uniforme, bontgekleurde planten laten zien dat het traditionele Boskoopse gemengde bedrijf plaats maakt voor kwekerijen met monoculturen. Peter Bontekoe, van oorsprong boerenzoon, begon in 1983 met de boomkwekerij en koos in 1990 voor specialisatie in een arbeidsintensief gewas dat niet makkelijk te telen is. Dat heeft hem geen windeieren gelegd, want zijn kwekerij is inmiddels uitgegroeid tot een bedrijf van caliber.
Een zelfde ontwikkeling ziet hij op de bedrijven van zijn collega’s. “Van de 720 Boskoopse boomkwekers zullen er naar mijn verwachting de komende vijf jaar 200 verdwijnen. Het zou me niet verbazen dat er bij een gelijk blijvend areaal over tien jaar nog zo’n 300 over zijn.” Peter Bontekoe windt er geen doekjes om. De schaalvergroting binnen de boomkwekerijsector is voor hem een voldongen feit. Net zoals het weinig optimistische beeld dat hij van de consument heeft. De kennis van alles wat groeit en bloeit neemt in rap tempo af. Zo’n ontwikkeling kan de sector met angst vervullen, maar je kan er ook op inspelen. Voor dat laatste ziet Bontekoe voldoende kansen.

Impulsartikel
“Als ik om mij heen kijk zie ik onherroepelijk dat het boomkwekerij assortiment kleiner wordt. Ik vraag me af of dat echt erg is”, gaat hij door. “De kennis over groen verdwijnt gewoon bij de consument. Je ziet dus dat boomkwekerijproducten ook steeds meer een impulsartikel worden in tuincentra en bouwmarkten. Consumenten vragen niet meer naar bepaalde cultivars. Ze willen gewoon een goede rode roos. Meer niet. Telers spelen daar op in met een goed aanbod. Is dat een probleem? Ik denk van niet.”
Het is natuurlijk de vraag of de teeltbedrijven deze verandering van de markt goed oppakken en in hun voordeel kunnen ombuigen. “Een teler die uitsluitend productgericht bezig is gaat het niet redden, vrees ik. Met teelttechniek alleen kom je er niet. Een modern bedrijf moet vraaggericht en marktgericht produceren en vooral sterk zijn op gebied van logistiek. Als de boomkwekerijsector dit voldoende oppakt dan verwacht ik dat ze net zo groot kan worden als de potplantensector. Er liggen dus kansen voor telers, die echte ondernemers zijn”, meent Peter.
De traditionele boomkwekers hebben volgens Bontekoe wel een sterke troef in handen. Van oudsher kennen zij de handel en zijn zij in staat om hun producten rechtstreeks af te zetten. Ze hebben daarmee een voorsprong op andere sectoren en zijn weinig afhankelijk van bijvoorbeeld veilingen. De kunst is nu om met die commerciële kennis nieuwe markten te bewerken en samen te werken. “Investeren in marketing, in plaats van kostprijsverlaging”, noemt Peter.

Beter doen
Die voorsprong hebben de boomkwekers uiteraard ook te danken aan hun grote vakkennis en specialisatie, die volgens Bontekoe even belangrijk is. Als voorbeeld noemt hij de situatie in zijn eigen teelt. In Nederland is hij weliswaar de grootste gespecialiseerde Salixteler, maar er zijn natuurlijk veel meer bedrijven die Salix in hun assortiment hebben. Ook in omliggende landen zijn er voldoende concurrerende, gespecialiseerde Salixbedrijven. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij andere gewassen. “Het is de kunst om het als Nederlandse ondernemers beter te doen, door vakkennis en organisatie”, meent hij. “Door arbeidsintensieve teelttechnische handelingen efficiënt uit te voeren en door stipt en correct afleveren, kunnen we een voorsprong houden op concurrentie van buitenlandse bedrijven. We zijn daartoe in staat. Ik heb het al zo vaak gezien hoe het er soms op buitenlandse bedrijven aan toe gaat. Hier zitten we er boven op en kunnen we kwaliteit en uniformiteit leveren die de klant vraagt. Door krachten te bundelen in de boomkwekerij zijn we ook in staat om voldoende product te leveren voor grote acties van grootwinkelbedrijven.”

Salixkwekerij Bontekoe
Peter Bontekoe en zijn vrouw Jenny hebben een kwekerij van acht hectare in Boskoop en Hazerswoude. Op twee, binnenkort drie productlocaties telen zij per jaar ongeveer 700.000 wilgenboompjes . De teelt van Salix op onderstam is zeer arbeidsintensief, door het enten en steeds wegnemen van zijscheuten. Een deel van de werkzaamheden vindt daarom plaats in Polen. De roze/bonte Salix Flamingo is een specialiteit van het bedrijf.
Bontekoe is voorzitter van de Kring Boskoop van de NBvB (Nederlandse Bond van Boomkwekers). Voor zijn afstudeeropdracht ‘Op welke wijze is de continuïteit van grootschalige boomkwekerijen te waarborgen?’ interviewde hij in totaal 51 sectorgenoten en baseerde hierop zijn conclusies.


Rapport boomkwekerij 'Op zoek naar de markt' van ABN AMRO Bank

Zeeslak

































Vroedvrouw en zeeslak

In rap frans vertelt onze vroedvrouw Dominique ons over al het moois dat in de Bretonse wateren rondzwemt of glibbert. Keer op keer haalt ze een driftig tegenspartelende krab naar boven. Maar dan ineens houdt ze een bruine, glibberige massa in haar handen die weinig verweer heeft: een zeeslak.
Een zeeslak? Jazeker. Hij heeft wel iets van een traag nijlpaard, met zijn ondefinieerbare kop. Dacht ik even voor veertien dagen verlost te zijn van de slakken in mijn tuin, kom ik ze op vakantie weer tegen. En wel zo'n enorm exemplaar. In tegenstelling tot de naaktslakken in mijn tuin vrees ik dat deze me uitlacht als ik er wat zout over strooi. Nee, alle gekheid op een stokje. Zo'n excursie bij eb kan ik alleen maar aanbevelen. Het rijke zeeleven is indrukwekkend en verdient onze bescherming.

Bretagne

















La Pointe du Raz

Op vakantie geweest? Nou en of! Deze keer zijn we lekker uitgewaaid op de meest westelijke rotsen van Bretagne. La Pointe du Raz was onweerstaanbaar mooi.

Uien
















Wendy Broersen:
‘Bulkproducten laten we links liggen’

Achter de rokken van een ui gaat een wereld schuil die meer gecompliceerd is dan de papierachtige schil doet vermoeden. Voordat uien en knoflook in de winkel liggen zijn ze met zorg geteeld, geoogst, gesorteerd en verpakt. Gourmet bv heeft een lange traditie in de veredeling en vermeerdering van sjalotten, maar groeide uit tot marktleider in speciale uiensoorten en knoflook.

“Dit is de nieuwste aanwinst in ons assortiment.” Wendy Broersen houdt een bosje groene, ronde knoflookstengels omhoog, verpakt in een hersluitbaar plastic zakje met de naam ‘Senshyu’. “Het is de bloemstengel van de knoflookplant”, legt ze uit. “Wel een speciale, want deze bevat weinig harde vezels. Knoflookstengels zijn minder sterk van smaak dan teentjes. Je kan ze dus aan een salade toevoegen of roerbakken. En ze zijn lang houdbaar in de koelkast.”
De verse knoflookstengels en knollen worden in een koele ruimte van Gourmet bv verpakt. In de naastgelegen grote hal staan stapels kuubskisten vol uien te drogen bij meer aangename temperaturen. Ze zijn afkomstig uit Nederland, en alle windstreken van de wereld. “Soms komt het keurig gesorteerd en verpakt aan”, vertelt Wendy en wijst op kisten uit Nieuw Zeeland. “Maar soms krijgen we containers vol ongesorteerd product binnen, die met de hand geladen zijn. Dan hebben wij er veel werk aan om dat uit te pakken en te verwerken.”
Een hal verder staan machines die uien en knoflook in kleinverpakking sorteren. Aan de netjes hangen labels van alle bekende supermarkten. Alles wordt op bestelling in het juiste netje of op het juiste schaaltje gelegd. Sticker er op, label er aan.
De laatste hal is volledig gevuld met enorme machine die uien op maat sorteert. “Dat is ons specialisme”, vertelt Wendy. “Leveren op de exacte maat.” Deze sorteerder is het paradepaardje van de familie Broersen. Het is namelijk de gewoonte om van klein naar groot te sorteren. Hier gebeurt dat andersom. “Grote uien zijn kwetsbaarder dan kleine. Daarom willen we dat die een minder lang traject door de sorteerder afleggen, zodat beschadigingen tot een minimum beperkt blijven.”

Assortiment
In het kantoor praat Wendy verder over het assortiment dat Gourmet bv voert. “Niet de gewone gele uien, ook niet de bosuitjes. Dat zijn allemaal bulkproducten, die thuis horen op de daarvoor gespecialiseerde bedrijven. Daar blijven wij buiten. Wij voeren juist een ander assortiment.” Ze noemt de rode uien, de scherpe witte Italiaanse uien, de kwetsbare zoete uien. Producten met eigen, specifieke toepassingen, die vaak in kleine verpakkingen worden aangeboden in de supermarkt. De sorteerinrichting is afgestemd op de speciale soorten, die om een zorgvuldige behandeling vragen.
Productvernieuwing is een belangrijk item bij Gourmet bv. Het bedrijf probeert een zo breed mogelijk pakket samen te stellen. Zo bevat het assortiment naast sjalotten ook banaansjalotten uit Bretagne, die zo handig zijn om ringen van de snijden. Ook op het gebied van knoflook staat de ontwikkeling van het assortiment niet stil. De variatie binnen de uienfamilie is groot. Er is een knoflooksoort die zo rond is als een ui en niet in teentjes uiteen valt. En er is ook olifantenknoflook, waarvan één teen al zo groot is als de ons zo bekende knoflookbol en die maar liefst 500 gram zwaar kan worden.

Jaarrond
Gourmet bv teelt een groot assortiment in Nederland. De producten worden onder contract geteeld, maar het bedrijf verzorgt zelf de teeltbegeleiding. Het seizoen is te kort om de afnemers jaarrond van voldoende product te voorzien dus is Gourmet bv afhankelijk van de teelt in andere landen. Wendy: “Dat gebeurt op alle continenten. Onze adviseurs begeleiden ook daar de teelt, zodat het product ook aan de eisen voldoet die wij stellen.”
Nog even terug naar de sjalotten, waar het allemaal mee begon. “Ja, die sjalotten, daar zijn we groot in geworden. Terwijl de meeste uien worden gezaaid is dit een product dat uit plantmateriaal groeit.” Wendy vertelt hoe deze kleine ui nog steeds in het middelpunt staat en dat de veredeling niet stil staat.
“We proberen ze vanwege hun goede smaak in het assortiment van snijderijen te krijgen, maar dat ligt niet eenvoudig. Ze zijn klein en omdat ze in een cluster groeien zitten er platte kanten aan. Dat snijdt niet gemakkelijk. Vandaar dat we na al die jaren nog steeds op zoek zijn naar de ideale sjalot”, glimlacht Wendy.

Gourmet bv
Gourmet bv is gespecialiseerd in de teelt, selectie en verpakking van sjalotten, uien, knoflook en Stoneleeks. Het bedrijf van de familie Broersen uit Grootebroek teelt deze producten op ruim honderd hectare in Nederland. Verder importeert het producten wereldwijd uit 24 verschillende landen. Vader Jan is algemeen directeur. Zoon Niels neemt met zijn team de inkoop voor zijn rekening. Dochter Wendy draagt zorg voor Marketing en PR.


Agrarische kalender ABN AMRO Bank

woensdag, juli 02, 2008

Slakken
















Slijmerds...

Je komt ze overal tegen en meestal als je er niet op rekent. Ze verschuilen zich massaal achter de terra cotta potten op mijn terras en – heel sneaky – achter de hopplant die tegen mijn schuurtje groeit. En wat doe je er mee als je ze dan een voor een hebt losgepeuterd? In het compostvat? Nee, dan zitten ze binnen de kortste keren onder het deksel. Met een boog in de sloot? Opeten dan maar? Wie het weet mag het zeggen. Ik krijg kippenvel van die slijmerds.

Zeekraal
















Zeekraal is meer dan een Zeeuwse delicatesse
De toenemende verzilting van het Veerse Meer dwingt de familie Janse in Wolphaartsdijk tot aanpassing van hun bedrijfsvoering. De teelt van zeekraal, de kweek van zagers en de landschapscamping hebben hun plaats ingenomen naast traditionele akkerbouw. De spreuk ‘Luctor et emergo’, ik worstel en kom boven, is op het lijf geschreven van deze Zeeuwse familie.

Idyllisch gelegen aan het Veerse Meer doet niets vermoeden welke strijd tegen de elementen hoeve De Heerlijkheid van Wolphaardsdijk de afgelopen decennia heeft geleverd. ‘Vanaf 1974 tot twee jaar geleden behaalden we hier topopbrengsten op ons akkerbouwbedrijf’, vertelt Maarten Janse senior.
Dat ging niet vanzelf. Toen de familie Janse in 1968 hun eigendom aankocht bestond het uit water, slik en schorren. Een typisch Zeeuws landschap, dat vóór inpoldering beïnvloed werd door de getijden van de Oosterschelde. Na omzetting tot akkerbouwland duurde het vele jaren voordat het zout uit de grond verdween.
Inmiddels is dit proces omgedraaid. Sinds 2004 wordt er weer zout water ingelaten vanuit de Oosterschelde, waardoor het Veerse Meer weer helder en schoon wordt. Deze -op zich- positieve overheidsmaatregel veroorzaakte al snel problemen met verzilting voor het akkerbouwbedrijf. ’Ik merkte het de eerste zomer al aan mijn gewassen en aan de grond die slecht opdroogde’, vertelt Janse. ‘Inmiddels staat de zoute kwel op bepaalde plaatsen al 30 centimeter onder het maaiveld.’ En dat is schrikken en slikken voor deze boer.
De familie Janse zocht daarom naar alternatieven, waarvan de zeekraalteelt de meest voor de hand liggende is. Dit zoutminnende gewas groeit van oudsher op de Zeeuwse schorren. ‘Armeluisgroente’, noemden de Zeeuwen het vroeger. Het werd volop geoogst in het wild, als alternatief voor duurdere groenten. ‘Zeekraal zit boordevol vitamine C’, weet Maarten junior, die inmiddels is aangeschoven. ‘En bovendien is het gewoon heerlijk. Je kan het blancheren, maar ook rauw eten. Lekker knapperig.’ De smaak is wel afhankelijk van het zoute water. Dit is nodig om de zeekraal haar typisch zilte smaak mee te geven.

Eerste schreden
De teelt van zeekraal gaat inmiddels het derde seizoen in. Aanvankelijk ging het om een beperkt oppervlak, maar dit jaar groeit de teelt uit naar een halve hectare. Met behulp van adviezen van de Hogeschool Zeeland en een Belgische adviseur heeft de familie Janse de eerste schreden gezet, naar een teelt die in intensiviteit en opbrengsten de akkerbouwproducten ver overtreft. Vooral de handmatige oogst vraagt veel inspanning. Maarten junior: ‘Vooral in het begin van het seizoen duurt een hele tijd voordat je een paar kilo bij elkaar hebt gesneden.’
Maarten zaait de zeekraal in april op veldjes van drie meter breed. De zaden kiemen uitsluitend als ze in aanraking komen met zoet water. Na de kieming krijgen de plantjes alleen nog zout water toegediend. Eind juni vindt de eerste oogst plaats. Dat zijn nog maar kleine stukjes, omdat de plantjes dan alleen nog maar een plukje groen gemaakt hebben en nog niet in de breedte zijn vertakt. Tot begin september kan Maarten er in totaal drie keer van oogsten. Dat is een secuur werkje. Zijn vader: ‘Je moet dan gaan uitkijken dat je geen stokken mee gaat snijden. Die zijn hard en die moeten er dus niet tussen zitten.

Regionale bekendheid
Zeekraal is een niche-product dat vooral zijn weg vindt naar restaurants. Als het aan Maarten junior ligt zal dit in de toekomst veranderen. ‘Het is een heerlijke groente, die gewoon nog niet erg bekend is. We zijn volop bezig met de afzet van onze producten.’ ‘Nederland kent wel enkele kwekerijen, maar er komt ook veel uit Frankrijk, Israël en Mexico’, vult Maarten senior aan. ‘We moeten zelf nog erg veel leren, maar ik durf gerust te stellen dat er hier en daar erge slechte zeekraal te koop is. Dat kan veel beter.’
De afzet van de zeekraal gebeurt nu nog voornamelijk via The Greenery. Het geoogste product gaat los, per twee kilo, in het bekende blauwe poolfust. Daarnaast zijn er al wat directe contacten gelegd met de handel.
‘De handel in zeekraal is complex’, vertelt Maarten senior. ‘Die verloopt vooral erg traditioneel, via vaste lijnen. We geloven er zelf in dat er plaats is voor groei, zeker als de kwaliteit van het product nog verder toeneemt. Zeekraal heeft regionale bekendheid, maar wij denken dat het kan uitgroeien tot een belangrijke groente. Een groeimarkt, dus.’
Dat is een optimistische gedachte, zeker voor boeren die net zoals de familie Janse problemen krijgen met verzilting. Wil het zo ver komen, dan zal er ook iets moeten gebeuren op het gebied van mechanische oogst. Tot dusver is het nog handwerk, maar bij Janse wordt ook al proef gedraaid met een oogstmachine.

De Heerlijkheid van Wolphaartsdijk
De familie Janse heeft een akkerbouwbedrijf van 65 hectare in het Zeeuwse Wolphaartsdijk. Hoofdgewassen zijn aardappelen, graan, graszaad en suikerbieten. Sinds vele jaren hebben zij een minicamping die vorig jaar is uitgebreid tot een landschapscamping met zestig kampeerplaatsen langs het Veerse Meer. Drie jaar geleden is een lange vijver aangelegd voor de kweek van zagers. Deze vijver vormt een natuurlijke grens tussen zoete en zoute percelen. Tussen de vijver en het Veerse Meer ligt nu het perceel land waar op 5.000 m2 zeekraal groeit.

Agrarische kalender ABN AMRO Bank, maart 2008

zondag, juni 29, 2008

Talencursus
















Talencursus voor agrariërs
Het woord ‘broeierij’ kan je niet in het Pools vertalen


In Nederland verwachten we dat buitenlandse arbeidskrachten liefst zo snel mogelijk onze taal oppakken. Waarom niet andersom?, vindt de cursusleiding van het Clusiuscollege in Hoorn, en biedt daarom talencursussen aan. Pools leren is leuk, laten enkele cursisten weten. Ze willen er mee door gaan.

Het is muisstil in de klas als Agnieszka Steur aanwijzingen geeft via haar Powerpoint-presentatie. Ze toont een schilderij van een beroemd Pools kunstenaar en aan de hand van de afbeelding vertelt ze over de zon en de seizoenen. Onderwijl vraagt ze haar leerlingen wat herfst en lente in het Pools is. Die buigen zich over hun boek en geven gretig antwoord. De stemming is goed en serieus. En dat is logisch, want Agniezka praat bevlogen over haar vaderland en haar leerlingen zijn gemotiveerd.
Als de thermoskan koffie in de kantine rond gaat komt het gesprek op gang. Op dit moment heeft Agnieszka vier leerlingen. In de eerste cluster van het seizoen waren dat er nog zes. Deze kleine groep heeft besloten om zich verder vast te bijten in de moeilijke stof, want dat is het. “Het is voor Nederlanders absoluut één van de moeilijkste vreemde talen om te leren”, vertelt Agnieszka. “Het is eigenlijk voor Polen makkelijker om Nederlands te leren dan andersom.” Haar leerlingen beamen dit. Toch schrikt dat de leerlingen niet af. Ze hebben allen belang om de basisbeginselen van het Pools te leren. Zeker nu er steeds meer Polen naar Nederland komen die geen Duits spreken. Communicatie op de werkvloer wordt dus steeds moeilijker.

Motief
Johan Marbus is akkerbouwer in Rijsenhout. Met grote regelmaat krijgt hij Polen over de vloer. Hij rijdt dus iedere dinsdagavond naar Hoorn, omdat hij het belangrijk vindt om wat Pools te kennen. Naast hem zit Johan Teel, medewerker van leliebedrijf Oriental in Andijk. Hij werkt jaarrond met Polen en heeft hetzelfde motief als zijn buurman. Maurice Reus werkt op het familiebedrijf Reus Holland BV in Lutjebroek. Dit bedrijf is gespecialiseerd in teelt, broeierij en export van tulpen. Hij heeft misschien nog wel het meeste belang bij de cursus, omdat zijn vriendin Poolse is. “Als ik in Polen ben weet ik tenminste of ze over me zitten te kletsen”, zegt hij. De mannen lachen.
Agnieszka zelf woont nu negen jaar in Nederland en studeert Slavistiek in Amsterdam. Naast haar studie en gezin vindt ze het leuk om les te geven. Ze start deze cursus volledig vanaf de basis. Het is niet de bedoeling dat haar leerlingen het Pools perfect kunnen schrijven. Het is met name het leren lezen en de conversatie, die centraal staan. Een praktische invulling, die het meest past bij het uitwisselen van informatie op de werkvloer.

Moeilijk
He heeft even geduurd voordat de eerste cluster van start ging. Pas in februari had het Clusiuscollege voldoende cursisten bij elkaar om te beginnen. Hoewel het allereerste begin moeizaam verliep gaat het inmiddels veel beter. Johan Teel: “Het lezen gaat nu wel goed, maar de uitspraak is erg moeilijk.” Nu de cursisten hebben geleerd welke uitspraak bij welke letter hoort – heel anders dan in Nederlands – gaat het al veel beter. “Verstaan is veel makkelijker dan spreken”, voegt Maurice toe. “Maar dat geldt eigenlijk voor elke taal”, vindt Agnieszka. Het Pools is een Slavische taal. Nederlanders hebben over het algemeen minder moeite met Germaanse of Romaanse talen. De grammatica en zinsopbouw is heel anders. Maar als je eenmaal door hebt hoe het werkt valt het eigenlijk ook weer mee.
Huiswerk doen de cursisten ook, maar de hoeveelheid is beperkt. Veel stof wordt in de les zelf behandeld. Het ligt er ook een beetje aan hoe fanatiek je bent.
Agnieszka vertelt onder de les veel over haar vaderland en de cultuur. “Er zijn gewoon verschillen in cultuur tussen Polen en Nederlanders. Ik probeer daar ook iets over te vertellen. Het is een onderdeel van communicatie, waarbij je elkaar leert begrijpen.” Dat stukje wordt ook zeer op prijs gesteld door haar cursisten. Overigens weten zij al veel, want ze werken allen al jaren samen met Polen.
Aangezien het Clusiuscollege agrarische opleidingen verzorgt is het ook logisch dat in de talencursussen ook aandacht wordt besteed aan agrarische termen. Agnieszka behandelt dus ook een lijst van vaktermen. Niet ieder Nederlands woord heeft echter een Poolse vertaling. Maurice: “We hebben nog geen goed Pools woord kunnen vinden voor ‘broeierij’. Een woord dat bij een tulpenteler uiteraard vaak op de tong ligt.
De groep is heel klein, wat door ieder als groot voordeel wordt ervaren. De lessen zijn heel individueel en intensief. Bovendien houden de mannen elkaar wel scherp. En net als op het eigen bedrijf staan ze direct op als de pauze voorbij is. Verder met het hoofdstuk over de seizoenen.

(VAKWERK, 27 JUNI 2008)

Brandnetels
















Bob Crébas:
‘OVER BRANDNETELS MOETEN WE NOG VEEL LEREN’


De weinig populaire brandnetel kan de komende jaren uitgroeien tot een belangrijke leverancier van minder milieu belastende textielvezels. De familie Crébas combineert onderzoek naar brandnetels met genieten in de natuur. Brennels Buiten verbindt en verbroedert zonder prikken.

Een zoete geur van akkerbloemen, waarvan Kamille nog de meest herkenbare is, hangt boven de polder. Rond het paviljoen met meubels van sloophout verrijst een duinlandschap. Een strand, een beachvolleybal-terrein, een jeu de boule-plaats en een theater wordt omgeven door velden wuivende brandnetels. Met lange stappen beent Bob Crébas langs de onlangs aangelegde heuvels, kijkend naar de beplanting op het terrein. Hij wijst: “Hier moeten mensen straks kunnen genieten van de simpele schoonheid die de natuur biedt. Een ontmoetingsplaats voor gelijkgestemden. Zonnen, zwemmen, eten, drinken, kletsen en vooral muziek maken.”
De man, die zijn geesteskind Marktplaats voor een duizelingwekkend hoog bedrag aan eBay verkocht, maakt niet de indruk dat hij op zijn lauweren wil rusten. Wat Crébas en zijn mensen hier hebben opgezet houdt het midden tussen een bedrijf dat in de toekomst rendement moet maken en het realiseren van een jongensdroom, waarbij het goede leven en zorg voor het milieu hand in hand gaan.

Milieu
Crébas vertelt hoe hij enthousiast werd voor de teelt van brandnetels als grondstof voor textiel. Het idee waaide over vanuit Duitsland, waar ook goede brandnetel selecties beschikbaar zijn. “De teelt en productie van katoen is heel erg vervuilend. Naast veel chemische bestrijding gebruikt die teelt enorm veel water. Zelfs de biologische teelt geeft nog te veel milieubelasting. Ik heb daar moeite mee”, zegt de man wiens hart uit gaat naar recycling van gebruiksvoorwerpen en verstandig omgaan met moeder aarde.
De brandnetelteelt is veel minder belastend voor het milieu. Hoewel de groeikracht van deze plant berucht is, gaat de teelt ervan niet vanzelf. “Onze proef in Litouwen zie ik de mist in gaan. In Tsjechië gaat het beter”, vertelt Crébas. “Het klinkt misschien gek, maar je moet liefde voor dit gewas hebben. Ik kom er achter dat we nog heel veel moeten leren.”
Crébas gebruikt brandnetelselecties die drie meter hoog worden. De stekken, afkomstig van de topjes van het brandnetelgewas, worden beworteld bij een plantenkweker. Na het planten blijft het gewas acht tot tien jaar staan. In tegenstelling tot de wilde soortgenoten, die woekeren dat het een lieve lust is, zaaien deze brandnetels niet uit. Prikken doen ze nog wel.

Pionier
Brandnetels telen is pionierswerk. Crébas werkt samen met onderzoekers in binnen- en buitenland, zowel op gebied van teelt als verwerking tot textiel. In augustus gaat het mes in de metershoge planten en het brandnetelstro blijft een aantal weken op het land liggen. In die periode weken de vezels op een natuurlijke manier los van de bast, het zogenaamde roten. Daarna worden de stengels tot balen geperst en opgeslagen.
Het hele verwerkingsproces van de vezels was eigenlijk al in de middeleeuwen bekend, maar dat wil nog niet zeggen dat het automatisch vertaalbaar is naar hedendaagse processen. Crébas: “We proberen verschillende methoden uit. Het is de kunst om mooie, soepele vezels over te houden. De reststoffen willen we verwerken tot viscose. 80 tot 90 procent van de plant bestaat namelijk uit bast en daar willen we ook wat mee doen.”
De verkregen garens worden vermengd met andere grondstoffen, bijvoorbeeld katoen. En voor de geruststelling: dan prikken ze niet meer.

Kleding
“Maar dit zijn allemaal technische problemen waar we wel uit komen”, vervolgt hij. “Het markttechnische verhaal begint dan pas, want wie wil kleding dragen van brandnetels? Nee, dat zijn niet de alternatieven, hebben we geleerd. Het zijn moderne mensen, ouder dan 25, die van de natuur houden en casual kleding dragen. Na enig zoeken hebben we onze kledinglijn afgestemd op die groep.”
In de winkel op het terrein van Brennels kunnen bezoekers de brandnetelcollectie bewonderen en kopen. Eerder is in Arnhem een kledingzaak geopend met dezelfde naam, waar naast het eigen merk ook kleding van andere merken hangt. Alles met een duidelijk milieuvriendelijk stempel.
Sinds mei kan iedereen op Brennels Buiten kennis nemen van de brandnetelteelt. Voor Bob Crébas is hiermee een droom in vervulling gegaan. Midden in de natuur kunnen mensen genieten en ontspannen, het liefst begeleid door een stevig stukje muziek. Ieder weekend staan er bands op het podium of in het open lucht theater. Bob zelf houdt een oogje in het zeil, maar wil nu een boek schrijven, een CD met zijn band opnemen en nog zoveel meer.
Maar wat doen die Russische MIG en die SAR helikopter daar op het terrein? Bob: “Ook dat is een voorbeeld van hergebruik na beëindiging van de koude oorlog. Die helikopter gebruiken we nu als vergaderruimte.”

Brennels Buiten
Brennels Buiten in Kraggenburg is een dagrecreatiepark en brandnetelplantage van 48 hectare. Brennels is opgezet door de familie Crébas, die eerder actief was met kringloopketen Het Goed en Marktplaats.nl.

Agrarische kalender ABN AMRO Bank, juli 2008

maandag, mei 12, 2008

Zacht fruit


Discussie voeding- en gezondheidsclaims komt op gang

ALLEEN EEN DOKTER MAG ZEGGEN DAT ONZE PRODUCTEN GEZOND ZIJN


Het gebruik van voeding- en gezondheidsclaims is in Europees verband aan strenge regels gebonden. De groenten- en fruitsector hanteert nog geen claims, terwijl dat eigenlijk wel een grote wens is. De gezondste groep van producten loopt tegen de grootste hindernissen aan. Hoe toon je aan dat er in zit wat er op staat?

De Japanners lopen voorop als het gaat om gezonde voeding en doen veel moeite om die boodschap te brengen. Op primetime tonen zij op televisie een voorlichtingsfilmpje over de gezonde inhoudstoffen van broccoli.
Afgelopen winterseizoen maakte de BBC een zeer toegankelijke documentaire-reeks met de titel ‘The truth about food’. Een serie, die aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en bijna vermakelijke clipjes, aantoont hoe belangrijk de consumptie van verse groenten en fruit voor onze gezondheid is. Binnen ons taalgebied was de serie uitsluitend via het Belgische Canvas te volgen. De Nederlandse publieke zenders bleven tot op heden achter.
Met de gebruikelijke promotiecampagnes lukt het in Nederland nog steeds niet om consumenten de gewenste 150 tot 200 gram groenten en 200 gram fruit per dag te laten eten. Verre van dat. Negatieve berichtgeving over twijfelachtige vitaminegehaltes in groenten lijkt makkelijker opgepakt te worden dan positieve berichtgeving, getuige de 169 reacties die binnen kwamen op de site van Telegraaf, naar aanleiding van op zijn minst discutabele berichtgeving in ’s lands grootste ochtendkrant.
Toch ontstaat de laatste jaren bij een groep koplopers binnen de samenleving het besef dat er een belangrijke relatie is tussen voedsel en gezondheid. Niet voor niets werd vorig jaar het Convenant Overgewicht afgesloten, tussen Overheid, bedrijfsleven en een groot aantal maatschappelijke organisaties. ‘Consumenten zijn zich wel degelijk bewuster geworden van het belang van gezond eten en bewegen’, schrijft voortrekker Paul Rosenmöller in zijn voorwoord. In het Convenant staat te lezen dat 54% van de Nederlanders een logo op gezonde producten toe juicht. De tijd lijkt dus rijp voor een nieuwe benadering.

Voedsel- of gezondheidsclaims
Rob Baan van Koppert Cress teelt op zijn bedrijf kiemplantjes, die hun weg voornamelijk vinden in het culinaire circuit, maar bovenal erg gezond zijn. Veel van zijn innovaties haalt hij uit het verre oosten. Hij is voorvechter van voeding- en gezondheidsclaims op verse AFG producten en heeft zichzelf de missie opgelegd om groenten en fruit het juiste gezonde label mee te geven.
Met een nimmer aflatende bevlogenheid spreekt Rob Baan de ene groep na de andere toe. Hij laat zijn kleine planten proeven en wijst ze op één belangrijke Japanse wijsheid: ‘Niet alleen lang leven, maar gezond oud worden. Dat doe je door gezond te eten.’ Baan laat zien welke stoffen groenten en fruit bevatten en dat ze een heilzame werking hebben. Toch zit hem één ding dwars: “Ik mag gezonde producten telen, maar alleen een dokter mag zeggen dat het goed is voor je gezondheid.”
Eigenlijk wil Baan te snel. Hij spreekt van gezondheidsclaims, die je alleen mag voeren als er voldoende uitgebreid klinisch onderzoek is gedaan, waarbij is aangetoond dat bepaalde stoffen in voeding een gunstig effect hebben op de gezondheid. Onderzoek wijst inderdaad richting bestrijding van kanker en diabetes, maar is dat ook werkelijk te herleiden naar die broccoli of die frambozen? Dat bewijs komt mondjesmaat naar boven, maar vraagt ook nog veel onderzoek.
Pascal van Delst van Bestf3(Best Fresh Functional Food) vindt de echte gezondheidsclaims in eerste instantie nog een stap te ver, hoewel zijn organisatie Bestf3 ook daadwerkelijk actief is om hier draagvlak voor te vinden. Van Delst denkt dat het beter is om in eerste instantie in te zetten op voedingsclaims. Onder voedingsclaims valt het weergeven van de bioactieve stoffen op de verpakking. Op zich al ingewikkeld genoeg.
Van Delst: “Praten over ernstige ziekten ligt enorm gevoelig. Je kan veel beter benadrukken hoe belangrijk de vitamines in verse producten zijn. Op dat gebied is nog zoveel winst te boeken. Als wij werkelijk kunnen aantonen dat AGF-producten de stoffen bevatten die ook op de verpakking zijn aangegeven zijn we al heel ver. Vooral de borging van die inhoudsstoffen is belangrijk.”
Deze discussie ligt politiek gevoelig, beamen beide heren. Van Delst: “Neem nu lycopeen in tomaten. Als je spreekt over de preventie tegen prostaatkanker, die bijna is aangetoond door onderzoek, dat is dit moeilijk bespreekbaar. Praten we over cosmetische zaken als preventie tegen zonnebrand –ook aangetoond- dan verloopt de discussie ineens veel vlotter.”
Momenteel is de NEVO-tabel (Nederlandse Voedingstabel) van de Consumentenbond het enige instrument dat inzicht geeft in bepaalde inhoudsstoffen van verse groenten en fruit. Deze geeft een globaal overzicht per product, maar het is bekend dat er onderlinge verschillen zijn als gevolg van rassenkeuze en teeltmethode. De materie is dus erg complex en deze tabel zegt dus onvoldoende.

Concreet
In Europa is de EFSA(European Food Safety Authority) belast met het behandelen van de voedingsclaim aanvragen. Sinds de vernieuwde wet- en regelgeving in 2007 wordt deze organisatie overstroomd met aanvragen vanuit heel Europa, waarbij eigenlijk al duidelijk wordt dat de capaciteitsproblemen het hele proces ernstig vertragen.
Pascal van Delst verwacht dat de eerste voedingsclaims op de verpakking van AGF producten nog tenminste drie tot vijf jaar op zich laten wachten. Volgens hem zijn lycopeen (tomaten), sulforafaan (broccoli) en quercetine (appel, blauwe bes en ui) de voorlopers, waarna nog veel stoffen zullen gaan volgen. Concreet lopen er momenteel vier projecten, waaronder bosbes en broccoli en er komen er meer aan.
Bestf3 zet zich in voor aanvragen, die weer sectorbreed moet worden gedragen van zaadleverancier, teler tot afzetorganisatie. Van Delst: “Een aanvraag voor een claim is gebaseerd op een combinatie van rassenkeuze, teeltbeheersing en eventuele verder bewerking, zoals verpakken, opslag en transport.” Het gehalte aan gezonde stoffen kan namelijk veranderen bij bepaalde temperaturen en neemt af naarmate een product langer wordt bewaard. Aangezien verpakkingen ook iets over de minimale hoeveelheid gezonde stof komt te staan, zal de sector zowel met teelt- als bewaarrecepten moeten gaan werken.
Aan een claim hangt ook de borging van dit hele proces. Als de producten eenmaal een voedingsclaim dragen dan zal er ook steekproefsgewijs controle plaatsvinden. Verschillende afzetorganisaties zijn actief op het gebied van de aanvraag van voedingsclaims, maar vaak een deel van het traject. Bestf3 is tot nu toe de meest complete organisatie op dit specialistische vakgebied, die ook het onderdeel borging voor zijn rekening neemt.

Ondersteuning
Het is volgens Van Delst ook belangrijk dat Bestf3 nu ook ondersteuning krijgt van meerdere spelers in de markt, in plaats van alleen van de oprichters. Hoe breder de sector dit initiatief draagt, des te sneller dit belangrijke werk door gaat.
Het zal dus nog enige tijd duren voordat de eerste AGF producten met claim in het schap liggen. Een hele belangrijke stap vooruit, vinden Baan en Van Delst. Maar, met een gezond label alleen zal de consumptie van groenten en fruit niet omhoog gaan. Van Delst: “Ik verwacht dat pas als consumenten groente en fruit associëren met ‘fun’. En dat vraagt een andere aanpak van de sector.”

Best Fresh Functional Food
Bestf3(Best Fresh Functional Food) is een jonge organisatie die zich tot doel heeft gesteld om functionele voedingsstoffen transparant te waarborgen. Initiatiefnemers zijn Rob Baan, Mart Valstar en Ted van Heijningen. Zij zijn allen nadrukkelijk betrokken bij de markt van AGF producten en vinden het belangrijk dat er een goede onderbouwing komt voor functionele voeding.
Bestf3 werkt naar de situatie toe dat telers ook claims(voedingswaarde en/of gezondheid) kunnen verbinden aan hun producten.
Binnenkort gaat Bestf3 nieuwe leden werven, zodat het niet blijft bij een particulier initiatief, maar een sectorbreed gesteunde organisatie.


Interessante websites
Mooie consumentensite met allerhande informatie over gezondheidsaspecten van fruit, opgezet door de Belgische fruitveilingen Borgloon (EBURON) en TRUVAL.
Engelse consumentensite, boordevol gezonde informatie over bessen, ook voor kinderen.
Site van Best Fresh Functional Food. Hier vindt u ook verschillende internationale onderzoeken naar gezonde inhoudsstoffen.
Site van de BBC documentairereeks ‘The truth about food’. Bekijk vooral eens een paar clipjes uit de serie.
Site van Koppert Cress, producent van lekkere en gezonde kiemgroenten.

(Nieuwe Oogst, 25 april 2008)

Bramen



Bramen laten zich niet zomaar sturen

Als je een echte mooie, forse braam proeft, dan bestaat de kans dat die is gegroeid bij Pippel in Haaften. Dit bedrijf is met recht bijzonder, omdat de familie Pippel bijna jaarrond vruchten van een goede kwaliteit kan leveren. Zij kozen voor een klein gewas en groeiden uit tot echte specialisten.

Lente in de Betuwe. Bijen en hommels zoemen ijverig langs duizenden bramenbloempjes in de kas van Bert-Jan en Corine Pippel. De eerste bramen kleuren diep zwart. “Proef eens”, zegt Bert-Jan. Hij geeft een enorme glanzende dikke braam die verassend fris en zoet smaakt. “Dit is ‘Loch Tay’, een braam die snel op smaak is. Anders dan ons hoofdras ‘Loch Ness’. Als de vruchten daarvan zwart kleuren, dan moeten ze echt nog een paar dagen hangen om goed door te rijpen.
Bramen plukken is een kwestie van goede timing. Ben je te vroeg, dan smaken ze zuur en pluk je geen kilo’s. Ben je te laat, dan zijn ze kwetsbaar en sneuvelen ze tijdens het transport.”
Bert-Jan heeft sinds 1995 veel ervaring opgedaan met de bramenteelt. Op dat moment kocht hij zijn fruitbedrijf aan, dat behalve appelbomen ook een kleine kas had. Een tijd lang beraadde hij zich op een nuttig doel voor deze kas, totdat hij zijn oog op bramen liet vallen. Die keuze is hem goed bevallen. De appels verdwenen en de braamstruiken ‘overwoekerden’ zijn perceel. Pippel Bramen groeide uit tot een bedrijf van formaat, uniek in zijn soort. Anders dan collega zachtfruit telers koos Bert-Jan bewust voor één gewas. Geen spreiding van risico’s door meerdere bessen te telen. Hij had een ander doel voor ogen: jaarrond bramen oogsten.

Bijna jaarrond
“Op dit moment zijn we in staat om bijna jaarrond aan de markt te zijn. Het is ons één jaar gelukt om maar zes weken uit productie te zijn”, vertelt Bert-Jan. Gebrek aan licht in het najaar is eigenlijk de beperkende factor. Na 15 oktober verloopt de bestuiving moeilijk. Pippel doet proeven met belichting, maar dat heeft nog niet opgeleverd wat hij ervan verwacht. “Bramen zijn soms moeilijk te sturen. Als je ze in de kas zet vertonen ze soms rare kuren”, gaat hij door. Zich erbij neerleggen doet hij niet, want hij gaat nog wat schuiven met plantdata van de buitenteelt en de teelt onder glas, zodat de producties elkaar nog meer naderen.
Jaarrond produceren heeft als groot voordeel dat Pippel zijn klanten altijd kan voorzien van verse bramen. Zijn afzet regelt hij via Fruitmasters in Geldermalsen. Met zijn bedrijfsomvang kan hij goed inspelen op acties, zoals bijvoorbeeld voor Marks&Spencers. En de veiling heeft weer andere zachtfruit soorten beschikbaar, zodat er toch een compleet pallet ontstaat.

Naadloos
Als de braamstruiken in productie komen kan Bert-Jan er ongeveer drie maanden van plukken. Met behulp van zijn ijverigste werksters, bijen en hommels, komt begin april de eerste teelt in de kas in productie. De plukkers rijden dan met oogstwagens over de buisrail tussen de struiken, die 1,60 cm uit elkaar staan. “Als we volop in productie zijn, dan ben je een hele dag met één pad bezig”, vertelt hij. Af en toe verdwijnt er zo’n lekkere braam in een mond, in plaats van in een doosje. Bert-Jan moet daar om glimlachen. “Daar stop je vanzelf mee, want je krijgt er op een gegeven moment echt wel genoeg van.”
Als de kasteelt op z’n eind loopt komen de struiken van de vollegrond in productie. Zo sluit de buitenteelt naadloos aan op het product uit de kas. Loopt de buitenteelt af dan gaat Pippel over op de regenkappen, om in de winter weer te eindigen in de kas. Zo heeft hij eigenlijk permanent één hectare waarvan hij moet plukken.

Kneepjes
Het zijn eigenlijk de kneepjes van het vak die er voor zorgen dat Pippel een kwalitatief goed product oogst en aan hoge opbrengsten komt. Het juiste tijdstip van oogsten is daar bijvoorbeeld één van. Een braam zwelt namelijk op het laatste moment op, waardoor het gewicht toe neemt. Verder is het juist aansturen van de teelt een gevoelskwestie, die Bert-Jan met vallen en opstaan heeft geleerd. Steeds weer uitproberen en kijken wat het resultaat is.
Hoewel hij in de opkweek nog enkele bestrijdingsmiddelen gebruikt zie je aan het aantal insecten in de kas wel dat Bert-Jan met biologische bestrijding werkt. “Ik heb heel veel geleerd van de glasgroentetelers die hetzelfde doen”, merkt hij op. Hij moet altijd bedacht zijn op een tripsaantasting, maar die is goed te bestrijden met roofmijten.
Langs het hoofdpad hangt hier en daar een klein vogelkastje. “Voor de koolmezen”, verduidelijkt hij. “Dat zijn graag geziene gasten, want die pikken alle rupsen weg.” Zo blijkt maar weer hoe natuur en cultuur hand in hand kunnen gaan.

Optimale productie
Bert-Jan en Corine Pippel hebben een bedrijf van ruim zeven hectare. De helft van het bedrijf is in gebruik voor opkweek van planten. De rest van het bedrijf is verdeeld in drie delen: één hectare glas, één hectare regenkappen en de rest vollegrond. Het uitgangsmateriaal is afkomstig van weefselkweek, om zo tot een optimale productie te komen. Het eerste jaar staan ze op het opkweekveld, het tweede jaar komen ze in productie. Afhankelijk van de kwaliteit van de planten besluit Pippel of hij ze daarna ruimt of nog een keer terugsnoeit voor hergebruik.
De planten in de kas en onder de regenkappen staan in containers. Alleen op het vollegrondsgedeelte staan ze rechtstreeks in de grond. Het hoofdras is ‘Loch Ness’. Op dit moment staat er een proef met ‘Loch Tay’.