maandag, maart 31, 2008

Zagers
















Kweek van zagers kan een grote vlucht nemen

Als het aan Bert Meijering ligt gaat de kwekerij van zagers in Nederland gouden tijden tegemoet. Zagers zijn bekend als aas voor de sportvisserij, maar je kunt er ook visvoer van maken voor de professionele garnalen- en viskwekerij. Het bedrijf Topsy Baits is al een eind op weg om die stap te nemen.
‘Hoe het allemaal is begonnen? Ik heb iets met water en beestjes’, vertelt Bert Meijering. Hij haalt zijn handen door een bak zagers (Nereis virens) en laat de glibberige wormen over zijn handen glijden. ‘Kijk, dit slijm beschermt ze tegen allerlei ziektes.’ In de hal staan bakken vol geoogste zagers te wachten op verdere verwerking. Buiten liggen de kweekvijvers in lange rijen in het gelid.
Meijering heeft zijn hobby in meer dan twintig jaar weten uit te bouwen tot een toonaangevende kwekerij, met veel know-how van de wormencultuur. Van vermeerdering, tot kweek, oogst en verwerking. Er zijn meer ondernemers gestart met de kweek van zagers, maar Topsy Baits is tot dusver de meest succesvolle.

Ondiepe vijvers
Meijering heeft ondiepe kweekvijvers ontwikkeld, die zijn opgebouwd uit kleine dammetjes met folie er tussen. Daarin ligt een laag van 15 cm zand, waarin de wormen leven. Boven het zand staat 30 cm zout water, dat wordt belucht. Aangezien de vijvers erg ondiep zijn heeft de kweker een eigen methode van beluchting moeten ontwikkelen, omdat de bestaande systemen zijn toegespitst op diepere vijvers.
Het seizoen begint in april als Bert zijn in eigen beheer gekweekte larven van een halve millimeter uitzet in de vijvers. In juli kunnen de eerste kleine wormen van ongeveer één gram worden geoogst.
De markt voor levend aas is erg seizoensgebonden. De rest van de wormen mag dus uitgroeien totdat ze groot genoeg zijn om in te vriezen. Die zijn dan geschikt als voer voor garnalen of vissen.
In de beginjaren werden de zagers met de hand geoogst. Inmiddels heeft Bert machines ontwikkeld om automatisch te oogsten. Deze machines trekken zichzelf naar voren door de vijvers. Dat oogsten gebeurt door de zandlaag los te spuiten, waarna de wormen los komen. Ze worden dan in trommels opgevangen, waarna zand en stukjes schelp weer kunnen bezinken. De geoogste zagers gaan vervolgens naar de verpakkingshal waar ze nog 24 uur in schoon water staan om in die tijd alle zand uit werpen.

Vriezen of drogen
In 1999 kwam Meijering in contact met een Arubaans bedrijf, dat op zoek was naar voer voor de kweek van gamba’s. Deze garnalen werden vanouds gevoerd met Amerikaanse wormen, die uitsluitend in het wild worden gevangen. Zo ontstond het initiatief om de zagers ingevroren te exporteren. ‘Dit heeft een nieuwe ontwikkeling in gang gezet. Inmiddels exporteren we bevroren zagers naar 28 landen’, vertelt Bert.
Engeland is een belangrijke afzetmarkt voor Topsy Baits. Daarom zette Meijering ook een zagerkwekerij op in Zuid-Wales. Samen beleveren ze de Noord Europese markt.
Bevroren zagers exporteren heeft zo zijn beperkingen. Bert: ‘Je exporteert voor meer dan 80% water. Bovendien is het een kwetsbaar product als het per vliegtuig wordt vervoerd, want het moet tijdens de reis bevroren blijven.’ Dit bracht Meijering op het idee om de zagers te drogen en te verwerken tot korrels. Samen met het Welsh bedrijf ontwikkelde hij korrels, die eigenlijk nog maar 1 tot 2% zagers bevatten en voor de rest bestaan uit plantaardig materiaal. ‘We hebben deze korrels gevoerd aan forellen en nu blijkt dat deze vissen het er heel goed op doen’, aldus Meijering. En dat is een veelbelovend resultaat.
‘Roofvissen als zalm en kabeljauw eten uitsluitend voer dat is gemaakt van visproducten. We hebben nu uitgevonden dat deze vissen onze korrels ook lusten en erop groeien’, gaat hij door.

Doorbreken cirkel
Als deze ontwikkeling doorzet, dan ligt er nog een wereld open voor Topsy Baits. De kweek van vissen, de aquacultuur, groeit al twintig jaar met bijna 10% per jaar. De productie van vismeel, de basis van visvoerproducten is stabiel. Zie hier een gat in de markt.
Bovendien doorbreekt Meijering met zijn vismeel vrije korrels ook de voedselketen van uitsluitend dierlijke oorsprong. Er zijn namelijk vele kilo’s vismeel nodig om één kilo zalm te kweken. Het is dus mogelijk vissen te kweken met overwegend plantaardig voedsel, wat de duurzaamheid van de aquacultuur bevordert. Een sprong vooruit, dus.
Bert Meijering verwacht dat veel akkerbouwers in de toekomst baat kunnen hebben bij de zagerkweek op laag gelegen stukken land, die door verzilting niet meer geschikt zijn voor de traditionele gewassen. ‘Als ik een rekensommetje maak, dan denk ik dat er ruimte is voor 2.000 tot 3.000 hectare kweekvijvers. Ik verwacht namelijk een goede afzet van de korrels op basis van gekweekte zagers.
Zover is het echter nog niet. Meijering probeert momenteel akkerbouwers te interesseren voor de zagerkweek. Bovendien heeft hij nog een harde dobber aan de plaatselijke overheden. Want, is de kwekerij van zagers nu een industriële activiteit of een agrarische? Daarover is het laatste woord nog niet gevallen. Meijering: ‘Als we dit met z’n allen willen dan zijn er geen moeilijke procedures nodig.’

Topsy Baits bv
Bert Meijering startte in 1984 met de kweek van zagers in een kleine vijver in Vlissingen. Zijn bedrijf Topsy Baits is sinds 1990 gevestigd op de huidige locatie in Wilhelminadorp. Inmiddels beslaan de kweekvijvers een oppervlakte van 17 hectare en produceert Topsy Baits 100 ton zagers per jaar. De wormen worden verkocht als levend aas voor de sportvisserij of bevroren als visvoer voor professionele viskwekerijen.
Topsy Baits heeft een joint venture met het Franse Normandie Appats (handel in wilde wormen) en het Welsh Dragon Baits.

zaterdag, maart 29, 2008

Heirloom aubergine

















Heirloom is hip

‘Dit noemen we de Heirloom-mix’, zegt Hans Verwegen van The Greenery als vanzelfsprekend als hij een mix van gemengde aubergine’s in flow-pack toont. ‘Heirloom?’ Ik reageer verbaasd.
Ruim een jaar geleden hoorde ik dat woord voor het eerst, in samenhang met een trend in de verenigde Staten. In het tomatenseizoen voeren supermarktketens als Wholefoods en Freshmarket campagnes met traditionele tomatenrassen en op Farmers Markets vinden de bont gekleurde, vaak vreemd gevormde vruchten hun weg naar de consument. Ze zijn erg populair, deze tomaten. Op mijn speurtocht vond ik de wonderbaarlijke Gary Ipsen (zie archief juli 2007), die er zijn levenswerk van maakt om oude tomatenrassen op te sporen, er zaad van te telen en te verkopen via Internet. Alles onder de naam Heirloom, letterlijk vertaald: erfstuk. Ik vond het interessant en legde het fenomeen voor aan een aantal tomatenexperts, onderzoekers, veredelaars. Zij reageerden op dat moment lauwtjes, matig geïnteresseerd. Het gaat tenslotte om een niche-markt.
Op dat moment begon ik te twijfelen of mijn enthousiasme voor deze trend wel gegrond was. Ik heb gewikt en gewogen, voordat ik het verhaal van Ipsen daadwerkelijk publiceerde. Uiteindelijk won mijn enthousiasme het van de twijfel. De daarop volgende maanden hoorde ik weinig reacties.
Dit najaar liep ik Leonie Hogendonk tegen het lijf. Zij vertelde me dat De Ruiter Seeds had besloten enkele Heirloom rassen in het assortiment op te nemen. Ik was aangenaam verrast. Even later zag ik op de websites van Eminent en Koppert Cress al Heirloom rassen staan, die onder de naam Inca tomaten het handelskanaal in gaan. Ze blijken al enkele jaren in de handel te zijn.
En dan nu de perspresentatie van telersvereniging Purple Pride, waar ook het woord Heirloom valt, alsof het nog nooit anders is geweest. Heirloom is dus hip, niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Nederland. Toch blijft het voor mij een raadsel dat dit fenomeen zo weinig aandacht krijg binnen het vak.

Tomaten
















Levenselixer voor yuppen
Met twaalf ietwat gesettelde veertig plussers staan wij in een kring rond onze jonge kok Jérome, die ons vanavond begripvol gaat begeleiden bij onze workshop ‘Italiaans koken’. Op de kaart staan welluidende Italiaanse gerechten als crostini met verse pesto, pizza, saltimbocca met tagliatelle, tomatensaus, gremolata, gekonfijte paprika’s en zabaglione van Marsala en amaretti’s toe.
‘Hoe kwam ik hier toch terecht’, vraag ik me even af. Het merendeel van het kookclubje is van het mannelijk geslacht, met Ralf Lauren overhemden en licht aangezet buikje. De dader is mijn immer goedlachse scharrelslager, die het gegoede Voorschotense publiek bedient van malse biefstukjes en ondertussen al zijn klanten een workhop aansmeert.
Naast mij staat een man met tweede huis op Zakinthos én 250 olijfbomen. Samen met een Bewuste Vader, die ’s avonds het eten voor zijn fulltime werkende ega componeert, kneedt hij een deegje voor de tagliatelle. Ik raak enthousiast als ik de pastamachine mag bedienen. Nooit gedacht dat ik nog eens met de hand reepjes pasta zou maken, na jarenlang in de supermarkt een doos met gedroogde inhoud weg te grissen.
Jérome laat ons een tomatensaus bereiden met verse basilicum. Dat stemt me optimistisch. Alleen de wat bleke pruimtomaten brengen me aan het twijfelen. Geen nood, een pakje Heinz tomatensaus brengt de oplossing voor het niet-rood probleem.
Als wij dan uiteindelijk aan tafel plaats nemen komt het gesprek als vanzelfsprekend op Hollandse tomaten. Ik spits mijn oren en luister toe. ‘Ja, die Hollandse tomaten smaken toch lang niet zo goed als de Italiaanse’, is de eerste voorzet. ‘Wasserbombe’, gooit mijn overbuurman op. Het begint bij mij een beetje te kriebelen op plekjes waar het normaal gesproken nooit kriebelt. Het moment nadert dat ik in moet grijpen.
‘Zijn die Nederlandse tomaten nu echt zo slecht, heren’, gooi ik op tafel. Mijn overbuurman schrikt een beetje van mijn opmerking. De man van de olijfbomen sputtert tegen. Hij blijkt op zijn Voorschotense thuisbasis ook een moestuin te beheren. ‘Nee, dan die tomaten van mij. Die zijn ’s zomers zo heerlijk’, weet hij te melden. Vanuit de rechtse hoek komt ineens de juiste voorzet: ‘Ik haal altijd Tasty Tom bij mijn supermarkt’. Ik trek aangenaam verrast een wenkbrauw op. Mijn disgenoten beginnen door te krijgen dat ik door mijn beroep enigszins gedeformeerd ben en vragen mij hoe het nu echt zit met ons Hollands product. Welnu, hier mijn kans om wat zaken recht te zetten in zoverre dit gezelschap nog open staat voor bijscholing. ‘Heren, we telen hier in Nederland prima tomaten. Eenderde behoort tot de categorie ‘smaaktomaten’ en die zijn echt heel lekker. De rest is gewoon goed en dient andere doeleinden, zoals salades of dit soort pastasauzen.’
‘Ja maar’, hoor ik de eerste tegenwerping. ‘We hebben hier vanavond met van die pakjes staan werken.’
‘Inderdaad’, geef ik grif toe. ‘Maar niet getreurd. Jullie hebben allemaal je dagelijkse portie lycopeen binnen gekregen en voor jullie, mannen, is dat van levensbelang. Het beschermt jullie tegen prostaatkanker.’ Stomverbaasd en met enige gêne kijken mijn beleefde toehoorders me aan. Of ze water zien branden. ‘Maar moeten we dan juist die gezonde verse Hollandse tomaten van jou niet eten?’ ‘Ja, die ook. Zoveel mogelijk, graag. Maar juist die gekookte sausjes zitten vol met jullie levenselixer.’ Dan is het stil. ‘Ziezo, die zit’, denk ik.
Die mannen in Voorschoten zullen dit lesje niet snel vergeten, denk ik. Dit lijkt mij ‘een stukje toegevoegde waarde’ aan een cursusje Italiaans koken voor belegen yuppen.

woensdag, februari 13, 2008

Agrarisch ondernemer
















Marco Klaver:
“Hoe blijf je als agrariër rationeel denken in zo’n emotioneel vak?”


De verkiezing tot agrarisch ondernemer van het jaar 2005 kwam voor Marco en Jeanne Klaver als een grote verrassing. Ruim twee jaar later vertelt Marco hoe zijn kijk op het ondernemerschap sinds die tijd is gerijpt.
Marco vindt zichzelf veranderd sinds de verkiezing. Dat het wel goed zat op hun akkerbouwbedrijf was hem allang duidelijk. Maar het zijn juist de erkenning en de waardering die een positieve wending hebben gegeven aan hun ondernemerschap. “Die bevestiging. Op zo’n moment komt er iets in je los”, herinnert Marco zich. “Als je dat vervolgens om kunt zetten naar ondernemerschap zonder jezelf te overschatten. Dat is de kunst.”
Op het bedrijf in Kraggenburg loopt de omgang met het personeel naar wens. Marco en Jeanne hebben zes vaste medewerkers in dienst. In het seizoen, als er lange dagen worden gemaakt, zijn het er acht tot twaalf. De werkdruk is er dan hoog. Marco relativeert dit. “We hebben het allermooiste beroep van de wereld, want we werken veel als het mooi weer is”, grapt hij. Toch heeft hij het werk zo georganiseerd dat er ook tijd blijft voor een privé-leven, een dagje uit met het gezin.

Verantwoordelijk
Marco en Jeanne hebben met behulp van externe adviseurs een kwaliteitszorgsysteem opgezet en daar een platte organisatiestructuur aan gekoppeld. Met de expansie van het bedrijf is de taakverdeling zo gekozen dat iedereen binnen de organisatie zijn verantwoordelijkheden heeft. Marco: “Jeanne en ik kunnen dat gewoon niet allemaal zelf. Als we niet delegeren, dan lopen we onszelf voorbij. Dat is in mijn ogen geen goed ondernemerschap.”
De akkerbouwer verwacht ook dat zijn werknemers hem de waarheid zeggen als dat nodig is. “Ik besef dat ik me dan heel kwetsbaar opstel. Ik krijg op zo’n moment heel wat over me heen. Dat was de eerste keer wel slikken, maar uiteindelijk voelt dat toch beter.”

Balans
Klaver heeft sinds zijn verkiezing een blik mogen werpen in de keuken van andere bedrijven, zowel agrarische als andere takken van het MKB. Hij vindt dat een verrijking voor zijn eigen functioneren en een persoonlijke ontwikkeling die hem meer in balans heeft gebracht.
“Toch denk ik dat er een wezenlijk onderscheid blijft bestaan tussen ondernemers in de agrarische sector en andere bedrijfstakken. Agrariërs zijn emotioneel verbonden aan hun geboortegrond, hun familiebedrijf. Het is een extra aspect aan het ondernemen dat bij andere bedrijven binnen het MKB vaak een minder prominente rol speelt. Marco: “Ben je bijvoorbeeld in staat om rationeel te blijven denken in een emotioneel vak? Dat zijn soms dilemma’s. Maar ik denk ook dat een goed ondernemer kracht put uit eigen twijfel. Je zoekt uiteindelijk toch naar een spiegel.”

Agrarische nieuwsbrief ABN AMRO Bank

maandag, februari 04, 2008

Waterbuffels































WATERBUFFELS ZIJN VRESELIJK AARDIG MAAR WEL KOPPIG

Waterbuffels en hun populaire melk zijn nog betrekkelijk nieuw in Nederland. Voor de boeren die voor deze bijzondere dieren hebben gekozen ligt er nog veel pionierswerk. De productie valt in het niets bij het traditionele melkvee en ze hebben een bijzonder gevoelig karakter. Het moet dus echt klikken tussen de boer en zijn vee.
“Nu de melkprijzen weer stijgen en de discussie rond melkquota verandert vragen mensen me wel eens of ik weer voor de buffels zou kiezen. Als ik terug kijk ben ik nog steeds positief over deze beslissing.” Aan het woord is Anne Jongsma, die terloops een kalfje streelt. “Deze staat altijd vooraan, terwijl de moeder eigenlijk maar schuw is. Zoiets verbaast me dan.”
Vraag aan Anne wat de overeenkomsten zijn tussen koeien en buffels en hij kan er maar een paar noemen. De rij van verschillen is veel groter. Anne groeide op tussen het melkvee van zijn vader, waarbij het fokken al snel zijn interesse had. Hij weet dus best waar hij het over heeft.
“Buffels zijn dieren die snel gestresst zijn. En in die toestand kunnen ze hun melk ophouden. Als ik bijvoorbeeld oormerken ga vervangen, dan doe ik dat vroeg op de dag. Anders laten ze zich ’s middags niet melken.” Hij schudt zijn hoofd. “Ze hebben ook meer ruimte nodig dan een gewone koe. Deze stal is geschikt voor 150 koeien, maar ik denk dat ik bij 130 buffels moet stoppen. Bij te weinig ruimte worden ze lastig tegen elkaar.”

Fokken
Drie jaar geleden wilden Anne en Teije hun eerste buffels in Italië gaan kopen. De Italiaanse buffels waren echter gevaccineerd en het Miniserie LNV gaf geen toestemming. Dus kochten de broers 112 drachtige buffels in Brabant. Met deze, nog niet zo homogene veestapel wilden ze gaan fokken. Deze dieren waren beschikbaar, omdat een buffel lang mee gaat. In Italië worden ze zo’n zeventien jaar lang aangehouden en kalven in die tijd dertien keer. Of dat in Holland ook gaat gebeuren, valt nog te bezien. De buffels produceren momenteel zo’n 2.000 liter melk, tegenover 8.000 liter van koeien. Anne verwacht dat die productie door fokkerij nog wel omhoog kan gaan. “Deze dieren staan nog erg dicht bij de natuur. Dat heeft als voordeel dat ze erg sterk zijn en een hoge weerstand tegen ziekten hebben. Erg weinig klauwproblemen, bijvoorbeeld. Ook de kalveren zijn erg sterk. Daarentegen komen ze al acht tot negen maanden na het kalven al droog te staan. Het melken gaat niet bepaald vanzelf. Veel dieren willen op hun eigen plaats in de melkstal staan. En is er iets anders dan anders, dan is de kans groot dat ze de melk niet laten schieten.”

Eigen stier
Anne kan er al bijna een boek over schrijven. De buffels laten bijvoorbeeld erg moeilijk zien dat ze tochtig zijn. Daarom is er permanent een eigen stier in de kudde. Zo heeft de boer een zorg minder. Toen hij enkele dames apart zette voor inseminatie met sperma van een Italiaanse stier, werden ze niet tochtig. Pas toen de muur tussen de hokken gesloopt werd en ze hun eigen stier weer zagen kwamen ze in de stemming.
Het is ook niet gemakkelijk vast te stellen of de dieren drachtig zijn, omdat controle door de dierenarts zo stressvol kan zijn dat ze het kalf kunnen verwerpen. Buffels vragen dus om een voorzichtige benadering.
Anne houdt de hoogdrachtige dieren niet apart. De kalveren worden gewoon in de kudde geboren, zonder hulp van de boer. “En dat is best bijzonder”, vindt Anne. “Alle dieren staan er omheen , maar ze zullen niet snel op een kalf trappen.” Vervolgens haalt hij zo snel mogelijk het kalf bij de moeder weg. Inmiddels blijkt dat de kalveren die bij Jongsma zijn geboren al veel rustiger zijn dan de dieren die destijds zijn aangekocht, omdat hij er zo intensief en rustig mee om gaat.

Pienter
Waterbuffels hebben een andere spijsvertering dan koeien. Het voer moet veel grover zijn. De buffels zijn slim en kieskeurig als het om veranderingen gaat. Als ze andere brokken krijgen dan merken ze dat direct. “Ik heb echt heel erg aan hun gedrag moeten wennen”, zegt Anne. “Het zijn vreselijk aardige dieren, maar wel erg koppig. Ze kunnen slecht tegen veranderingen. Ik vind het leuk dat ze zo snel leren. Ja, ze zijn machtig pienter. En dat maakt het voor mij weer wat anders dan routine.”
Hij glimlacht: “Toen ze voor het eerst naar buiten gingen zochten ze direct een plas water en modder op. Ja, ze kunnen zich verschrikkelijk vies maken. Daar ben ik dan niet erg blij mee. Maar ja, het zijn wèl waterbuffels.”

Waterbuffelhouderij De Wildhoeve
Anne Jongsma en zijn broer Teije begonnen ruim drie jaar geleden een waterbuffelhouderij in Nijeholtpade. Op het dichtbij gelegen melkveebedrijf, waar hun vader en oom de scepter zwaaien, waren maar liefst vier potentiële opvolgers. De familie Jongsma zocht dus naar een alternatief en vond dat in waterbuffels, waarvan de melk niet gequoteerd is.
In Nederland zijn momenteel negen professionele waterbuffel houders. De melk wordt verwerkt tot Mozarella kaas of ricotto. De melk van Jongsma gaat naar zuivelboerderij Arns in Zevenaar voor verwerking. De bedrijfstak is nog beperkt in omvang. Volgens Anne zou het goed zijn als er meer buffelhouders bij komen.

Aardbeien
















EEN CREATIEF WEEKEND

Heel af en toe gebeurt het wel eens. Even het schrijfwerk opzij schuiven voor de schilderskwast. En dan ontstaat er zo'n lekker mollig zomerkoninkje. Wie weet kom je deze paneeltjes nog een keer tegen als de opdrachtgever zijn aardbeien weer gaat aanprijzen op een beurs of evenement.

dinsdag, januari 22, 2008

Schaalvergroting
















Willem Snoeker van Interpolis ziet gezamenlijk belang met ondernemer
“Sector onderschat risico’s van schaalvergroting”


De schaalvergroting in de glastuinbouw heeft tot gevolg dat het onderwerp risicomanagement zich steeds vaker opdringt. De ondernemer en manager moet de continuïteit van zijn bedrijf veilig stellen, waarbij het verzekeren van de risico’s steeds complexer wordt. Is de verzekeraar nog wel verzekeraar of speelt hij steeds vaker de rol van adviseur?
Groter, hoger, breder. Willem Snoeker, sectormanager van Interpolis Agro, schudt zijn hoofd. “Onze kassen zitten qua glas in samenhang met constructie echt aan de grenzen van wat mogelijk is. Kijk alleen maar naar de dikte van glas, dat in de zeventiger jaren 4 millimeter was. Met de huidige glasmaten zitten we zelfs aan 3.8 mm. En toch is stormschade in jaren zonder extreme stormen voor Interpolis inmiddels niet meer de hoogste kostenpost. Schade door brand is het afgelopen decennium kostenpost nummer één geworden.
’s Lands grootste glasverzekeraar, met een marktaandeel van 80 tot 85%, maakt zich zorgen over de nieuwe risico’s bij grote projecten. Bedrijven van 30 hectare zijn geen uitzondering meer. Kassen, installaties en -waar het uiteindelijk om gaat- gewassen zijn kapitaalsintensiever geworden, waarbij de risico’s onevenredig zijn toegenomen. Dit kan er toe leiden dat risico’s dermate groot zijn geworden dat ze zonder aanpassingen moeilijker verzekerbaar en herverzekerbaar zijn of dat premies de pan uit reizen. Het beleid van Interpolis is daarom gericht op preventie en terugdringen van die risico’s. Door preventieve maatregelen te nemen kan een ondernemer zijn verzekeringspremie lager houden. De verzekeraar geeft daarbij praktische adviezen, maar verwacht uiteindelijk wel dat de ondernemer de eerste stap neemt door ook zijn belang van de gewenste maatregelen in te zien.

Dwingend advies
Welke rol speelt de verzekeraar als een teler nieuw gaat bouwen? Is het advies zo dwingend dat de ondernemer voor een bepaalde kassenbouwer moet kiezen? “Nee”, zegt Snoeker beslist. “Wij doen daar geen uitspraken over. Alle kassen voldoen inmiddels aan de daarvoor vastgestelde NEN-normen. Wel raden we de telers aan om hun bouwtekeningentekeningen aan ons voor te leggen, in een stadium dat ze nog zijn aan te passen. Dit vanuit de risicobeoordeling van het totale bouwproject. Eigenlijk nog voordat ze naar een bank stappen voor de definitieve financiering. Onze technische adviseurs kijken dan naar de praktische invulling ervan. Ze gebruiken daarvoor allemaal dezelfde Casta-berekeningstechnieken, modules die door TNO zijn ontwikkeld.
Anders ligt het voor het te gebruiken glas. De dikte zegt nog niet altijd alles over de kwaliteit. In veel gevallen adviseren we het duurdere geharde glas, vanwege het totale financiële belang per vierkante meter in relatie tot de totale bedrijfsomvang. Maar ook voor gehard glas geldt dat er kwaliteitsverschillen zijn.”

Premievoordeel
Het geharde glas, dat drie tot vijf keer sterker is dan gewoon glas, wint aan populariteit bij de telers. Sterker nog, de verzekeraar stelt soms als eis dit glas te gebruiken, in combinatie met iets smallere ramen in de gevels als een kas op een windgevoelige plaats staat. Het project is dan alleen onder deze voorwaarden te verzekeren. In andere gevallen kan het geharde glas een premievoordeel opleveren tegenover gewoon glas.
De hoogte van de kassen en de glasmaten hebben er voor gezorgd dat een ruit niet makkelijk te vervangen is. Juist het snelle vervangen van gesneuvelde ruiten kan voorkomen dat er grote gewasschade ontstaat. Snoeker: “In de praktijk zijn er telers die een eigen systeem hebben ontwikkeld om glas op een verantwoorde en veilige wijze te vervangen. Zo’n initiatief juichen we natuurlijk toe en nemen het mee in de uiteindelijke risicobeoordeling.”
De sectormanager schets de situatie van de afgelopen jaren, waarbij kassenbouwers niet altijd direct een ploeg beglazers beschikbaar hebben bij calamiteiten. Soms werken ploegen in het buitenland aan grote projecten of is de capaciteit tijdelijk onvoldoende. Bovendien komt daarbij dat de kans op persoonlijke ongelukken bij een reparatie in de hoge kassen alleen maar is toegenomen. Een dergelijke situatie baart hem zorgen.
“Dat is ook de reden dat wij weer om tafel zitten met de bekende rampendiensten. Samen met hen zoeken we naar een noodoplossing om kassen tijdelijk dicht te maken met bijvoorbeeld kunststof, zodat later in alle rust op professionele wijze kan worden gerepareerd door de kassenbouwer. Zo’n noodoplossing kan net het verschil maken dat een kostbare teelt gered kan worden”, vertelt Snoeker.
Een ander probleem is het veelvuldig toegepaste schermdoek. “Voeger viel glas gewoon naar beneden. Nu zie je dat soms tachtig procent van het glas na een storm in het schermdoek blijft hangen wanneer het dicht lag op het moment van de stormschade. Dit vallende glas zorgt voor een hele gevaarlijke situatie voor de hulp- en reparatiediensten. Eigenlijk is ons advies bij een naderende storm het schermdoek open te trekken (op pakket). Als er dan glasschade optreedt ligt het in ieder geval beneden. Ook belangrijk is dat je het scherm na de storm weer kan sluiten in een poging het gewas enigszins te redden.”

Brand
Een grote storm komt niet zo heel vaak voor. De laatste echte stormramp dateert van 1990. Een jaar dat Snoeker eigenlijk bewust niet opneemt in zijn schadeoverzicht. Hij laat zien hoe de schadeontwikkeling is geweest vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw tot nu. Toen was glasschade het grootste aandeel van de totale jaarschade, nu is dat brand.
De glasopstanden zijn tegenwoordig niet meer de grootste kostenpost per vierkante meter. Het zijn juist de technische voorzieningen als geautomatiseerde teeltsystemen, geavanceerde scherminstallaties en belichtingsarmaturen die de waarde per vierkante meter bepalen. Juist die materialen zijn of erg brandbaar of kunnen brand veroorzaken. Op megabedrijven adviseert de verzekeraar op zijn minst te gaan werken met compartimenten, zodat brand beperkt blijft tot één afdeling. Bovendien is het algemeen advies om met brandwerende materialen te werken. Op dit moment werkt Interpolis aan premiedifferentiatie om de toepassing van preventieve maatregelen verder te stimuleren en de premie nog eerlijker te berekenen.
Interpolis kan meestal wel achterhalen waar een brand is begonnen. Soms is dat heel duidelijk en in andere gevallen huurt de verzekeraar expertise in bij gespecialiseerde bureaus.
“Het is opvallend”, vertelt Snoeker, “hoe vaak een brand eigenlijk ontstaat door gebrek aan onderhoud van (elektrische) installaties en onachtzaamheid bij het installeren. Neem nu bijvoorbeeld een oudere kas, waar een nieuwe kas tegenaan wordt gebouwd. Dan moet de bedrading doorgetrokken worden naar de nieuwe kas. Soms houdt men dan geen rekening met rek en krimp in een kas, waardoor de bedrading gaat schuren. De rest laat zich raden.” Deze zaken krijgen soms onvoldoende aandacht bij een verbouwing, terwijl de rest juist weer goed is geregeld.

Onderkennen risico’s
Samen bedenken van goede oplossingen is eigenlijk het motto van de verzekeraar. Dat is ook van oudsher de insteekt van Interpolis, voorheen Hagelunie. “Dat betekent natuurlijk dat wij rendementen moeten draaien zoals iedere verzekeringmaatschappij. Het betekent ook dat wij steeds in gesprek treden met de sector, hun organisaties en banken. Daarbij roeren we aan wat de gevolgen en risico’s zijn van de areaalontwikkelingen. Het gaat nu zo snel dat ik me wel eens afvraag of we die nieuwe risico’s wel altijd voldoende onderkennen en of ze niet onevenredig toenemen.”
Rest de vraag welke rol de verzekeraar zichzelf toebedeelt. Snoeker: “Ja, dat is inderdaad een interessante overweging. De ondernemer blijft vrij in zijn keuze, maar we hebben natuurlijk een gezamenlijk belang. Ik denk persoonlijk altijd dat we verwantschap hebben. Iedere schade is gewoon kapitaalsvernietiging. Daar kunnen we niet omheen.”

Preventieve maatregelen
- Als u tijdelijk uit productie bent kan dit betekenen dat uw contracten met afnemers in gevaar komen. Bedenk alvast hoe u dit risico kunt voorkomen met preventieve maatregelen en als het toch gebeurt kunt afdekken;
- Naast de verplichte glasvoorraad kunt u alvast een plan bedenken om de kas met een tijdelijke reparatie te sluiten in geval de beglazingsploeg niet direct beschikbaar is;
- Preventieve maatregelen zijn veelal duurder dan de premieverlaging die het oplevert. Daarentegen weegt uw bedrijfsbelang en continuïteit veel zwaarder als u een schade kunt voorkomen;
- Niet alleen uw verzekeraar eist preventieve maatregelen, ook bij de vergunningaanvraag speelt dit een belangrijke rol;
- Verzekeren is maatwerk, toegespitst op ieder individueel bedrijf. Daarom is het zo belangrijk dat u tijdig contact legt met uw verzekeringsmaatschappij. U kunt meer informatie vinden op www.interpolis.nl/agro.

(Nieuwe Oogst, 19 januari 2008)

Aardbeien
















Jan Robben, vollegrondsaardbeienteler in Oirschot:
“Mannen houden van zuur, vrouwen van zoet”

“Dit jaar laat ik voor het eerst het hoofdras Elsanta vallen. Op mijn bedrijf heb ik inmiddels verschillende rassen staan, met ieder hun specifieke toepassing. Een banketbakker heeft bijvoorbeeld graag een wat zure aardbei tussen al dat zoets, terwijl een aardbei voor de losse consumptie zoet moet zijn. Ik heb gemerkt bij de huisverkoop dat mannen zich eerder vergrijpen aan de zuurdere rassen, terwijl vrouwen gewoon voor zoet gaan. Zo heb ik voor iedere doelgroep een andere aardbei.
Iedereen heeft kunnen lezen wat ik de laatste jaren zoal heb gedaan. Het begon met een cursus creatief denken, waaruit het concept van de ‘Strawberry tree’ is ontstaan. Met dat boompje heb ik inmiddels al veel meegemaakt, van modeshows met lingerie tot bijeenkomsten van het Europees Parlement. Het opent deuren die anders gesloten blijven. Ik kom daarmee op plaatsen waar ik mijn boodschap kan uitdragen: aardbeien moet je beleven, ervan genieten. Ik ben er van overtuigd dat onze kansen in die richting liggen.
De associatie tussen consumptie van aardbeien en het pure genieten is een ijzersterk punt van ons product dat we, wat mij betreft, niet genoeg kunnen benadrukken. Ik wil de mensen ook op nieuwe ideeën brengen. Aardbeien dips, zoet en hartig, aardbeien in chocola. Alles om aardbeien een bepaalde sfeer mee te geven van verwennerij.”

ABN/AMRO rapport Zacht Fruit

zondag, januari 06, 2008

Vleesetende planten













































EEN ZWAK VOOR VLEESETENDE PLANTEN

Kwekerij Carni Flora BV is een bijzonder bedrijf, dat op bescheiden schaal een enorm assortiment vleesetende planten voert. René van Kessel vond een gat in de markt met een product dat hem enorm fascineert. Planten die tot ieders verbeelding spreken.
Op tafel staat een klein plantje dat naar de naam Venusvliegenval luistert. René van Kessel strijkt met een pen langs de open staande blaadjes. Met een klap sluiten de blaadjes om de pen. René glimlacht: “Kinderen vinden die kleine happertjes fantastisch. Deze Dionaea klapt zijn blaadjes dicht als er een insect over heen loopt. Vleesetende planten spreken gewoon enorm tot de verbeelding. Ze groeien in de natuur op arme, moerasachtige gronden, waar ze insecten lokken die dienen als voeding.”
Van Kessel heeft niet te klagen over aandacht voor zijn kwekerij. Soms komt er een bus schoolkinderen op excursie en onlangs filmde de crew van ‘Nieuws uit de natuur’ een item voor hun programma. “We zijn nog op zoek gegaan naar insecten om het vangen in beeld te brengen”, vertelt hij zichtbaar geamuseerd.

Specialistisch
“Ik was boekhouder en had ervaring in de handel. Het zinde me niet om mijn hele leven achter de computer door te brengen en zo werd het idee voor deze kwekerij geboren. Samen met een vriend zag ik gewoon een gat in de markt,” vertelt René nuchter. Op de eerste kwekerij begonnen zij met tien soorten. Het assortiment groeide door de jaren uit naar veertig verschillende soorten, waarvan de Venusvliegenval nu de belangrijkste is.
Lopend langs de roltafels vol planten van uiteenlopende vorm en kleur wordt al snel zichtbaar hoe intensief en specialistisch dit bedrijf is. “Van sommige soorten heb ik een half tafeltje, van anderen 500.000 stuks”, vertelt René. Op het oog staat alles door elkaar, maar schijn bedriegt. Er is een opkweekafdeling, waar ook nieuwe selecties staan, een productieafdeling en een afdeling waar moerplanten koud staan. Tien mensen werken er fulltime aan zaaien, verspenen, oppotten, overpotten en verzendklaar maken. Alles is handwerk, met uitzondering van het oppotten.
Het feit dat René van sommige soorten maar een beperkte hoeveelheid planten heeft verraadt dat het hier om meer gaat dan hoge rendementen draaien. Sommige producten zijn nodig om het assortiment compleet te maken. Sommige soorten hebben weinig sierwaarde, maar zijn pas interessant als je ze van dichtbij bekijkt.

Klimaatzones
Het brede assortiment is afkomstig van verschillende klimaatzones. Zo heeft Van Kessel een ruim assortiment met bijzondere selecties Sarracenia (trompet bekerplant). Deze planten komen oorspronkelijk uit de Verenigde Staten en Canada. In dezelfde afdeling staat ook de uit het tropische regenwoud afkomstige Nepenthes (bekerplant), de uit Mexico afkomstige Pinguicula (vetblad) en uit onze eigen klimaatzone afkomstige Drosera (zonnedauw). Sommige soorten kunnen geen kou verdragen, anderen kunnen buiten en vorstperiode doorstaan. Volgens René geeft het weinig problemen om ze naast elkaar te telen. Ze groeien goed bij dezelfde temperatuur, waarbij de enige belemmering het gebrek aan licht is in de winter. De kas is daarom uitgerust met assimilatiebelichting.
Hoewel de planten gemeen hebben dat ze allen insecten lokken, doet iedere soort dat op eigen wijze. Sommigen kunnen hun blad dubbel klappen, anderen vormen kokers met lokstoffen, waaruit prooidieren niet kunnen ontsnappen. Soms is een kleverige stof op het blad voldoende als landingsbaan voor vliegend voedsel.
René toont enkele nieuwe selecties van Sarracenia. Deze planten heeft hij zelf gekruist. “Ik ben eigenlijk op zoek naar bijzondere kleuren en vormen. De rode kleur en tekening is bijvoorbeeld belangrijk”, vertelt hij. Als hij een veelbelovend exemplaar heeft gevonden laat hij deze vermeerderen via weefselkweek.
Kennis over de teelt heeft Van Kessel vooral opgedaan door zelfstudie en eigen ervaring. Vleesetende planten zijn overwegend zuurminnende gewassen die op arme, vochtige gronden groeien. Van Kessel heeft verschillende grondmengsels uitgeprobeerd die bij dat profiel passen.

Markt veroveren
Vanaf de eerste start van Carni Flora bleek de kwekerij succesvol en heeft snel een deel van de markt veroverd. Op de markt voor vleesetende planten zijn drie kwekerijen actief. Van Kessel biedt zijn planten vaak in gemengde trays aan, afhankelijk van de wensen van de klant. 80% van zijn planten gaat weg voor export naar Duitsland, Engeland en Frankrijk. Een klein deel van de afzet loopt via de veiling, de rest gaat rechtstreeks naar afnemers.
Op de vraag wie nu zijn planten koopt, denkt René even na. “Veel mensen vinden ze leuk. Er zijn natuurlijk liefhebbers, hobbyisten, maar het zijn planten die eigenlijk voor iedereen geschikt zijn. Ze vragen weinig onderhoud, alleen voldoende vocht. Ik zie ook dat veel kinderen er door zijn gefascineerd. Zeg nu zelf, ze zijn aantrekkelijk. Het zijn planten waar iets mee gebeurt. Er zit beweging in.”

Kwekerij Carni Flora
René van Kessel en Gerard van Dam startten samen Kwekerij Carni Flora in Aalsmeer op. Beiden hadden geen agrarische achtergrond, maar zagen in de teelt van vleesetende planten een gat in de markt. In 1994 begonnen ze op 2.000 m2 met de teelt van vleesetende planten. In 2000 bouwden ze een nieuwe kwekerij van 8.000 m2. Per 1 januari 2008 gaat René alleen verder door zijn compagnon uit te kopen.


Agrarische kalender ABN AMRO Bank

Winter
















WINTERWONDERLAND
Na dagen van mist en vorst breekt de zon door. Wat kan de winter mooi zijn. Ons bootje ligt in het ijs. Voetstappen van onze kat in de sneeuw.

dinsdag, december 18, 2007

Gebit
















Het gebit

De telefoon. “Ja, u spreekt met Co, de zus van Bep. U weet wel, Bep het medium.
Uw man was hier gisteren om een foto te maken van Bep.”
“Ja, dat heb ik gehoord.” (Manlief vertelde me al over het huisje in de Kooi, dat uit z’n voegen barstte van de kerstverlichting en in watten gehulde sneeuwlandschapjes.)
“Mevrouw, ik heb een vreemde vraag: Vanmorgen hebben we een gebit gevonden in de gang. Een ondergebit. En we weten niet van wie het is. Nu bel ik iedereen om te vragen...”
“Mevrouw, mijn man heeft al zijn tanden nog.”
“O. Ja dat kan.”
“Maar mevrouw, Bep is toch helderziende? Weet ze dan niet van wie dat gebit is?”
“U heeft helemaal gelijk, maar Bep heeft het een beetje druk. Ze geeft een cursus en dan kan ze zich hier niet op concentreren. Maar ik weet zeker dat ze er achter komt als ze er voor gaat zitten en een paar minuutjes dat gebit in haar handen houdt. Maar ja, ondertussen zit er dus ergens iemand zonder gebit en we willen dat het zo snel mogelijk bij de rechtmatige eigenaar terecht komt. Vandaar.”

Vaste planten
















Vaste planten teler Peter van Duin:
“Ik sta voor de kwaliteit van mijn assortiment”


Zaaien, wieden, rooien, zaaien, wieden, rooien. Dat is het levensritme van vaste plantenteler Peter van Duin en zijn vrouw Trudy. Samen hebben zij ervaring opgedaan met de teelt van vaste planten uit zaad. Een teelt die veel inspanning vraagt, maar wel resulteert in kwaliteitsproducten.
Het is zo’n loodgrijze druilerige dag, waarbij het wolkendek zo laag hangt dat de aarde er onder gebukt gaat. Zo’n dag die de uitgestrektheid van Noord-Holland nog eens benadrukt. Op het erf van Trudy en Peter van Duin is het glibberig. Achter de schuur zijn volop bouwactiviteiten. “Kijk”, zegt Peter, blauwe overall, groene kaplaarzen, “daar komt een nieuwe loods van vijfhonderd vierkante meter. Je ziet, we komen hier ruimte tekort met al die pallets vol handel.”
In de schuur werkt een groepje medewerkers gestaag aan de weegteller, waar ze iedere wortelstok in een bakje leggen om ze in vier maten op gewicht en aantal te sorteren. “Dat was in het verleden wel anders”, gaat Peter door. “Ik heb hier wat met het handje staan tellen.”

Niet spuiten
Peter van Duin teelt vaste planten uit zaad. Hij heeft zo’n vijftig tot zestig soorten staan, met als belangrijkste gewassen Akelei, Lupine, Stokroos en Echinaceae’s. Soms probeert hij wat nieuwe dingen, zoals bijvoorbeeld Verbascum of Malva, maar dat zijn slechts proefjes. Zijn zaad betrekt hij van Nederlandse zaadhuizen, maar ook steeds vaker uit het buitenland, zoals Duitsland. Trudy zoekt dat allemaal uit.
Zaad is in principe goedkoper uitgangsmateriaal dan stek. Bovendien rooit Van Duin door deze werkwijze meer planten van een vierkante meter. Toch zijn er niet veel telers die zijn voorbeeld volgen. “Je hoort ze wel eens zeggen; dat is verdraaid eenvoudig. Je zaait een beetje in het voorjaar en in het najaar oogst je mooie planten. Nu, zo is het niet. ’s Zomers zijn we altijd aan het wieden. Soms met z’n vijven, maar ook wel eens met twintig mensen tegelijk. Je begint soms met een perceel en als je dan om kijkt groeit het onkruid achter je weer even hoog.”
Als van Duin na half mei heeft gezaaid bestaat de rest van de zomer uit wieden. Onkruid spuiten is uit den boze met het kiemende zaad, dus schoffelt hij tussen de rijen met een schoffelmachine die hij heeft aangepast voor het schoffelen tussen de fijne plantjes. In de rij zelf moet het personeel onkruid uit trekken. En dat elf hectare lang. Het vraagt geduld om iedereen uit te leggen wat nu goede planten zijn en welke het onkruid. Vervolgens duurt het een week of vier tot zes voordat de planten zo groot zijn dat het onkruid minder kans krijgt, afhankelijk van het soort vaste plant. En hoewel een stokroos een behoorlijke bladpruik vormt duurt het toch verraderlijk lang voordat het zover is.

Op afroep
Vanaf september begint de oogst van de eerste vaste planten. Sommige soorten zijn dan al oogstbaar, maar anderen groeien nog door tot november. Peter oogst op afroep. Hij heeft ondervonden dat het de kwaliteit ten goede komt om een plant in de grond te laten zitten, in plaats van bewaring in een cel.
Van Duin levert veel aan exporteurs, inpakbedrijven en postorderbedrijven. Zijn planten gaan de hele wereld over, van het Oostblok tot Amerika en Japan. Hij spoelt niet. Dit gebeurt bij de afnemers. Het klantenbestand is zeer stabiel. Peter heeft dit door de jaren opgebouwd. “Mijn klanten willen een kwaliteitsplant. Die kwaliteit bereik ik door mijn manier van telen en door goed te sorteren. Zij zijn tevreden over de maatvoering. Ik krijg ook eigenlijk nooit iets terug”, aldus Van Duin. Over de prijsvorming is hij duidelijk: “Ik heb mijn eigen prijslijst en daar is doorgaans weinig discussie over.”
Zodra er een order binnen komt gaat hij het land op om te rooien. Dit gaat door tot in april, waarbij de laatste planten net van het land zijn verdwenen voordat er weer moet worden gezaaid. In de praktijk is de vaste plantenteler dus jaarrond druk aan het werk. Van lange regenperioden heeft hij niet veel last, omdat de zandgrond goed doorlatend is. “Het betekent alleen dat er iets meer zand in de kuubskisten zit, als ik in de schuur kom”, zegt hij lachend.
Vorst is wel een probleem. Dan vraagt hij zijn afnemers wat zij in die periode denken nodig te hebben, zodat hij voor de vorst een grote rooiactie kan inplannen. Dit om de klanten in de vorstperiode ook van dienst te zijn. “In mei gaan we altijd een weekje weg”, zegt Trudy, “maar dan moeten we onze klanten daarvan wel op de hoogte stellen.”
“Eigenlijk is zaaien, wieden, rooien en snel leveren alles wat ik doe. Maar dat doe ik wel heel graag”, zegt Peter voldaan.

Vanaf de grond opgebouwd
Peter en Trudy van Duin hebben een vaste plantenkwekerij in Schagerbrug. Zij hebben een perceel van één hectare in eigendom en huren er tien hectare bij. Peter teelt twee tot drie jaar op een gehuurd perceel, waarna een ander het weer huurt voor bijvoorbeeld tulpen. De zandgrond leent zich uitstekend voor de teelt van vaste planten.
Voordat Peter ondernemer werd was hij in dienst van de gemeente. Dertien jaar geleden besloot hij voor zichzelf te beginnen en bouwde zijn bedrijf vanaf de grond op.

(Vakwerk, november 2007)

Frambozen
















Onderzoek naar gezondheidsaspecten zacht fruit moet nog meer aandacht krijgen
Zacht fruit is gezond, weten we. Maar is een blauwe bes nu gezonder dan een framboos? Die vraag is nog niet echt beantwoord, want iedere fruitsoort heeft eigen specifieke inhoudstoffen. De praktijk hunkert naar meer onderzoek.

Op het moment dat de Wageningse onderzoeker Jules Beekwilder in 2006 zijn onderzoek naar gezonde inhoudsstoffen van framboos publiceerde schoot in Nederland de consumptie van dit product omhoog. Het was een tijdelijke piek, waaruit je kan concluderen dat de Nederlandse consument gevoelig is voor dergelijke berichtgeving. Inmiddels lijkt dit feit alweer vergeten en is eigenlijk een constante stroom gezonde informatie nodig om de consumptie te doen stijgen.

Antioxidanten
Beekwilders onderzoek was eigenlijk een uitvloeisel van een veel groter, vanuit Denemarken gefinancierd onderzoek naar frambozen. Wageningen UR gebruikt een snelle methode om de antioxidanten capaciteit(zie kader) vast te stellen. Beekwilder en zijn collega’s stelden vast dat framboos veel antioxidanten bevat, beschermende stoffen die agressieve moleculen in het lichaam kunnen neutraliseren en voorkomen dat cellen beschadigen. Kort gezegd: stoffen die veroudering kunnen tegengaan en mogelijk een beschermende factor zijn tegen bepaalde kanker-soorten.
Bij framboos zijn de ellagitannines voor de helft verantwoordelijk voor de antioxidantwerking. Deze stoffen zijn alleen in kleine hoeveelheden in aardbeien te vinden, maar niet in ander fruit. De onderzoekers denken dat deze stoffen overeen komen met de werkzame stoffen in bepaalde Chineese geneeskrachtige kruiden. En dat is dus de reden waarom framboos ineens in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan.
Met deze vinding is nog niet automatisch gezegd dat het lichaam daadwerkelijk baat heeft bij de inname van grote hoeveelheden frambozen. Studies wijzen wel in die richting.
Inmiddels is wel aangetoond dat bepaalde antioxidanten een positief effect hebben, bijvoorbeeld op het voorkomen van darmkanker en prostaatkanker(lycopeen). Met bijvoorbeeld borstkanker ligt dat moeilijker. Beekwilder: “Het lijkt er op dat de werking van sommige antioxidanten direct na consumptie het grootst is. Als deze stoffen al wat verder in het darmkanaal komen en ook bacteriën en enzymen hun werk gaan doen, neemt hun werking af. Althans, dat is onze theorie.” En daarmee is eigenlijk in grote lijnen gezegd welk gezondheidsonderzoek in Nederland specifiek bij zacht fruit plaatsvindt.

Agenda
Hoe anders ligt dit in de Noord-Europese landen, Engeland, Spanje en de Verenigde Staten. Daar staat het onderzoek naar gezonde inhoudsstoffen hoog op de agenda. Het Schotse SCRI heeft bijvoorbeeld een uitgebreid zacht fruitprogramma, waarbij een poging wordt gedaan de opname van antioxidanten in het lichaam in beeld te brengen. Dat zegt al iets meer dan uitsluitend aantonen dat deze stoffen in zacht fruit aanwezig zijn. Waarom de Schotten juist dit onderzoek zijn gestart? Welnu, omdat de eetgewoontes in Schotland zo slecht zijn dat de nationale overheid investeert in dit onderzoek. In Engeland loopt momenteel een campagne om consumenten aan te zetten maar liefst vijf porties fruit per dag te eten.
Ook in Scandinavië staat onderzoek naar zacht fruit hoog op de agenda. De noorderlingen zijn van nature al besseneters en zien dit als belangrijke bron van vitamines en andere gezonde stoffen. In dit onderzoek staat ook de herkomst van bessen centraal, omdat is gebleken dat de groeiomstandigheden invloed uitoefenen op de inhoudstoffen. Hoe ruiger het klimaat, des te meer anti-oxidanten. Denk hierbij aan arctische groeiomstandigheden.
Ook in de Verenigde Staten is al veel onderzoek gedaan naar antioxidanten, vitamines en voedingsvezels. Daar werken verschillende universiteiten aan verbreding en verdieping van kennis over voeding en gezondheid. “Health’ is meer dan ‘hot’, en dat is niet verwonderlijk in een land waar junkfood als het ware is uitgevonden en zoveel mensen lijden aan obesitas. Een trend waar wij inmiddels in Nederland ook over mee kunnen praten.
Beekwilder is van mening dat onze overheid en bedrijfleven meer prioriteit moet geven aan fundamenteel onderzoek naar gezondheidsaspecten van zacht fruit. Daar ligt volgens hem een taak voor de sector, maar ook voor voedingsmiddelengiganten als Unilever, Numico en Hero.
Op Europees niveau wisselen onderzoekers sinds twee jaar informatie uit binnen het onderzoeksplatform Euroberry. Deze groep werkt aan de oprichting van één Europese organisatie (European Berry Association, ofwel EBA), die zich richt op gezamenlijk onderzoek naar alle aspecten van de teelt van zacht fruit en met name het gezondheidsaspect. Concrete invulling en financiering is er echter nog niet.

Verschillen
Zwarte bes, blauwe bes en framboos scoren erg hoog op de ORAC-schaal(zie kader) en bevatten dus veel antioxidanten. Deze bessen kwamen de afgelopen jaren regelmatig in het nieuws. Dit positieve nieuws heeft echter meer vragen opgeroepen dan antwoorden gegeven. Iedere zacht fruit soort heeft namelijk zijn eigen range aan antioxidanten. Zo zijn er vruchten die met name een hoog gehalte Vitamine C hebben en anderen die weer veel antocyaan bevatten. Bij framboos is bijvoorbeeld het gehalte ellagitannines belangrijk. En dan zijn er andere belangrijke stoffen, zoals foliumzuur, ijzer of zink, die in hoge mate aanwezig zijn in bepaalde fruitsoorten.
Teeltomstandigheden, rassenkeuze en bewaring zijn ook van invloed op het gehalte aan antioxidanten. Bij framboos is dit al aangetoond. Bovendien is er nog geen standaard laboratorium protocol voor het bepalen van antioxidanten, zodat er wereldwijd verschillende uitkomsten circuleren. Dit werkt in de hand dat iedere top tien van gezonde vruchten weer een andere koploper heeft. Soms scoort de blauwe bes torenhoog, dan weer de braam.
Deze onderlinge verschillen zijn echter niet zo heel belangrijk voor de consument. Die moet er gewoon op worden gewezen dat de productgroep zacht fruit zeer hoog scoort en dus een belangrijk bestanddeel is van een gezond dieet.

Opname
Op dit moment vindt in Spanje onderzoek plaats naar de opname van antioxidanten in het menselijk lichaam, aan de hand van bloed- en urinemonsters. Schotse wetenschappers onderzoeken wat er met de stoffen gebeurt als het verteringsproces plaats vindt, dus wat er in de maag en het darmkanaal gebeurt.
In Nederland gaat het onderzoek naar de betekenis van gezonde inhoudstoffen ook door, zij het niet specifiek voor fruit. Met name de Universiteiten van Wageningen, Groningen en Maastricht houden zich met dit onderwerp bezig. In Groningen werken onderzoekers aan markers, die ze aan een antioxidant kunnen verbinden. Ze kunnen daarmee aantonen of zo’n stof op de juiste plaats in het lichaam komt. In het geval van lycopeen moet dit bijvoorbeeld de prostaat zijn. De laatste stap is te doorgronden wat de reactie van het menselijk lichaam is. Met name het laatste onderdeel zal de komende decennia veel aandacht vragen.

Antioxidanten capaciteit
De ORAC-methode (Oxygen Radical Antioxidant Capacity) werd ontwikkeld door wetenschappers in de Verenigde Staten en kreeg goedkeuring van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw. Stukjes groenten en fruit worden in een reageerbuis blootgesteld aan giftig zuurstof (vrije radicalen). De literatuur vermeldt vervolgens verschillende manieren om de activiteit van de antioxidanten in het fruit te meten. In alle gevallen gaat het om een totaalbeeld, waarbij verschillende stoffen verantwoordelijk kunnen zijn voor het neutraliseren van de vrije radicalen.
De WUR hanteert een andere methode om de antioxidanten capaciteit vast te stellen. Dit is een snelle methode, die na publicatie internationaal ook de aandacht heeft getrokken. Momenteel is nog niet bekend welke methode de beste is.


ABN AMRO Bank, rapport zacht fruit

Lijnen
















Lijnen met Ton en Shakira

Het soepele buikje van Shakira maakt me waanzinnig jaloers. Zo’n goddelijk exemplaar zie je maar zelden. Als ik mijn blik in de spiegel naar beneden laat glijden zie ik de verwoestingen die drie zwangerschappen, te veel lekkers en te weinig bewegen hebben aangericht. Okay, onze mooie Colombiaanse is erg goed bedeeld door moeder natuur en ook zestien jaar jonger, maar dat is nog geen excuus om te berusten in mijn lot. Tijd om te lijnen, voor de twintigste keer.
Mijn eigenzinnigheid verbiedt me om in zee te gaan met een zekere Noord-Hollandse dame. Bovendien val ik persoonlijk meer op heren. Mijn begeleider is de nog onbekende Ton uit Uden, waarvan ik niet weet hoe zijn buikje er uit ziet, noch hoe oud hij is. Ton heeft zijn sporen verdiend, want hij bracht mijn zus er toe om met twintig kilo minder door het leven te gaan. Zo’n prestatie schept verwachtingen.
Aangezien Internet nu al zo’n negen jaar mijn rechterhand is besluit ik mij via airport te laten adviseren. Zo rollen iedere week programma’s, recepten en persoonlijke aanmoedigingen mijn mailbox binnen.
Zo’n man op afstand. Ik ben benieuwd of hij in staat is om er zestien kilo af te praten. Ik denk dat ik ter motivatie af en toe ook een DVD van Shakira op zet om stiekem mee te swingen.

zaterdag, oktober 27, 2007

La Place
















Paul Bringmann en Guido ten Hengel van La Place:
“We serveren alleen wat we zelf lekker vinden”

De snelle groei van La Place dwingt zonder enige twijfel respect af. De leiding van de restaurantketen luistert naar en denkt voor haar klanten. Dat resulteert in smaakvolle recepten, gemaakt van goede, liefst biologische bestanddelen. In de filosofie achter deze succesformule is ruimte gereserveerd voor de ondernemer, die zorg besteedt aan pure grondstoffen.

“Het is me werkelijk een raadsel waarom zo weinig tuinders de weg naar ons weten te vinden. In onze filosofie willen we juist de afstand tussen producent en consument verkleinen. Pure producten met smaak. Daar gaat het om. Die willen we. En dat bereik je door de keten kort te houden. Dus kom maar op. Wij willen zaken met u doen.”
Even valt er een stilte. Paul Bringmann, directeur van Les Halles en initiator van het La Place concept, kijkt zijn inkoper Guido ten Hengel aan. Ten Hengel knikt: “We hebben directe afspraken, bijvoorbeeld met kaasboeren en viskwekers, maar de AGF blijft achter. Waarom? We weten het niet.”
Het is niet de eerste keer dat Bringmann zich richt tot de tuinbouwsector. Met het stijgen van de populariteit van La Place heeft de directeur door de tijd regelmatig laten merken dat hij de contacten met de sector aan wil halen. Hij wil verse producten voor de restaurantketen, liefst met een regionaal tintje. “Lokaal wordt een trend”, voorspelt Bringman in navolging van Amerika en het Verenigd Koninkrijk.

Fenomeen
Paul Bringmann werd in 1987 binnen gehaald bij V&D om de restaurants naar een hoger plan te tillen. Vroom & Dreesman had tot die tijd traditionele restaurants, met een kopje koffie, saucijzenbroodjes en niet te vergeten: kroketten en hamburgers. Horeca was, laat maar zeggen, een goed lopende bijzaak.
Zijn geesteskind La Place -de naam refereert aan de toenmalige trend naar de Franse keuken- was vanaf het begin een doorslaand succes. De ontwikkelingen stonden echter niet stil. In 2001 gaf Bringmann de La Place- formule een nieuwe wending met de invoering van Marché du Monde, een restaurant als een versmarkt, met invloeden van de Thaise, Toscaanse en Mediterane keuken. Met deze formule overtrof hij zijn eerdere succes.
La Place heeft in totaal 200 vestigingen, binnen en buiten de muren van de V&D warenhuizen. De tweede restaurantketen van Nederland heeft in totaal 4.500 medewerkers. Per jaar brengen 35 miljoen mensen een bezoek aan La Place. En naast deze vaste locaties verzorgt een aparte tak van La Place de catering van evenementen.
Na twintig jaar noeste arbeid is La Place een fenomeen. Bovendien heeft Bringmann aangetoond dat hij een trendsetter is op de Nederlandse markt, hoewel hij dat laatste nuanceert. “Trendsetter? Welnee. We kijken gewoon goed om ons heen wat er in de wereld gebeurt. We proberen en beetje voorop te lopen, maar niet al te veel”, glimlacht hij.

Verschuiving
Bringmann schetst de veranderingen in de wereld om ons heen: “De trend naar convenience zet verder door. Gemaksvoeding krijgt steeds meer voet aan de grond. Huishoudscholen bestaan niet meer. Vrouwen nemen in toenemende mate deel aan het arbeidsproces. Kortom, de kunst van het koken neemt af en er is behoefte aan gemakkelijk te bereiden maaltijden.”
Supermarkten zijn al jaren geleden ingesprongen op deze verschuiving, maar ook zij moeten een deel van hun markt prijs geven aan restaurants, die hun uitgebreide meergangen menu’s moeten laten vervangen door eerlijke, gezonde, liefst biologische maaltijden. Daarnaast ontstaan er steeds meer verkooppunten, neem bijvoorbeeld benzinestations, waar je een kant en klaar broodje of snack kan meenemen. In dit veld speelt La Place een belangrijke rol.
“Ik zie nu al jaren dat de consumptie van vlees afneemt, in het voordeel van groenten en fruit. De vraag naar vegetarische maaltijden neemt toe. Wij beantwoorden die vraag door bijvoorbeeld vleesproducten weg te laten in salades. Ik voorspel je: gegrilde groenten worden een trend. Aubergines, paprika’s, noem maar op. Er is absoluut een neiging naar de consumptie van gezond voedsel. Wij gaan dus het liefst uit van biologisch of wat daar dicht tegen aan ligt.”

Korte lijnen
Van alle grondstoffen die de restaurantketen gebruikt groeit het aandeel AGF producten het snelst en heeft inmiddels een aandeel van 50%. Guido ten Hengel is inkoper van deze producten. Hij verdeelt zijn tijd tussen de groothandelsmarkt in Amsterdam, het hoofdkantoor in Utrecht en ‘l Ecole, de kookschool van La Place.
“We werken uitsluitend met verse producten. Eén uur voor sluitingstijd geven de vestigingen van La Place hun bestelling door en de volgende morgen tussen zeven en negen uur beleveren we ze. Onze grossier is Vroegop, maar steeds vaker doen we rechtstreeks zaken met producenten. Praktische, korte lijnen.”
Bringmann is groot voorstander van die rechtstreekse contacten. “Nu staat de wereldkeuken nog centraal, maar ik zie een duidelijke ontwikkeling naar de eigen Hollandse keuken, met regionale invloeden. Een restaurant in Zuid-Limburg kan zich specialiseren in de streekgerechten van het zuiden, terwijl restaurants in andere delen van het land kunnen inspelen op andere streekproducten. Zo hebben we dus een afspraak met een forellenkweker in het zuiden, die alleen daar een aantal restaurants belevert. Een boerin in het Utrechtse voorziet in haar directe omgeving drie filialen van boerenkaas. Zo zou dit ook kunnen gelden voor AGF-producten.”
Zo’n werkwijze heeft logistieke voordelen, omdat producten niet kris-kras door Nederland worden vervoerd. Nadeel is het aantal gesprekspartners dat door deze werkwijze alleen maar toeneemt. De leiding van La Place ziet ruimte voor beiden. Vroegop met haar logistieke systeem voor belevering van basic producten en telers- of telersverenigingen voor de specialties.
Bringmann windt er geen doekjes om. “Waarom we zo’n waarde hechten aan directe contacten met producenten? Omdat we geloven in bedrijven waar de eigenaar nog zelf aan het roer staat. We zijn bereid om te investeren in langdurige samenwerking.”

Smaakschool
La Place beschikt over ruim 2.500 recepten, waaruit ieder verkooppunt een keuze maakt. Van belegde broodjes voor La Place Panini tot gebak voor het Grand Café en wok-recepten voor Marché du Monde. Iedere vrijdag zijn Bringmann en Ten Hengel te vinden op ‘l ecole. Ten Hengel brengt daar de oogst van zijn inkopen mee om recepten uit te testen. Zo bakken ze daar appeltaarten met vier verschillende soorten appels en kiezen dan gezamenlijk voor het beste en lekkerste resultaat. En zo geldt dit voor alle versproducten.
Bringmann: “Natuurlijk speelt inkoopprijs een rol, maar de goede smaak van producten is absoluut doorslaggevend. Als je namelijk goed smakende ingrediënten gebruikt, dan kan je de receptuur eenvoudig houden. Daar streven we naar. Bij ons geen conserveringsmiddelen, smaakversterkers, bouillonpoeders. Nee, eerlijke, verse producten als basis voor een goede, gezonde maaltijd.
We hebben zojuist weer gekozen voor Goudreignetten voor de appeltaart, maar op een ander moment is het weer Santana. Het is voor ons niet erg dat kwaliteit van producten seizoensgebonden is. Afwisseling van receptuur is voor restaurants juist interessant.”
Ten Hengel: “Kijk, we kunnen jaarrond asperges kopen, als we dat willen. Toch doen we dat niet. Asperges hebben we in het aspergeseizoen. Nu is het tijd voor pompoensoep.”
Smaak, dat is waar beide heren steeds op terug komen. En dat komt soms tot uitdrukking in een bijzondere samenwerking. Zo graast er in het zuiden van het land een kudde waterbuffels, die melk produceert voor mozzarella. Deze specifieke Italiaanse kaas komt uitsluitend tot zijn recht als er echte buffelmelk in is verwerkt. La Place heeft een langdurig contract afgesloten met de ondernemer, zodat deze ook zeker is van afname.
En zo zou het bijvoorbeeld ook kunnen gelden voor tomaten en paprika’s. Bringmann: “We kunnen de specialties gebruiken, maar we hebben net zo goed het bulkproduct nodig als grondstof voor salades en soepen.”
Over de keuze van producten zijn beide heren duidelijk. “Wij geven voorkeur aan smaak en versheid. Het uiterlijk van producten is niet altijd belangrijk, omdat we ze verwerken in gerechten. Over het algemeen vinden we dat de Nederlandse tuinbouw veel te veel gericht is op het supermarktkanaal, waar presentatie en lange houdbaarheid van groot belang is. Bedenk wel dat buitenshuis een hapje eten in de toekomst alleen maar toeneemt. Luister dus vooral naar onze sector”, onderstreept Bringmann nogmaals. Ten Hengel voegt daar een voorbeeld aan toe: “Vorig jaar lanceerde de tuinbouwsector meer dan twintig nieuwe tomatenrassen. Niet een keer is aan ons gevraagd waar wij behoefte aan hebben.”
Volgens Bringmann ontstaat er door directe contacten met producenten een win-win situatie. Wie bij La Place eet krijgt het gevoel dat de ingrediënten niet zomaar ergens vandaan komen, maar met zorg zijn geteeld. De teler zal daarentegen meer inzicht krijgen in consumentenwensen.

Nieuwe Oogst, 27 oktober 2007

dinsdag, oktober 16, 2007

Risicomanagement
















Professor Ruud Huirne:
“Belang van goed risicomanagement neemt toe”

Ruud Huirne pleit er voor dat een goed ondernemer met vaste regelmaat zijn risico’s analyseert en beheert. Hij moet zich niet alleen richten op de afzonderlijke bedrijfsrisico’s, maar ook naar buiten treden en in collectief verband een visie ontwikkelen.

“Risicomanagment is een taak die je er niet zo maar even bij doet als ondernemer”, vindt Ruud Huirne. “Goed management betekent in mijn ogen dat je als ondernemer met een vaste regelmaat terugkomt op de risico’s die je bedrijf loopt.”
Huirne wijst op de schaalvergroting, die hij onvermijdelijk vindt. “Die is nu eenmaal nodig om een efficiënte organisatie op poten te zetten en de kostprijs per eenheid product omlaag te brengen.” Gezond, in zijn ogen. Schaalvergroting brengt nieuwe aandachtspunten naar voren. “Ik merk vaak dat ondernemers het overzicht kwijt raken en vervolgens aan zichzelf gaan twijfelen”, meent Huirne. Dat laatste is volgens hem niet nodig.

Complex geheel
“In de agrarische sector, dus ook de glastuinbouw, nemen risico’s toe. Per sector kunnen de afzetrisico’s nogal wisselen, en daarnaast we hebben in deze tijd te maken met de overheid die zich terugtrekt, terwijl de wet- en regelgeving wordt aangescherpt. Het veranderende klimaat brengt vaker extreme weersomstandigheden met zich mee, die de oogst beïnvloeden. Ook de bedrijven zelf worden complexer en gaan door met specialisatie.” Huirne beschrijft een complex van factoren die een flexibele houding van de ondernemer vereisen.
“Dit is geen enkel probleem als de ondernemer de risico’s maar onderkent en er mee om kan gaan”, vindt hij. “Zet als ondernemer voor jezelf op een rij waar jouw risico’s liggen. Doe dit heel bewust en kies vervolgens welke risico’s je zelf kunt dragen, welke je onderbrengt bij anderen en wat je afdekt via verzekeringen. Zorg voor een strategisch plan, waarbij je alle punten afvinkt. Ik ben er van overtuigd dat goed risicomanagement er voor zorgt dat een bank vervolgens eerder bereid is om het bedrijf of een investering te financieren.”
Huirne noemt het voorbeeld van een grote agrariër met meerdere grote bedrijven, die zijn risico spreidt door naast melkvee ook te investeren in varkens en pluimvee. Dit voorbeeld kan je direct vertalen naar de glastuinbouw, door te kiezen voor meerdere producten of verschillende locaties. In de praktijk gebeurt dit al. Huirne: “Veel ondernemers zijn hier al dan niet bewust mee bezig, maar ik vind dat zij de plicht hebben om zich in deze materie te verdiepen.”

Coalities
De toenemende schaalgrootte brengt ook een ander probleem aan het licht. Banken gaan een steeds groter risico lopen als zij grotere bedrijven moeten financieren. Banken zoeken al naar coalities, waarbij ook zij het risico spreiden door elk een deel van zo’n groot bedrijf te financieren. Eigenlijk is dit een zelfde werkwijze die verzekeraars hanteren. Volgens Huirne is het belangrijk dat banken wat ‘creatiever’ gaan financieren, dus wat minder platgetreden paden moeten volgen en nieuwe producten op de markt brengen. Dit kan bijvoorbeeld door naast het verstrekken van een (standaard) lening ook met aandelen te werken, maar er zijn meer constructies denkbaar. Tuinbouwondernemers kunnen daarover meedenken.

Collectief belang
Opvallend is Huirne’s mening over een collectieve aanpak van problemen. De schaalvergroting in de glastuinbouw en de concurrentie op gebied van afzet heeft telers de laatste jaren eerder uit elkaar gedreven dan naar gezamenlijke oplossingen doen zoeken. Risicomanagement gaat echter verder dan denken over oplossingen op bedrijfsniveau.
Huirne: “Een goed ondernemer kijkt verder dan alleen zijn eigen bedrijf en neemt zelf het initiatief om risico’s uit te sluiten. Neem het voorbeeld risico van wateroverlast. Dit is een collectief risico. Ligt je bedrijf in een probleemgebied, dan kan je overwegen om te verkassen, maar je kan dit ook eens aankaarten bij het Waterschap. En lukt dat niet alleen, dan moet je deze problemen gezamenlijk aanpakken, bijvoorbeeld om te onderzoeken wat het Waterschap kan doen om dergelijke risico’s te verkleinen.
Ondernemers zouden eigenlijk het risicomanagement binnen hun organisaties moeten inventariseren en hoog op de agenda moeten zetten.” Dit gebeurt doorgaans wel probleem gericht, maar nog te weinig structureel en preventief. Een actieve houding van ondernemers daarin is volgens Huirne een absoluut voorwaarde voor goed ondernemerschap.

Prof.dr.ir. Ruud B.M. Huirne is hoogleraar agrarische bedrijfseconomie aan Wageningen Universiteit, directeur van de Animal Sciences Group(WUR) en van IRMA (Institute for Risk Management in Agriculture).

maandag, september 24, 2007

Egel
















Zaterdagmiddag in mijn tuin. Terwijl ik mijn vakbladen doorneem zie ik in mijn ooghoek iets bewegen. Dan trippelt zo maar midden op de dag een egel langs mijn stoelpoten. Tot mijn verrassing is ze niet alleen. Er trippelt een klein egeltje achter haar aan. In paniek kan het kleintje de drempel naar het vlonder niet opklimmen. Ik help een handje en zet deze kleine vriend weer bij zijn moeder. Ze verdwijnen onder de vijgenboom.

zondag, september 16, 2007

Varen
















WRAAK OP HET GALGEWATER

Het leven is verrukkelijk, bedenk ik, als we met ons gezin op zaterdagmiddag in ons ijzeren vletje naar de markt varen. Wat is er mooier dan het zonnetje dat ons half september een warme nazomerdag schenkt? Goedgemutst struinen we tegen het sluiten van de markt langs de kraampjes, waar we ananas, meloenen en aardbeien scoren. Op het terras genieten we samen met de kinderen nog even na om vervolgens weer huiswaarts te varen. Vrolijk pruttelend varen we onder de Langebrug richting Steenschuur, de boot volgeladen met onze oogst van deze middag.
Maar onze goede stemming krijgt een gevoelige knauw. In de verte doemt een grote vaalgroene Miami Vice speedboot op, vermoedelijk even oud als de gelijknamige televisieserie, met twee brallerige gasten aan boord. Bierblikjes in hun hand. Zij spotten onze oudste dochter, lang, blond, alles d’r op en d’r an, die zich zojuist languit heeft neergevlijd op het smalle bankje. Kennelijk beginnen de hormonen te gieren als Sonny en Tubbs langs ons varen. En heel geniepig geven ze plotseling gas, zodat een grote golf over de rand van ons bootje gutst. Smakelijk lachend varen ze verder, richting Nieuwe Rijn.
Gewoonlijk kan ik daar wel om lachen. Vandaag niet. Mijn dochter en ik zijn drijfnat, tot onder onze oksels. En heel vervelend, de bootschappen drijven door de boot. Ik begin van binnen te koken. Niet omdat ik geen grapje kan waarderen, maar om de manier waarop deze heren zich razendsnel uit de voeten maken. Goed inschattend dat ons bootje veel te traag is voor revanche.
Kleddernat en koud willen we eigenlijk het liefst snel naar huis, maar diep in mij groeit een grote behoefte aan wraak. Ik vraag mijn echtgenoot om een rondje te varen, want die mannen met snelle boten nemen meestal de route langs de terrassen van de Nieuwe Rijn. Wij varen dus weer richting stad.
We krijgen gelijk. In de verte komt het groene strijkijzer onder de Bostelbrug door varen, recht op ons af. De twee zonnebrillen zijn ons al lang vergeten en lurken aan hun bierblikjes. Plotseling gooit mijn echtgenoot ons vletje dwars voor het polyester gevaarte. Sonny moet volop in de remmen om een botsing te voorkomen. Manlief dreigt de boot even te rammen, maar zwenkt met een sierlijke zwaai ons vletje opzij. Zwaar beledigd beginnen onze kwelgeesten te schelden op ons ‘onverantwoordelijk’ gedrag. En inmiddels ben ik ook zover opgewarmd dat ik ze flink de les lees. Ik hoor mezelf lelijke dingen zeggen, terwijl het publiek vanaf de kade geamuseerd toekijkt.
We draaien om en varen weg. De groene mannen zijn zo pissig dat ze in de achtervolging gaan. De punt van hun boot rijst op uit het water om ons te imponeren. Wij varen rustig door en keren hen de rug toe. Dan beseffen ze kennelijk toch dat ijzer sterker is dan polyester. Met de staart tussen de benen druipen ze af.
Ik geniet van het zonnetje als we naar huis varen. Ziezo, mijn woede is gekoeld.