donderdag, mei 14, 2009

Libelle Zomerweek


























































Libelle Zomerweek, o wat erg!
Als ik ergens niet van hou dan zijn het mensenmassa’s. In het bijzonder vrouwenmassa’s. Mannenmassa’s ben ik gewend. Vind ik persoonlijk gezellig en relaxed. Mannen praten, doen zaken, drinken een biertje en vertellen een schuine grap. Vrouwen –hoe moet ik dat zeggen- gaan zo super op hun doel af. Of hysterisch uitgelaten, of zo vreselijk serieus.
Gisteren bezocht ik de Libelle Zomerweek om zo eens rond te kijken hoe onze Nederlandse telers hun verse producten promoten. En dat doen ze massaal, kan ik u zeggen. Tuinders doen hun gloeiende best om consumenten iets bij te brengen over hun teeltprestaties. Laten keer op keer zien hoe vers, hoe lekker en vooral hoe bijzonder groenten en fruit eigenlijk zijn.
Bijzonder? Nee, gewoon goed. Maar de dames van de Libelle Zomerweek zien helaas die kwaliteit niet altijd op de plaatsen waar zij hamsteren. Dus proberen tuinders die lange keten in te korten en zoeken het directe contact. Reuze dankbaar, hoorde ik gisteren. De dames gingen met tassen vol groenten en fruit huiswaarts.
Zelf hielp ik een tijd Jan Robben, die er zijn aardbeien aan de vrouw bracht. Gelukkig stond ik aan de goede kant van de toonbank, alwaar ik de zwermen Libelles langs zag zweven en me even kon onttrekken aan mijn massafobie. Uitpuilende bigshoppers bepaalden mijn uitzicht.
Is dit de definitie van de consument?, vroeg ik me af. Mij viel het op dat deze afspiegeling van de gemiddelde huisvrouw, over het algemeen jaren ouder dan Libelle ons wil doen geloven, eigenlijk alles te duur vindt. De aanpalende ‘kleinste soepfabriek’, verkocht geen pot. Wel wilden de dames proeven, proeven en proeven. Als het maar gratis was of minstens een koopje.
Dat het agf-paviljoen goede zaken deed, verbaasde me niet. Tasty Tom evenmin. Een prachtige, met tomaten bedrukte bigshopper met een trosje verse tomaten kostte er 1,99. Geen geld dus. Mijn mond zakte open, toen ik mijn weg banend naar de uitgang ook zo’n tas kocht. Ja, ja, ik zwichtte voor die mooie presentatie.
Ik ben echt blij dat dit soort evenementen niet de hoofdbron vormen voor mijn redactionele stukjes. De vakbeurzen liggen me een stuk beter.

Roos












































Rozenteler Marcel Boonekamp:
‘Het is nog moeilijk om een goede balans te vinden’

In de rozenteelt zijn er al enkele bedrijven die met semi gesloten teeltsystemen werken. Toch is klimaat regelen met nieuwe apparatuur voor iedere teler een kwestie van veel oude vaardigheden overboord gooien om helemaal opnieuw te beginnen. Marcel Boonekamp uit Bleiswijk vertelt over zijn eerste schreden op het pad van de geconditioneerde teelt.

Eén blik in de technische ruimte, de bedrijfsruimte en de kas van de familie Boonekamp in Bleiswijk maakt al duidelijk dat hier een bedrijf is neergezet dat klaar is voor de toekomst. Alle apparatuur voor de geconditioneerde teelt is aanwezig, zodat de rozentelers kunnen verwarmen en koelen met minimale ventilatie. Daardoor is het mogelijk de CO2 grotendeels binnen te houden op momenten dat collega telers al moeten gaan luchten. Ook kan het krijten tot een minimum worden beperkt, zodat het gewas het buitenlicht optimaal kan benutten. Pieken in de zomer opvangen, wil Marcel Boonekamp vooral. En dat is een vooruitstrevende gedachte in een tijd waarin het moeilijk is om een nieuw project van de grond te krijgen. Daar heb je een behoorlijke dosis lef voor nodig.

Kwaliteit en continuïteit
De familie Boonekamp, ouders Leo en Petra met hun zonen Marcel, Erik en René hadden al een bedrijf van 23.000 m2 in Bleiswijk. Tot 2003 teelden ze er tomaten, waarna ze over schakelden op grootbloemige rozen, ‘Grand Prix’. Afgelopen najaar bouwden ze een nieuw bedrijf van 40.000 m2 aan de Wilgenlei, waar nu ‘Grand Amore’ is gezet. Voor het bedrijf staat een ruime bedrijfsruimte waar de rozen van twee bedrijven worden gesorteerd en verpakt.
Marcel is glashelder over de keuze van de semi gesloten kas: “De voornaamste redenen zijn dat we ook in de zomer kwaliteit willen garanderen en continuïteit willen bieden. Natuurlijk streven we naar een meerproductie, maar daarover zijn we nog voorzichtig. We hebben vertrouwen in het semi gesloten kastype als de weg voor de toekomst.” Toch is hij ook voorzichtig over de genomen besluiten, omdat de ontwikkelingen op dit moment wel erg snel gaan en nieuwe apparatuur al snel is verouderd.

Goed dimensioneren
De rozentelers kozen Lek/Habo uit voor de uitvoering van het totale verwarming- en koelingssysteem, inclusief het watergeef- en bemestingssysteem. “We hebben verschillende bedrijven berekeningen laten maken, maar we hadden het meest vertrouwen in hun voorstel”, licht Boonekamp toe. In totaal werden voor de aquiver vier bronparen geslagen met een capaciteit van 240 m3 /uur totaal. Onder de kas zijn twee Klimrek buffers aangelegd met een gezamenlijke inhoud van 4.000 m3. Aad de Koning van Lek/habo: “Deze zijn voor de dagvoorraad van laagwaardige warmte en koude. Het is goedkoper deze buffers aan te leggen dan extra te boren. Goed dimensioneren van de installatie werkt kosten effectief. ”
Twee koeltorens koelen het retourwater van de warmtewisselaars in de winter terug, zodat de aquiver voldoende koel water bevat voor de zomer.
Het bedrijf heeft een WKK-installatie (Cummins) van 2 MW en een belichtinginstallatie met een vermogen van 190 µmol/m2 (±15.000 lux) in drie trappen schakelbaar.

Grote overschakeling
Het is een hele overschakeling van een conventioneel verwarmingssysteem naar een kas met warmtewisselaars voor koeling en verwarming. “Je moet gevoel krijgen bij dit systeem”, vindt Marcel, die toegeeft dat hij in het begin van de teelt nog een tijd alleen met buisverwarming heeft gewerkt en hinkte op twee gedachten. “Het gevoel is nu positief en ik durf nu met de warmtewisselaars verder te gaan.” Via het buisverwarmingsnet geeft hij nog een minimum buis onder in het gewas.
“Geconditioneerd telen is een genomen besluit”, vindt De Koning, die samen met zijn team van energiedeskundigen telers begeleidt bij het overschakelen. Hij vindt dat telers hun ‘oude’ gewoontes van klimaat regelen helemaal moeten loslaten en opnieuw moeten leren redeneren met hun nieuwe systeem. “Door ‘sleutelen’ ga je fouten maken. Uiteindelijk raak je steeds verder uit de pas.” Die controverse maakt hij regelmatig mee in zijn dagelijkse praktijk.

Boven of beneden
Veel discussie leverde de plaatsing van de warmtewisselaars op. Boven of beneden, was de vraag. Bij collega Gert Jan van der Weijden hangen ze boven en bij Porta Nova juist onder. Boonekamp koos voor plaatsing boven het gewas. Er hangt nu één warmtewisselaar per 80 m2, dus in totaal 500 kasten.
Onder het gewas kan het buizennet worden ingezet voor extra verwarming. De cultivar die Boonekamp teelt heeft knoppen die nogal gevoelig zijn voor hoge temperaturen, waardoor koele lucht op knophoogte is gewenst. “Verder heb ik gewoon het gevoel dat ze boven moeten hangen. Koude lucht gaat naar beneden”, meent hij. Aangezien er nog volop onderzoek gaande is naar de optimale temperatuurverdeling valt hierover nog geen duidelijke conclusie te trekken. In ieder geval is het mogelijk in het uiterste geval warmtewisselaars om te hangen als dat ooit nodig blijkt.
Het verwarmen met hetelucht is een nieuwe ervaring voor de rozentelers. De aandacht richt zich vooral op te veel luchtbeweging die van invloed is op de celstrekking. Daarom heeft Boonekamp ze voorlopig begrenst op 40-50% van de capaciteit. Op dat moment komt de buis erbij.

Koelen is moeilijk
De komende tijd gaat het er om spannen voor de rozentelers. Het verwarmen is tot nu toe goed verlopen, maar binnenkort moet ook de koeling aan. “Koelen is gewoon moeilijker dan verwarmen”, vindt Marcel. Het is gewoon moeilijk om een goede balans te vinden in zo’n korte periode. We hebben zo’n grote verandering doorgemaakt en we missen soms de tijd om het allemaal te leren.”

Terug verdienen
De grote vraag is hoe de rozentelers deze investering terug gaan verdienen. Volgens Aad de Koning moet je voor dit soort systemen een investeringsbedrag van 80 tot 100 euro per vierkante meter (exclusief 40% subsidie) neertellen. Boonekamp: “We hebben de terug verdien periode ruim genomen en rekenen op tien jaar. Het zou natuurlijk mooi zijn als het allemaal sneller gaat. Dit is vooral een jaar van uitproberen. We hebben in januari gepoot en zijn nu net in productie.” Hij verwacht dit eerste jaar wel wat problemen in de zomer. Met de kennis die hij daarmee op doet wil hij de teelttechniek verder bijschaven.
Uitdagend is het project zeker. “In tegenstelling tot een conventioneel verwarmingssysteem hebben we nu veel meer bronnen om te verwarmen en te koelen. Dat maakt ons dus meer flexibel. Daarentegen is het hele systeem ook meer gecompliceerd.”

Onder Glas, mei 2009

maandag, mei 11, 2009

Smaaktest



Kwaliteitsattitude

Afgelopen zaterdag nam ik voor het eerst deel aan een smaaktest. De organisatie was in handen van online community Foodlog.nl in samenwerking met Kasteel Groeneveld in Baarn, LNV en de Taskforce Multifunctionele Landbouw. Centraal stond de vraag of je het verschil tussen groot- en kleinschalige productie en oude en moderne technieken kunt proeven.
Ik schrijf zelf voornamelijk over de productiekant van de tuinbouw, dus dit was voor mij een nieuwe discipline. Leuk en nuttig, dat wel. Ik mocht proeven van ham, brood en kaas. En hoewel er nu een enorme discussie is ontketend of deze smaaktest nu wel of geen goed onderbouwd onderzoek is, vond ik mijn eigen bevindingen opmerkelijk en leerzaam. Ik wist zonder al te veel moeite alle ambachtelijk geproduceerde producten aan te wijzen. Kwestie van voorkeur. Het kleine meisje tegenover me deed dat ook heel handig.
De ham van Duke of Berkshire had mijn voorkeur. Maar tussen de ham van de Lidl en Albert Heijn lag ook een voortreffelijke ham van Ruitenburg, een ambachtsman die uitgegroeid is tot grote vlees- en vleeswarenfabriek.
De discussie na afloop van de proeverij spitste zich toe op wel of niet toepassen van technologie bij het bereiden van voedsel. Wat is nog ambachtelijk geproduceerd? De toehoorders waren het natuurlijk niet allemaal met elkaar eens. Wel sprong naar voren dat de menselijke factor in een technologisch proces heel belangrijk is. De kwaliteitsattitude is de norm.
Die lijn kan je eigenlijk ook doortrekken naar de tuinbouw, waar precies hetzelfde gebeurt. Technologie is daar onmisbaar. De hand van de tuinder ook.

Lees meer op foodlog.nl

zaterdag, mei 09, 2009

Zwaan












































Uitgeput in een visnetje

Achtendertig dagen heeft hij moeten waken, slapen, dromen. Eergisteren was het zover. Er zwemt een trotse vader door de sloot, de geen genade kent als er een eend of fuut nadert. Zijn vrouw begon ineens hele kleine geluidjes te maken. Op afstand zagen we hoe kleine donsjes de plaats in namen van eieren. Acht in totaal. Een uurtje later plonsde het jonge kroost al in de sloot, achter mamma aan. Zo ontzettend knap zit de natuur in elkaar.
Gisterenavond zag ik pa weer even langs alle auto’s in de straat gaan. Even kijken of hij zichzelf nog herkende in alle spiegels. Een pikje hier, wat flapperen daar.
Maar o, wat is die slootkant hoog. We hoorden zachtjes piepen in de sloot. Eén van de acht kon de klauterpartij niet volbrengen. Helemaal uitgeput ging het kleintje bijna onder.
Dat konden we niet goed aanzien. Vastbesloten de natuur een handje te helpen maakten we stilletjes de boot los om richting nest te drijven. Pa en ma zwaan waren direct alert. Pa vloog in de sloot, vleugels dreigend omhoog achter onze boot aan. We schepten het kleintje met een visnetje uit het water. Uitgeput bleef het hangen, kopje scheef. Toen Freya het kleintje zachtjes op de kant legde bleef het liggen. Even bleef het stil. Plots begon mams zachtjes geluidjes van herkenning te maken. Kleintje richtte het kopje op en begon vermoeid aan de weg terug naar huis. Het schoot snel onder de warme vleugels van mams.
Vanmorgen kwamen ze langs. Wij tellen. Ja, gelukkig nog steeds acht.

vrijdag, mei 08, 2009

Het Nieuwe Telen






























Energie onder de knie
Op scherp telen en grenzen opzoeken
Energiezuinig telen, met behoud van productie en kwaliteit. Dat is de inzet van het praktijkonderzoek ‘Energie onder de knie’ bij het Improvement Centre. Het besparen van energie verloopt beter dan verwacht, maar de naderende zomer moet uitwijzen of ook de productie zich kan meten aan de praktijk. Het zal spannend worden, denken alle betrokkenen.
“Het is een uitdaging om deze proef te begeleiden”, vindt Jaco Kieviet. Als komkommerteler, en voorzitter van de landelijke Komkommercommissie besteedt hij tijd aan teeltadvies en begeleiding van deze komkommerproef, onderdeel van het praktijkonderzoek ‘Energie onder de knie’ op het Improvement Centre in Bleiswijk. Kieviet ondervindt aan den lijve wat het is om een proef consistent uit te voeren terwijl telers hem wekelijks onder vuur leggen met hun nuchtere praktijkvisie. Daarmee verwoordt hij eigenlijk in één zin welk spanningsveld er ligt tussen de aanpak van wetenschappers en de mening van praktijkmensen. Een spanningsveld dat meteen een enorme meerwaarde oplevert door de input van twee kanten. Leren, en nog eens leren, dat ervaren de telers die in de begeleidingsgroepen zitten. Ze doen het graag, nieuwsgierigheid brengt kennis. En de gewassen zien er elke week weer anders uit.
André Zwinkels, directeur Green Q, begeleidt de tomatenproef. Zwinkels: “In eerste instantie denk je: deze opzet kan in de praktijk nog niet. De risico’s zijn te groot. We kunnen hier gelukkig verder gaan dan in de praktijk haalbaar is.”

Heftige start
Het eerste deel van de teelt is niet makkelijk geweest. Het begon met een koude winterperiode, waarna een donkere periode volgde. Je kunt wel concluderen dat de start van de proef heftig is geweest. Eind maart blijkt dat het toch is gelukt om in ieder geval de energiedoelstelling te halen. Dat valt zowel de onderzoekers als de begeleiders mee. Eind februari werd de ac-folie weggehaald.
Eind maart is het komkommergewas volop in productie. De tomaten beginnen te kleuren. In de kas laten Zwinkels en Kievit zien dat de gewassen er goed voor staan. Zwinkels: “In de praktijk zijn we van mening dat je energie in het gewas moet stoppen voor productie. Misschien ligt dat genuanceerder.” Ook het sterke schermen druist in tegen de principes van telers. Het gebrek aan licht zou toch zichtbaar moeten zijn in een wat zachter en kwetsbaar gewas. Dat is niet het geval.
Kieviet: “Telers voelen eigenlijk direct aan of het klimaat goed is. Althans, hoe ze zelf denken dat het goed is.”
“We voelen dat eigenlijk met al onze zintuigen”, vult Zwinkels aan. Dat in deze kassen buitenlucht wordt ingebracht die al op temperatuur is, waardoor vocht wordt afgevoerd, voelt al anders aan. Juist door die vochtafvoer moeten zij constateren dat het gewas er toch generatief op staat.

Willen ingrijpen
Juist dat ‘aanvoelen’ van het klimaat leidt elke week weer tot pittige discussies. De telers die de proef begeleiden, zouden op zo’n moment willen ingrijpen. Maar daardoor zou de proef te veel afdwalen van de vooraf afgesproken doelstellingen. Juist de bewaking door onderzoeker Arie de Gelder van Wageningen UR Glastuinbouw, is daarbij hard nodig. Dat geeft een gezonde spanning, die beide partijen scherp houdt. Zowel André Zwinkels als Jaco Kievit zijn over die combinatie goed te spreken, hoewel ze soms twijfelen welke redenatie ze het beste kunnen volgen.
De komende periode zal uitwijzen of naast de energiedoelstellingen ook een goede productie haalbaar is. De komkomerproductie loopt in de pas met de praktijk, waar de telers op dit moment vier tot acht stuks per vierkante meter achter blijven op vorig jaar. “Het is een eerste teeltjaar”, vindt Zwinkels. “Het is goed mogelijk dat we aan het einde van het jaar aanpassingen moeten doen en de proef nog een jaar moeten doorzetten.”

Dick Breugem:
‘Mooie opzet, die dicht bij praktijk ligt’
“Deze proefopstelling is anders dan de mogelijkheden die we in de praktijk hebben om energie te besparen, en de risico’s die we daarbij kunnen nemen. Juist die luchtslangen en de mogelijkheden om vocht weg te halen onder het schermdoek zijn interessant. Ik vind dat je in zo’n proef op scherp moet telen, de grenzen op moet zoeken.
We liggen nu heel mooi op schema met de energiebesparing, maar het zal me wel benieuwen wat de productie gaat doen. Het ziet er in ieder geval goed uit. Er zit voldoende snelheid in het gewas. Maar nu komt het er op aan. Gaat de plantbelasting de komende periode niet te hoog oplopen? Blijven de vruchten niet te lang hangen? Het wordt dus best spannend, de komende anderhalve maand.
De hele ontwikkeling van het gewas is me ontzettend meegevallen. De overgangen in het klimaat zijn heftiger dan in de praktijk het geval is. Daar heeft het gewas dus toch goed op gereageerd.
Als begeleider heb ik niet echt invloed op het verloop van de proef. Wel wordt mijn mening op prijs gesteld. En ik vind het belangrijk om wekelijks het gewas te zien, want het verandert toch steeds. Het is kortom erg interessant om er bij betrokken te zijn.”

Komkomerteler Maarten Post:
‘Uitdagend om met die besparing te stoeien’
“Zelf zijn wij behoorlijk bewust bezig met energie. Op ons bedrijf lukt het om met 34 tot 36 kubieke meter gas rond te komen door de jaren heen. Dat is zeker niet aan de (te) hoge kant. De opzet van deze proef spreekt me dus erg aan. Maar of we met 25 kubieke meter de lat niet te hoog leggen, is de grote vraag.
De energiedoelstelling ligt mooi op schema, maar naar mijn mening kwam de productie iets te langzaam op gang. Het is dus voor mij een meevaller dat het productieniveau nu nagenoeg gelijk ligt aan het gemiddelde in de praktijk. Vooral de vaste ac-folie heeft in het begin van de teelt veel bespaard. Toch hadden we voor mijn gevoel meer met een minimumbuis moeten werken om snelheid op de vrucht te krijgen. Maar zo’n buis vraagt energie en dat was eigenlijk niet zo welkom bij dit project.
Op ons bedrijf gebruiken we ’s zomers 0,7 kubieke meter gas per week voor de productie van CO2. In deze proef is dat niet nodig, omdat er een andere CO2-bron is. Dat is interessant. In de komkommerteelt zijn het voor- en najaar periodes van hoog energieverbruik. In het voorjaar om voldoende temperatuur te realiseren, in het najaar om vocht weg te stoken. Het zal me echt benieuwen hoe dat in deze proef zal verlopen in het najaar als Botrytis en andere schimmelziekten op de loer liggen. Het is dus erg leerzaam.
Ik vind het positief dat er telers bij betrokken zijn, omdat we toch anders denken dan proefbegeleiders. Bovendien leren wij weer wat van hen. We zijn samen op weg naar minder energieverbruik. Mooie wisselwerking toch?”

Telen met 25 kuub gas
Kun je tomaten en komkommers telen met slechts 25 kubieke meter gas, met behoud van productie en kwaliteit? Welke teeltmaatregelen moet je nemen om die energiebesparing van 40 procent in de praktijk waar te maken? Na een eerste studie namen Wageningen UR, Green Q en telers het initiatief tot proeven bij het Improvement Centre. PT en LNV namen de financiering voor hun rekening.
De initiatiefnemers en financiers van de proef namen geen halve maatregelen en wilden dat de resultaten breed worden gedragen. Zij nodigden voor ieder gewas acht telers uit voor begeleiding. Elke week is er een rondgang, waarbij drie tomatentelers aanwezig zijn. De komkommertelers wisselen elkaar af. Maandelijks is er een bijeenkomst met alle acht telers. Dit zijn de ‘begeleidende leergroepen’, een combinatie van begeleiden en leren, zoals de naam al doet vermoeden.
In de proef zijn de teeltomstandigheden aangepast. Zo vindt de vochtafvoer gecontroleerd plaats. Via kleine luchtslurven wordt voorverwarmde buitenlucht ingeblazen. Boven het gewas ligt een dubbel energiescherm. De komkommerkas kreeg in de koudste maanden nog een extra ac-foliescherm, dat inmiddels weg is. Boven de tomaten hangt een lichte koelinstallatie. De warmte-oogst van deze koeling wordt weer opgeslagen voor andere momenten. Beide afdelingen hebben een hoge-drukvernevelingsinstallatie om te koelen. Dit alles om de luchtramen zo lang mogelijk dicht te houden, waardoor CO2 binnenblijft.
Voor zover mogelijk zijn gelijke zaaidata aangehouden als de praktijk. Bij de tomaat werd gekozen voor het ras Capricia, geënt op Maxifort, in een V-systeem. De proef startte op 13 januari met grote planten. Bij komkommer werd voor het meeldauwtolerante ras Sacha gekozen. Deze proef startte op 7 januari, toen de planten 32 dagen oud waren. In mei en augustus volgt de tussenplanting.

Energiek2020 mei 2009

Exoten















PD-ers Johan van Valkenburg en Wiebe Lammers:
‘Denk vooral aan de export van je product’

Toenemende globalisering heeft het probleem van invasieve exoten en hun invloed op biodiversiteit op de kaart gezet. De PD werkt aan de preventie en bestrijding van exoten die planten bedreigen. ‘Aliens’, kunnen in Nederland het natuurlijk evenwicht verstoren, maar ook onze export als doorvoerland belemmeren.
Op het moment dat Staatsbosbeheer in De Biesbosch voor het eerst de Kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides) aantrof, werd al snel duidelijk dat deze uitheemse waterplant een flinke bedreiging vormde voor de biodiversiteit in Nederland. Het uit Latijns-Amerika afkomstige plantje heeft namelijk in Frankrijk al flink huisgehouden in moerasachtige gebieden. De PD (Plantenziektenkundige Dienst) constateerde dat het aantal planten hier gelukkig nog beperkt was. Het gebied werd afgegraven, de planten vernietigd en het probleem was geëlimineerd.
“Invasieve exoten zijn een toenemend probleem in Nederland en daarbuiten”, vertelt Wiebe Lammers van de PD. Het Ministerie LNV stuurde daarom in 2007 een beleidsnota over dit onderwerp naar de Tweede Kamer, met als doel de introducties van invasieve exoten in te perken en zo de biodiversiteit te behouden. Dit leidde begin 2009 tot de oprichting van het Team Invasieve Exoten van de PD. Lammers is coördinator van dit team, dat zich zowel bezig houdt met planten als dieren en micro-organismen (bijvoorbeeld virussen en schimmels) die een probleem kunnen vormen voor de biodiversiteit. De raakvlakken tussen PD en RHP liggen hoofdzakelijk op het terrein van plantenziekten en planten; exotische planten kunnen als onkruid woekeren in de teelt, de handel bemoeilijken en schade toebrengen in de natuur. De PD richt zich van oudsher vooral op de teelt en handel, met het nieuwe Team Invasieve Exoten is er toenemende aandacht voor de natuur.
“Herkenning van deze planten is niet altijd eenvoudig”, vertelt plantentaxonoom Johan van Valkenburg. Het is vaak erg moeilijk te herleiden waar ze precies vandaan komen. Ook het determineren kent obstakels, omdat de plantensoorten wereldwijd niet overal even goed in kaart zijn gebracht. Tel daarbij op dat een uitheemse plant, die in een kas wordt aangetroffen, er vaak heel anders uit ziet als zijn soortgenoten in de vrije natuur en de puzzel is compleet.

Niet op eigen kracht
Wat zijn nu precies uitheemse planten en wanneer zijn het exoten? Het is een afweging, blijkt uit het gesprek met Van Valkenburg en Lammers. “Als van oorsprong Europese planten door de klimaatsverandering oprukken vanuit meer zuidelijke gebieden en hier goed gedijen, dan noemen we ze geen exoten. We noemen ze pas exoten als ze op eigen kracht niet hier kunnen komen. Ze komen bijvoorbeeld mee met plantmateriaal of transportmiddelen als zaden, knollen en wortelstokken.”

Regulatie of niet
Als de PD na een melding heeft vastgesteld om welke plant het gaat en of deze mogelijk schadelijk kan zijn voor de Nederlandse flora en fauna, voert het Team Invasieve Exoten een risico-analyse uit. De PD adviseert vervolgens het ministerie LNV of er wel of geen regulatie moet plaatsvinden. Als een soort de biodiversiteit bedreigt dan krijgt deze het etiket ‘invasieve exoot’. Afhankelijk van de aard van het probleem vindt vervolgens overleg plaats in Europees verband. De PD’s van alle landen zijn verenigd in de EPPO (European and Mediterranean Plant Protection Organization). Besluitvorming over grootscheepse Europese maatregelen is weer een zaak van de Europese Commissie.

Melding
Potgronden en substraten zijn een medium waarin in principe planten, delen van planten en zaden worden versleept. Regelmatig krijgt RHP melding van een ‘onkruid’ dat niet bekend is. RHP maakt een onderscheid tussen de herkomst van onkruiden. De onkruiden uit veengebieden bijvoorbeeld, behoren in principe allemaal tot de Nederlandse flora.
Anders ligt het voor kokos en schors, die een heel andere herkomst hebben dan veen. Beide materialen, die in populariteit toenemen, kunnen tijdens opslag besmet raken met onkruidzaden. Er is daarom regelmatig overleg tussen RHP en PD, gericht op specifieke voorvallen.

Biodiversiteit of export
De voornaamste reden om het probleem van de invasieve exoten zeer serieus te nemen, is het bewaken van de biodiversiteit. Exoten mogen de Nederlandse vegetatie niet gaan verdringen. Daarnaast kunnen er andere argumenten zijn om een soort te reguleren. Een voorbeeld daarvan is de plant Ambrosia, die het hooikoortsseizoen in Nederland met twee maanden kan verlengen. Ambrosiazaad lift onbedoeld mee met vogelvoer.
De andere reden is het economisch belang dat in het geding komt als exoten de teelt in Nederland bemoeilijken of de export belemmeren. Als er in Nederland een bepaalde exoot is aangetroffen dan kunnen andere landen producten uit Nederland gaan weren. Overigens is hierbij het risico van dieren en micro-organismen groter dan van planten. De EU-lijst van quarantaine organismen bevat momenteel maar één plantengeslacht. Er zijn echter ook de nodige landen buiten de EU die planten op hun quarantainelijst hebben staan.
Lammers: “Het weren van invasieve soorten beperkt zich dus niet tot gevolgen voor onze eigen natuur, maar ook daarbuiten.”
Van alle grondstoffen voor potgronden en substraten wordt eenderde weer geëxporteerd, omdat Nederland in deze sector toonaangevend is. Lammers: “Wij zijn een land dat veel producten doorvoert. We zijn dus exportafhankelijk. Daar is ons beleid ook steeds op gericht. Bij ieder organisme moet je afwegen of de schade opweegt tegen de eventuele handelsbeperkende maatregelen die je moet nemen om het organisme te beteugelen.”
Van Valkenburg vult aan: “Een tropische plant kan soms in de kas uitbundig tot ontwikkeling komen, maar buiten die geconditioneerde omgeving snel afsterven. Dan lijkt zo’n probleem beheersbaar. Toch kan zo’n exoot bijvoorbeeld in Zuid-Europa wel gaan woekeren, op het moment dat wij producten die kant op exporteren.” Dit geldt voor zowel ongebruikte substraten als voor planten in een substraat.

Drie peilers
Het beleid van de PD ten opzichte van invasieve exoten rust op drie peilers: preventie, eliminatie en beheersing. Veel aandacht ligt bij preventie. Uiteraard is dat de meest effectieve manier om problemen buiten de deur te houden. Wordt er toch een organisme aangetroffen dat een bedreiging kan gaan vormen, dan volgt zo mogelijk eliminatie. Het geval van de Kleine waterteunisbloem is daar een voorbeeld van. Is een organisme toch binnen gedrongen en niet meer te elimineren, dan volgt beheersing. Een sprekend voorbeeld is de knolcyperus, die z’n vijfentwintig jaar geleden voor het eerst werd aangetroffen in de gladiolenteelt. Een perceel moet nu drie jaar vrij zijn van knolcyperus, voordat er weer export van gewassen mag plaatsvinden.
De introductie van nieuwe soorten is een continue proces, dat uiterst moeilijk is. De PD krijgt signalen over nieuwe soorten van de eigen controleurs, controleurs van keuringsdiensten en is verder afhankelijk van derden. Soorten moeten eerst opvallen en worden ontdekt. Van Valkenburg: “Van belangrijke schadelijke families als de cyperaceae werken we aan herkenning door DNA-sequentie. Soms kunnen we soorten toch niet helemaal op naam stellen. Maar als toch maatregelen nodig zijn, gebeurt dat wel.”

Meer exportstromen, dus meer exoten
Binnen RHP neemt de aandacht voor fytosanitaire aspecten verder toe. Deelnemers maken in toenemende mate gebruik van materialen en grondstoffen die afkomstig zijn uit landen over de hele wereld. Bovendien exporteren zij hun hoogwaardige substraten weer naar verre oorden of de klant doet dit met een gekweekte plant erin. Deze stroom van grondstoffen en producten heeft ook een stroom van restproducten in zijn kielzog.
De beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen om problemen te corrigeren neemt tegelijkertijd af. In de context van deze ontwikkeling vond het gesprek plaats met Wiebe Lammers en Johan van Valkenburg.
Voor vragen over dit onderwerp kunt u terecht bij Marco Zevenhoven van RHP. Op de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vindt u meer informatie bij het onderwerp ‘Biodiversiteit’.


Nieuwsbrief RHP mei 2009

donderdag, april 30, 2009

Snijbloemen















Bedankt voor die bloemen’
Arrangeur en bloemist Charles van der Voort hamert op kwaliteit

Met twintig medewerkers en een vrachtwagen vol bloemen vertrekt Charles van der Voort vlak voor Pasen naar het Vaticaan voor zijn belangrijkste klus van het jaar. De rust keert pas terug op het moment dat de Paus ‘bedankt voor die bloemen’ zegt. Bolbloemen in uitbundige kleuren zijn vast onderdeel van deze Nederlandse presentatie. De kwaliteit mag niet ter discussie staan, vindt Van der Voort.
“We zitten inmiddels bijna zeventig jaar hier met onze bloemenzaak op de Morsweg in Leiden. Mijn werk als arrangeur is door de jaren gegroeid. Volgend jaar verzorgen we alweer voor de 25e keer de bloemen tijdens de Paastoespraak van de Paus. We versieren de Ridderzaal voor Prinsjesdag en het kasteel de Wittenburg. En iedere week maken we de arrangementen voor het EO programma ‘Nederland zingt’. Bolbloemen maken een belangrijk deel uit van ons pallet.

Uitbundig
“Ik hou van de uitbundige kleuren van bolbloemen. Daar kan je zo fantastisch mee werken. Neem nu de grote variatie in tulpen, of het diepe blauw van irissen. Bloemen spreken voor zich. In mijn winkel en in mijn arrangementen verwerk ik veel bolbloemen. Nu gaan er ook veel tulpen mee naar Rome, maar eigenlijk stop ik er eind maart mee. Mensen willen dan weer wat anders. Bovendien neemt de kwaliteit af door de hogere temperaturen. Een vaas tulpen is dan binnen een paar dagen slap en uitgebloeid. Dat vaasleven vind ik te kort.
Als ik met tulpen werk, dan gebruik ik geen andere bloemen in zo’n boeket. Tulpen groeien door. Dat hoort er gewoon bij. Aangezien andere bloemen dat niet doen vind ik het verschil in lengte na een paar dagen geen gezicht meer. Snijnarcissen gebruik ik bijna niet, wel potten ‘Tête à Tête’.
Maar ook bloembollen vind ik nog steeds een mooi product. Zo’n mooie pot met tulpen op het terras in het voorjaar zie ik graag. Thuis zet ik ook mijn bakken vol met bollen om ze daarna te vervangen door zomerbloeiers.

Kwaliteit
Ik hamer wel op de kwaliteit van producten. Die varieert enorm. Dat geldt niet alleen voor bolbloemen, maar voor alle snijbloemen. Te lang bewaren, sparen, dat vind ik geen goede zaak. Als ik merk dat ik zo’n partij heb gekregen, dan gaat die meteen terug neer de leverancier. Dat wil ik beslist niet.
Ik ga altijd voor kwaliteit. Ik gooi slechte bloemen liever weg dan dat ik ze verkoop en daarmee mijn goede naam verspeel. Die boodschap zou ik aan de telers mee willen geven: ook in tijden dat het iets minder gaat, zorg dat je kwaliteit verkoopt. Nederland heeft met haar logistiek een goede troef in handen en met topkwaliteit overwin je altijd.”

Vakwerk, april 2009

Tomaten














Pizza en prut

Koken doe ik het liefst iedere dag vers, met ingrediënten van de markt en mijn scharrelslager of mijn visboer. Toch zijn er van die dagen dat alles tegen zit en de kinderen om zeven uur ’s avonds hongerig vragen wat er op tafel komt.
Gisteren belandde ik, na ernstig file leed, samen met de kinderen, voor het eerst bij de nieuwe Albert Heijn XL in Leiden. Er ging een gejuich op in de auto. Ze hebben me namelijk een paar maanden gek gezeurd over die voetbalplaatjes, maar ik heb hun gedrens toen kunnen weerstaan.
Op zo’n drukke dag gelden andere regels. Dan maar zo’n kant-en-klaar pizza de oven in. De kinderen protesteerden, want wat ze op die pizza’s onder het cellofaan zagen, beloofde niet veel goeds. Daarom snel een pizza-bodem opgezocht en wat verse ingrediënten. Ik was verrast omdat er Tasty Tom voor mijn neus lag. Ik griste nog wat bij elkaar om snel naar huis te vliegen.

Thuis gekomen maakte ik de flow-pack van de Tasty Tom open en tot mijn teleurstelling waren drie van de acht tomaatjes beschimmeld. Precies die exemplaren die onder het logo en de streepjescode verstopt lagen. Vervolgens scheurde ik de verpakking van de bosuitjes open. Ja, ja, drie verpakte uitjes voor 0,99. Slim. De kwaliteit liet ernstig te wensen over. Van de prei die ik nodig had voor een ander gerecht werd ik helemaal niet vrolijk. Die was al klasse II, maar daar had half Leiden ook al met zijn vingers aangezeten.

Toen ik vanmorgen een appeltje van de schaal wilde pakken was de maat vol. Van de Flow-pack met zes Braeburn appels waren er twee rot.

Het is toch diep treurig. Als je de XL binnen stapt ben je gewoon blij verrast over de enorme versafdeling, waar rijen tomaten en appels je smeken om mee genomen te worden. Met mijn oogst van gisteren kan ik alleen maar concluderen dat de producten geen omloopsnelheid kennen of te lang worden bewaard. Snel terug naar de markt en mijn goedkopere supermarkt, waar de prei weg vliegt en het personeel nog betrokken de rommel uit het schap vist en ververst.

Lees voor reacties op Foodlog

zondag, april 19, 2009

Orchidee















Orchideeëntelers Herman en John de Vreede:
‘Zo’n project doe je stap voor stap, met veel passen en meten’
Automatiseren van een bestaand project is veel moeilijker dan het bedenken van een systeem voor een nieuw bedrijf. Tel daarbij op dat het bestaande potplantenbedrijf hoge eisen stelt aan de verwerkingssnelheid en iedere centimeter vloeroppervlak wil benutten. Herman en John de Vreede legden de leverancier van interne transportsystemen een ingewikkelde puzzel voor.

Het is nu nog behelpen op het orchideeënbedrijf in Bleiswijk, maar over een paar maanden moet die fase voorbij zijn. In januari 2008 begon Frans van Zaal Totaal Techniek met de automatisering van het interne transport op dit bedrijf. Het einde is nu in zicht. Een groot deel van het systeem is al in gebruik, maar met name in de verwerkingsruimte moet nog veel handwerk worden verricht. De sporen van een drukke week zijn nog zichtbaar als John de Vreede een rondje maakt langs het enorme emplacement, waar de Phalaenopsispotten af en aan schuiven. Het is voor hem even nadenken hoe hij het verhaal in chronologische volgorde moet vertellen.

Plannen om gooien
Het begon allemaal een paar jaar geleden, toen de broers over vergroting van hun bedrijf nadachten. Zij hadden toen een opkweekbedrijf van 12.000 m2 in Bergschenhoek en een productiebedrijf met Phalaenopsis en Paphiopedilum in Bleiswijk. Ze waren eigenlijk op zoek naar een perceel van vijf, zes hectare om volgens de nieuwste ideeën nieuw te gaan bouwen.
Alle plannen waren in kannen en kruiken toen de buurman, ook Phalaenopsisteler, in 2007 zijn bedrijf van 23.000 m2 plotseling te koop aanbood. Binnen een paar dagen was de koop een feit en vervolgens werden alle plannen omgegooid.
“We stonden voor een grote operatie”, vertelt De Vreede. “Wij teelden in 12 cm potten en besloten drie jaar geleden om ons te specialiseren in de 9 cm potten met zes verschillende rassen. De omloopsnelheid was tot dan toe laag, 15.000 potten per week. Die moest omhoog. Het bedrijf dat wij kochten had weer 12 cm potten. Uiteindelijk besloten we om ook daar naar 9 cm te gaan. Met een optimale ruimtebenutting wilden we naar een productie van 100.000 potten per week.”



Verplaatsen en verzetten
Bij het oppotten gebruikt het bedrijf nu een mobiele robot die de planten over de lange kant van de container inzet. Tegelijkertijd zet dezelfde robot de planten, die zes weken daarvoor zijn opgepot, voor de eerste keer wijder. Dit alles gebeurt in de verwerkingsruimte. Voor het kastransport koos de teler voor een snelle Overhead Transporter, omdat er maar weinig ruimte langs de gevel is. Deze ‘OHT’ is zo snel door de combinatie met langzame afduwunits zonder frequentieregelaars.
Centraal in de installatie – bij voorsorteren en afleveren – staat de OMNOR. Deze robot kan zowel rolcontainers verplaatsen als individuele potrijen over de lange zijde van de container oppakken en neerzetten. Voordeel van de lange zijde is dat er minder slagen nodig zijn, zodat bewegingen rustiger verlopen. Door het gebruik van deze robots kan de verkoop-afleverbuffer relatief klein blijven (7.000 plantdragers). De twee robots vullen de kleine buffer continue aan vanuit een grote containerbuffer.
De indeling van het bedrijf is na de schaalvergroting volledig veranderd. Het eerste (warme) en laatste deel van de teelt gebeurt op de ‘oude’ tuin. Op de tuin van de buurman staan de planten tijdens de koelperiode. Op het moment dat de planten naar deze buurkas gaan worden ze tegelijkertijd voor de tweede keer wijder gezet. Het inzetten en uitrapen gebeurt hier met één gecombineerde mobiele robot.

Plastic kraag
De teelt van een wankel plantje in een 9 cm pot kent handicaps, die de broers beslist wilden oplossen. Zo stelden ze als eis dat het blad niet mocht beschadigen en dat potten niet mochten omvallen tijdens het transport.
Voor het eerste probleem bedachten ze een plastic kraag om de pot. De Vreede: “Deze kraag houdt de bladeren omhoog tijdens de teelt.” Speciaal voor het aanbrengen en verwijderen van die kraag zijn machines ontworpen. Vlak na het oppotten gaat de kraag er omheen. Vlak voor het afleveren gaat deze er weer af.
Na het oppotten passeren de potjes een camera, die de planten op grootte sorteert en ze ook positioneert. Zo staat het blad in dezelfde richting op de rolcontainer en overlapt het blad elkaar tijdens de teelt dus niet.

Traybodem
Met die oplossing was het probleem van het omvallen nog niet verholpen. Samen met de ontwikkelaar van het interne transport en de leverancier van potten bedachten de broers speciale traybodems in de rolcontainers, waardoor de planten precies op de goede afstand muurvast staan. “Die bodems zijn een fantastische vinding”, vindt De Vreede. “Er zijn al veel telers die belangstelling tonen. Zelfs tuincentra vinden ze handig.”

Stokken fixeren
De orchideeëntelers ergerden zich aan de manier waarop het product er vaak bij staat of hangt op verkooppunten. Dat probleem is op te lossen door stok en pot goed met elkaar te verbinden. Daarom staat er ook een nieuwe machine klaar, die de kleine potten van stokken voorziet.
Een camera beoordeelt de steellengte, waarna een stok in twee verschillende lengtes bij de plant wordt gezet. De machine prikt de stok door de bodem van de pot, waardoor deze is gefixeerd. De twee (nieuwe) clipjes worden vervolgens met de hand dicht geknepen.

Hoge capaciteit
Terwijl het automatiseringsbedrijf nu ruim een jaar aan de installatie bouwt is de teelt op beide bedrijven gewoon door gegaan. Als alles is afgerond moet de verwerkingscapaciteit op 4.200 planten per uur liggen. “Wij zijn echt blij als straks alles achter de rug is”, verzucht De Vreede. Tegelijkertijd weet hij ook dat de opdracht complex was: een systeem bedenken voor een bedrijf dat voor 80% van de omzet grote orders draait en dus een absoluut betrouwbaar en snel systeem nodig heeft. En dat is best een technisch hoogstandje.

De uitdaging
Automatisering van het intern transport op een bestaand potplantenbedrijf is complex. De klus die de gebroeders De Vreede hebben uitbesteed, was er een van de hoogste moeilijkheidsgraad en een uitdaging. De opdracht was als volgt:
- Bouw een intern transportsysteem zonder de continuïteit van de productie te hinderen.
- Verbindt twee bedrijven met elkaar, met bestaande opstanden die haaks op elkaar staan. Het ene bedrijf heeft al een automatisch systeem met rolcontainers, het andere een handmatig rolcontainersysteem. De maten van de rolcontainers verschillen.
- Werk een systeem uit met 9 cm potten. Het ene bedrijf staat bij de start nog vol met 12 cm potten.
- Het afleversysteem moet een capaciteit van 100.000 potten per week kunnen verwerken.


Onder Glas, april 2009

Bollen

Groene veilingen zijn een begrip in het bollenvak. Veilen in zijn puurste vorm, vinden de liefhebbers. In de maand mei staan de groene veilingen weer op de agenda. Een spannend spel voor insiders.















Jaap Looijesteijn:
‘Kopen is de kunst van het tijdig ingrijpen’

Volgens Jaap Looijesteijn blijft het systeem van groene veilingen altijd bestaan. Samenscholen op een veld bollen, waar iedere roe van eigenaar verwisselt. Wie is de echte koper en wie gaat voor het strijkgeld? Of voor allebei? Dat avontuurlijke schimmenspel, daar moet je van houden. Zoals veel handelaren in het bollenvak.

Het is Jaap Looijesteijn vergaan zoals veel jongens uit het Noordelijk zandgebied. Geboren tussen de bollen wilde hij al jong ondernemer worden. Iedere spaarcent ging in bollen zitten, die hij aankocht voor zijn eigen stuk land op het ouderlijk bedrijf.
Het liep anders. Handelen bleek al snel leuker dan telen. Jaap had daar nu eenmaal meer gevoel voor. Zo liet hij zijn droom van zelfstandig ondernemerschap varen voor een dienstverband met de Hobaho, waar hij intermediair werd. Tot zijn ‘territorium’ behoorde iedere bol die in het Noordelijk zandgebied werd geteeld.

Nu freelance
“Op een gegeven moment vroeg Henk Hoogervorst me mee te gaan naar de groene veilingen. Dat beviel me goed. Sindsdien ging ik ieder voorjaar met hem op stap”, vertelt hij. En inderdaad. Hoewel Looijesteijn inmiddels ruim de pensioensgerechtigde leeftijd is gepasseerd, keert zijn naam nog met grote regelmaat terug op de agenda van HB-veilingen. “Maar nu wel freelance”, merkt Looijesteijn op, die het handelen nog steeds niet kan laten.
In het voorjaar bezoekt de oud-intermediair van Hobaho de bedrijven die een groene veiling willen houden. Hij gebruikt zijn ervaring om partijen te beoordelen en zoekt alvast of hij kopers kan vinden die mogelijk geïnteresseerd zijn. Omgekeerd weet iedereen ook hem te vinden. Looijesteijn: “In het voorjaar begint dat met vragen van mensen. Komt er nog wat aan, Jaap? Ziet er nog iets voor me bij?”

Wens klant
Als intermediair en veilinginkoper van de Hobaho bezocht en bezoekt Looijesteijn zowel groene veilingen van Hobaho als CNB. Het maakt de handelaar tenslotte niet uit waar de bollen vandaan komen, zolang de wens van de klant wordt gerespecteerd. Van tevoren bespreekt hij met zijn klanten op welke partijen hij mag bieden en tot welke prijs hij mag gaan. Of dat daadwerkelijk lukt, hangt helemaal af van het verloop van zo’n veiling.

Schimmenspel
Is het moment van de groene veiling aangebroken, dan begint het schimmenspel. Het is immers niet bekend welke orders de aanwezigen in portefeuille hebben en tot hoe ver zij zullen gaan. “Dat is nu het avontuurlijke aan dit werk”, vindt Looijesteijn. “Juist dat inschatten op welk moment je moet reageren. Dat is nu de kunst van het kopen, op het juiste moment ingrijpen. En het is natuurlijk prachtig als je een partij in handen krijgt die minder kost dan de klant er uiteindelijk voor over had.”
In eerste instantie wordt de totale kraam ingedeeld in partijen. Blijkt nu op het laatst dat partijen onverkocht blijven, dan behoudt de veilingmeester zich het recht om de partij in zijn geheel te veilen. Je kan dus al een aantal partijen in handen hebben en ze alsnog kwijt raken. Of je koopt alles. Maar dan moet je naderhand proberen van de partijen af te komen die je niet nodig hebt. En dat gebeurt. Het onderhandelen stop dus niet als de groene veiling voorbij is. Op dat moment komt het op de vaardigheden van de echte handelaar aan. Houdt hij er iets aan over of niet?
Een bijzonder ‘wedstrijdelement’ is het strijkgeld dat de veilingmeester soms instelt. Dit is een premie voor degene die het hoogste bod plaatst, voordat het afslaan begint. Het is bedoeld om de prijsvorming op gang te brengen en levendig te houden. “Dat maakt het veilen spannend. Je weet namelijk niet of bieders echte kopers zijn, of dat het ‘strijkgeldjagers’ zijn. Of allebei.”, gaat Looijesteijn door. “Het kan zijn dat zo’n ‘jager’ na de veiling met een partij blijft zitten, die hij dan toch weer wil verhandelen. Dat is natuurlijk interessant.”

Verrassend verloop
Groene veilingen kunnen heel verrassend verlopen, heeft Looijesteijn door de jaren ondervonden. “Ik kan me nog herinneren dat er z’n 25 jaar geleden een grote partij ‘Ad Rem’ werd geveild. In de bollenstreek werd de waarde toen geschat op 60.000-70.000 gulden. Plotseling bood een kweker/exporteur 160.000 gulden voor die partij. Iedereen was verbijsterd en afgetroefd.”
‘Ad Rem’ was toen een nieuwe tulp, die uiteindelijk ook goed is gebleken. Destijds was dit geen opdracht die Looijesteijn heeft moeten uitvoeren. De koper in kwestie is er goed mee geweest. Hij kreeg een partij bollen in handen, met leverbare bollen en jong uitgangsmateriaal. En uiteindelijk bracht dat hem in een goede marktpositie. Voor velen in het vak was dat een goede les.
“Wij maken afspraken met onze klanten en schatten natuurlijk in tot hoe ver we kunnen gaan. Maar zo zie je dan toch dat iets goeds niet snel te duur is.” Looijesteijn lacht. Zo blijft het kopersvak toch altijd uitdagend. Zeker op het moment dat er weer een groene veiling op de agenda staat.

Vakwerk, april 2009

Sla

Als je een kas met sla binnen loopt, dan hangt daar een speciale geur. Dat doet me terug denken aan de tijd dat ik zelf bij mijn vader sla sneed in de schoolvakanties. Een teelt die lang op de nominatie stond om volledig uit de Nederlandse kassen te verdwijnen. Gelukkig zijn er nog telers die zich daar niets van aantrekken. En eerlijk is eerlijk, die dikke krop sla die ik van Piet Reijm mee kreeg smaakte heerlijk. Boterzacht.


Automatisering op gemengd bedrijf
Transportsysteem zorgt voor rust, hygiëne en flexibiliteit

Een transportsysteem met oogstbanden voor de slateelt is een pittige investering die bij de gebroeders Reijm geen grote tijdwinst opleverde, maar wel andere voordelen had. De hygiëne op het bedrijf, de versheid van het product en de verbeterde arbeidsomstandigheden zorgen er voor dat zo’n systeem eigenlijk een must is. Zware sla telen met heteluchtverwarming is de passie van deze drie broers.

Maandagochtend om één uur sla snijden, om de volgende morgen zo vroeg mogelijk op de veiling te zijn. Onder de lampen, met een koppel jongens, oliebroek aan, op de knieën in het koude, natte land, terwijl af en toe een kachel aan slaat. Een hele generatie telers heeft dat beeld nog op het netvlies staan. Zwaar werk, versleten knieën en een altijd wisselende prijs op de veiling.
Nog steeds is het af en toe vroeg beginnen, maar niet zo extreem meer als in het verleden. Alleen aan die wisselende prijs is nog niet veel veranderd. Piet Reijm in Nieuwerkerk aan de IJssel glimlacht als hij een mooie zware krop sla omhoog houdt. “Vandaag 58 cent. Dat is niet slecht. Vorig jaar zaten we in deze week voor 20 cent te snijden.” Hij werkt gestaag door, terwijl zijn broers Jaap en Johan en twee medewerkers in de schuur de rest van het werk doen.

Prioriteit bij sla
In 1999 kregen de gebroeders Reijm de kans om nieuw te bouwen, na reconstructie van hun tuinbouwgebied. Ze bouwden 37.000 m2 Venlokas, verdeeld in 6 afdelingen. Geen buisverwarming, maar in iedere afdeling 8 hetelucht kanonnen, waarvan er 4 tegelijk branden. Alleen in de afdeling met de laagste temperatuur slaan ze alle 8 tegelijk aan. Zo worden pieken in de energievraag vermeden.
De broers telen ’s winters twee keer zware sla (Hofnar en Roderick), waarbij zij streven naar 40 kilo per 100 stuks. Af en toe zetten ze ook een vak andijvie. “Eind maart, begin april volgen een teelt tomaten en komkommers. De tomaten in de grond, de komkommers op steenwol. Het argument om dit teeltplan uit te voeren, heeft te maken met arbeidsbezetting. De drie broers werken met twee vaste medewerkers. In het zomerseizoen vangen zij de piekarbeid op met losse krachten, zoals scholieren. De slateler: “We willen ook permanent op de markt zijn. Zodra de sla weg is volgen de vruchtgroenten.”
Bovenin de kas ligt een beweegbaar energiescherm. Dit is hoofdzakelijk aangelegd voor de slateelt, om juist in de winter het gasverbruik te beperken. “Constant dicht laten liggen, kan echt niet voor het klimaat”, vertelt Reijm. “Onze prioriteit ligt bij de slateelt. Wij vinden nog steeds dat je de beste sla teelt met heteluchtverwarming in plaats van buisverwarming. Een groeibuisje zou voor onze teelten mooi zijn, maar ja, zo houd je altijd wensen.”

Hoge belasting
Zeven jaar geleden besloten de broers het interne transport aan te pakken. Door het contact met Belgische telers stuitten zij op het mobiele transportsysteem van Alubo, een bedrijf uit Sint-Kathelijne-Waver. Het systeem bestaat uit een oogstband, die zestig meter diep de kap in gaat. Deze sluit aan op een transportband op het hoofdpad, bestaande uit drie delen. Deze delen overbruggen ieder een afdeling en hebben in totaal een lengte van 320 meter.
Inmiddels heeft het volledig uit aluminium bestaande systeem zijn bestendigheid kunnen bewijzen. De banden draaien continue als er sla wordt gesneden. Reijm: “De belasting is hoog en we beginnen nu wel wat slijtage te zien. Dat is een nadeel van aluminium.”
In de schuur staat een schoonmaaktafel opgesteld. Een rollenbaan brengt het gevulde fust naar de spoelplaats, waar sla in meermalig fust nog kan worden nagespoeld.



Geen snijafval
Piet Reijm zit in zijn eentje sla te snijden. Hij snijdt de kroppen af, maar maakt ze niet schoon. Hij legt ze op de oogstband, of ze nu groot, klein, mooi of een beetje vies zijn. Onder het praten snijdt hij stevig door, want in de schuur staan vier mannen op zijn productie te wachten. Dat is meteen een nadeel van het systeem. Het heeft geen buffer. Je moet door blijven gaan, anders stagneert de aanvoer.
In de kap blijft geen snijafval achter. In de schuur staan drie mannen klaar om de kroppen schoon te snijden en per twaalf stuks in kratten of dozen te leggen. Afhankelijk van de klant kan er ook een plastic zakje omheen. Dat gebeurt allemaal op de schoonmaaktafel.
Met een zwaai gaat het volle fust op een naastliggende rollenbaan, op weg naar twee broeskoppen, die het snijvlak schoon spuiten. Zo ziet de sla er schoon en fris uit. Het overtollige water dat van de kratten lekt wordt opgevangen in een goot. De vierde man weegt vervolgens het gevulde fust, zet ze op pallets en plaatst ze vervolgens in de koelcel of vrachtwagen.

Schoon en flexibel
Destijds bedroeg de investering in dit systeem ongeveer 100.000 gulden. Een pittig bedrag, voor een transportsysteem dat volgens de broers niet echt tijdwinst oplevert. De hoogte van dit bedrag hangt samen met het feit dat het systeem op maat is gemaakt voor dit bedrijf. De aanleg van oogstsystemen is maatwerk.
Aanleiding om de knoop door te hakken was hygiëne. Voorheen ging het fust mee de kas in. Aangezien de broers op een donkere veengrond telen, was de onderkant van het fust altijd smerig. “Wij willen een schoon product afleveren, dus was deze investering nodig.”

Veel arbeidsvriendelijker
Bijkomend voordeel is misschien wel veel belangrijker. Sla snijden is nu veel arbeidsvriendelijker. Vandaag zit Piet te snijden, morgen een ander. De mannen wisselen elkaar af, zodat de belasting van het steeds op je knieën zitten sterk is terug gebracht. Ook het werk in de schuur is aangenaam. Daar kan iedereen op stahoogte schoonmaken en verpakken. En dat ziet er behoorlijk relaxed uit. Maar dat kan ook komen doordat er wat minder kroppen op de band liggen. Piet was misschien toch een beetje afgeleid door het praten.
Een ander, niet te verwaarlozen voordeel is de flexibiliteit van het systeem en de versheid van het product. De broers kunnen goed inspelen op wensen van de klant. Zodra een andere fustsoort nodig is, wordt er in de schuur overgeschakeld. Dat viel in het verleden tegen, toen het fust nog mee ging in de kas en daar vervolgens gevuld wel even bleef staan. Met de komst van het transportsysteem heeft dit bedrijf met gemengd teeltplan toch in kunnen spelen op de eisen van deze tijd.

Onder Glas, april 2009

donderdag, april 02, 2009

Zwaan















Het zijn de hormonen

Je bent een mooie jonge man en je hebt een bloedmooi vrouwtje, dat breeduit in het plantsoengras zit te broeden. Dan gieren de hormonen door je lijf. Je klappert eens met je vleugels en vliegt met geraas op en neer in de lengte van de sloot, maar dat zet niet veel zoden aan de dijk. Wat moet je de rest van de dag doen? Waar zijn de echte mannen? Plotseling zie je dan in de spiegel van een auto een vreemd zwanenhoofd. Dat is reuze opwindend. Uren kan je je daar druk om maken. En het is ook leuk dat er heel veel auto’s in de straat staan. Zo krijgt iedere spiegel, inclusief zijruit en portierdeur een lekkere beurt. Zo kom je die saaie weken wel door.

woensdag, maart 25, 2009

Zakenvrouw
















Driewerf hoera voor Meiny

Gisteren werd bekend dat Meiny Prins, Priva, is gekozen tot zakenvrouw van het jaar. Dat is een goed bericht, want de glastuinbouw heeft naar mijn mening een goede ambassadrice aan haar.

Toen Meiny tussen 1988 en 1993 bij mij in de klas zat had ze nog geen enkele aspiratie om bij haar vader het bedrijf in te gaan. Ze was bevlogen bezig een carrière op te bouwen als grafisch vormgever. Net zoals ik. Beiden hebben we die missie volbracht om vervolgens iets heel anders te gaan doen. Ieder op onze eigen manier. Die dynamische glastuinbouw trekt te veel aan ons.

Meiny doet het op haar wijze. Dat doet ze goed en eerlijk, voor zover ik haar ken. Het zal ook beslist niet voor niets zijn dat deze eer haar te beurt valt.

De top van de glastuinbouw is nog steeds een echte mannenwereld. Veel vrouwen schrikt die ‘vrouwonvriendelijkheid’ af. Ik zet dit bewust tussen aanhalingstekens. Zoals ik de tuinbouw ervaar is er veel respect voor kennis, of die nu afkomstig is van een man of een vrouw. Het is alleen een wereld waar niemand een blad voor zijn mond neemt. Daar moet je tegen kunnen.

Meer vrouwen hebben dit ontdekt. Ik kom ze steeds vaker tegen: vrouwelijke ondernemers, die met gedegen vakkennis weten waar zij mee bezig zijn. En misschien voegen zij nieuwe vaardigheden toe die de glastuinbouw goed kan gebruiken. Misschien? Ik weet het eigenlijk wel zeker.

Dus Meiny, doe je best, meid! Laat de wereld weten dat we een sterke, vooruitstrevende en duurzame sector hebben, die heel veel uitdaging kent.

donderdag, maart 12, 2009

Kom in de Kas
















Wim van Delft, landelijk voorzitter Kom in de Kas:
‘Eén keer per jaar positieve publiciteit is een mooi resultaat’

Al ruim een decennium lang is Wim van Delft het gezicht van Kom in de Kas. Dit jaar beleeft hét jaarlijkse evenement van de Nederlandse glastuinbouw haar 32e editie. Ruim 30.000 uur vrijwilligerswerk in de regio’s, berekende hij eens voor zichzelf. Veertig dagdelen op jaarbasis vult hij daarvan zelf in. Omdat hij het zo graag doet. Omdat het moet.
Kom in de Kas achterhaald? Nee, niet mee eens.” Aan het woord is Wim van Delft, voorzitter van de landelijke open dag commissie. Een hele aparte en optimistische commissie binnen de gelederen van LTO-Groeiservice.
“Het evenement heeft een gevestigde naam. Het rendement is groot, ten opzichte van de gemaakte kosten. Zo’n kans moet je dus zeker niet aan je neus voorbij laten gaan. Ik zie het zo: de tuinbouw komt toch met enige regelmaat negatief in de publiciteit. Het weekend rond Kom in de Kas krijgt de sector eigenlijk altijd positieve aandacht van de landelijke media.”

Veel bezoekers, veel aandacht
Vorig jaar trok de open dag ongeveer 185.000 bezoekers, verdeeld over 24 regio’s in Nederland. Bezoekersaantallen zijn belangrijk, maar ook subjectief. Ze zijn sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Belangrijk is wel dat de aantrekkingskracht van het evenement door de jaren heen niet heeft ingeboet. En dat is toch bijzonder voor een open dag die dertig jaar geleden niet wezenlijk anders was dan nu.
Vond Kom in de Kas in de eerste jaren uitsluitend op zaterdag plaats, nu zijn sommige regio’s twee dagen open. Op die plaatsen is het op zondag drukker dan op zaterdag. Om die reden adviseert de landelijke commissie de regio’s twee open dagen te houden, maar respecteert natuurlijk de wensen en principes van de organisatoren.
Er is ook altijd lichte kritiek geweest op dit evenement, omdat het voornamelijk tuinbouwminnend publiek trekt. De organisatie heeft er echter alles aan gedaan om dat te veranderen, maar dat is nauwelijks gelukt. Van Delft: “Ik denk eigenlijk dat we niet alle mensen binnen willen hebben. We moeten reëel zijn. Iemand die anti-tuinbouw is komt toch niet. Het zijn vooral geïnteresseerden die komen. Wij moeten als organisatie ook tevreden zijn met het feit dat we veel aandacht krijgen in de kranten.”

Centraal aansturen
De voorzitter en zijn open dag commissie ondersteunen vooral de regio’s die het eigenlijke werk doen. Zo wordt bijvoorbeeld de publiciteit centraal aangestuurd, waarbij ieder gebied zijn eigen persbericht krijgt. Landelijk vestigen radiocommercials de aandacht op deze manifestatie.
Bij de centrale aansturing hoort ook een reglement, waarin de rechten en plichten zijn omschreven. Het is altijd de bedoeling geweest om een niet commercieel evenement op te zetten, dus houdt de voorzitter de vinger aan de pols.
Een altijd wederkerende vraag en gevoelig punt is de verhouding tussen glastuinbouw en andere bedrijven binnen een regio. De ene regio heeft bij wijze van spreken maar te kiezen tussen glastuinbouwbedrijven, de andere regio heeft meer gemengde bedrijven, zowel glastuinbouw als andere agrarische bedrijven. Van Delft is daar duidelijk over: “Een boerenbedrijf kan een verrijking zijn in een route, maar als deze bedrijven de overhand krijgen is het geen Kom in de Kas meer.”
De voorzitter bezoekt met enige regelmaat de deelnemende gebieden om met de regionale organisatoren te overleggen over de invulling. Op de open dag zelf doet de HAS anoniem in vijf regio’s onderzoek naar de organisatie en de ervaring van bezoekers. Zo wordt bijvoorbeeld gekeken of de regio’s afspraken met sponsors nakomen. “We kunnen natuurlijk niet tolereren dat er bijvoorbeeld vlaggen hangen van concurrenten van onze sponsors”, vindt Van Delft.

Nieuwe technieken
De toenemende schaalvergroting speelt Kom in de Kas wel parten. De kleinere bedrijven, die juist voor het evenement aantrekkelijk zijn, nemen in aantal af. De open dag is juist een visitekaartje voor de tuinbouw, dus blijft het zaak om bezoekers nieuwe technieken te tonen. Nieuwe tuinbouwgebieden zijn dus eigenlijk ideaal voor de open dag, maar soms te uitgestrekt of te eenzijdig.
Van Delft: “Gelukkig zijn er nog genoeg gevarieerde gebieden, die voldoende te bieden hebben.
De verdere professionalisering van de tuinbouw is een feit.”
Hij vervolgt: “In onze meerjarenvisie hebben we aangegeven ook graag op andere momenten van het jaar onze manifestatie onder de aandacht te brengen. De opening van een nieuw glastuinbouwbedrijf kan zo’n moment zijn. Vaak wordt er toch al een open dag gehouden voor toeleveranciers en genodigden. Ik zou graag stimuleren dat een dergelijk evenement een extra tintje krijgt door ook omwonenden uit te nodigen onder de vlag van Kom in de Kas. Daarmee helpen bedrijven mee aan positieve publiciteit voor onze sector. Daar willen we ze graag bij ondersteunen.”

Onder glas, maart 2009

Aquarel

















De kinderen van Chris

Opeens een mailtje van Chris uit Amerika: 'Pieternel, wil je onze kinderen nog een keer schilderen? Mijn vrouw is binnenkort jarig. 'Poeh, ik moet er echt tijd voor vrij maken tussen de verhalen door. En rust vinden. Schilderen is een proces waarbij je jezelf eerst leeg moet maken. Dus afgelopen weekend trok ik mij terug met verf en penseel. Eens kijken of het me weer zou lukken. Het blijft een super spannende opgave om portretten te schilderen. Lukt het wel of niet? Een streek te veel en urenlang geduld is voor niets geweest. Auqarel is toch wel het meest moeilijke medium om mee te werken, maar wel het meest uitdagende.

Gorti Fair


HORTI FAIR
RELATIEDAGEN


Exhibitionmanager Horti Fair Relatiedagen Ditte Ooms:
‘Natuurlijk hebben we ambitie om uit te groeien tot dé nationale vakbeurs’

Half maart is de première van de Horti Fair Relatiedagen in Rotterdam. Alle ogen in het vak zijn gericht op deze nieuwe beurs, die zich een plaats wil verwerven binnen de tuinbouw. De nieuwe formule moet zich nog bewijzen, maar Ahoy beschikt wel over grote ervaring en een professionele organisatie. Ditte Ooms verwacht dus veel van dit nieuwe geesteskind.
Na jarenlange ervaring met de vakbeurs AGF Totaal, in 2007 opgevolgd door de vakbeurzen InnoFresh en FreshTec, staat er een nieuwe vakbeurs op het programma van Ahoy Rotterdam. Van 16 tot en met 18 maart zijn hal drie en vijf van Ahoy gevuld met tuinbouw gerelateerde exposanten. Ditte Ooms, exhibitionmanager van de Horti Fair Relatiedagen, weet dat de tuinbouwsector uitkijkt naar deze beurs. Ze noemt het ‘een eigen feestje, zonder dat de hele wereld toekijkt’.

Horti Fair Relatiedagen
Ditte Ooms noemt de Horti Fair Relatiedagen Ahoy het resultaat van een samenloop van omstandigheden. Met het verhuizen van de Tuinbouw Relatiedagen van Rijswijk naar Gorinchem ving Ahoy reacties op vanuit het vak dat er in het Westland geen vakbeurs meer plaats zou vinden. Het mag duidelijk zijn dat de ambiance van de Tuinbouw Relatiedagen de afgelopen jaren de harten van de Nederlandse ondernemers heeft gestolen.
De band tussen het Westland en het Rotterdamse Ahoy is altijd sterk geweest. Ahoy was bereid om de haalbaarheid van een eigen tuinbouwevenement te onderzoeken. Toen bleek dat de tijd rijp was voor een nieuwe nationale tuinbouwbeurs en bovendien bekend werd dat Horti Fair Amsterdam zich ook aan het oriënteren was op een nieuw nationaal evenement, was de link snel gelegd.

‘Nu of nooit’
Horti Fair Amsterdam is uitgegroeid tot een internationaal fenomeen, waarbij deze organisatie ook daar behoefte zag ontstaan naar een evenement op nationaal niveau in het hart van de belangrijkste tuinbouwgebieden. “En dan is het beurzenwereldje erg klein”, vertelt Ditte. “De ontwikkelingen liepen gelijk op en de link was snel gelegd.” Overleg tussen de Amsterdamse en Rotterdamse organisaties leverde een nieuw beursconcept op, waarbij Ahoy naamslicentie verkreeg en zodoende de Horti Fair Relatiedagen kon organiseren.
Het tijdstip om de aftrap te geven van een nieuwe vakbeurs was dus niet geheel toevallig. “Nu of nooit”, noemt Ooms het. “Op het moment dat de organisaties het met elkaar eens waren was het een kwestie van een paar weken om de beurs op de rails te zetten.”
In juli 2008 werd het concept gelanceerd en in de markt gezet. En in maart is het al zover. Exact een maand na Tuinbouw Relatiedagen Gorinchem. Dat is een korte tijdsspanne, maar Ooms heeft daar geen moeite mee. “Wij denken dat dit het juiste moment is. We zullen straks zien of we dat goed hebben aangevoeld.”

Bewijzen
Op dit moment vindt de verkoop van de laatste stands plaats. De beurs is bescheiden van opzet, omdat het de eerste keer is. Toch was het niet echt moeilijk om de expositieruimte vol te krijgen. Er zijn inmiddels ruim 200 exposanten, die in totaal 222 units met een oppervlakte van 9 tot 20 m2 bezetten. “Ik vind dat eigenlijk een prima resultaat voor een eerste editie. We moeten ons nog helemaal bewijzen met deze beurs. Dit jaar willen wij ons visitekaartje afgeven”, meent Ooms, die er zin in heeft. “Het is altijd leuk om iets nieuws in de markt te zetten en te zoeken naar gemeenschappelijke belangen.”

Full service formule
Hoewel de namen overeen komen stopt verder iedere vergelijking tussen de internationale Horti Fair en de Horti Fair Relatiedagen. Ahoy werkt met een full service formule, inclusief standbouw, cateringfaciliteiten en parkeerabonnement.
Ooms: “De stands zijn klein, waardoor de exposanten geen plaats hebben voor een bar. Dit nemen wij van hen over. Exposanten presenteren zich hier dus op andere manier dan op de Horti Fair. Geen uitgesproken eigen presentatie, maar een eenvoudig, functioneel concept waaraan ze minimale voorbereiding hebben.
Exposanten ontvangen van ons uitnodigingskaarten die ze aan hun relaties versturen. Onze ervaring met andere vakbeurzen heeft namelijk uitgewezen dat de bezoekers in de praktijk toch even langs gaan bij een standhouder die hen een uitnodiging heeft gestuurd. En daar gaat het toch allemaal om. Wij verkopen eigenlijk geen standruimte, maar contact met de bezoekers.”

Registratie
Ook de bezoekers krijgen een totaalpakket aangeboden. Met een uitnodiging in de hand zijn ze vrij om de beurs te bezoeken en consumpties te nuttigen. Alleen voor het parkeren moeten ze tien euro betalen, maar ze krijgen vijf euro korting als zij zich vooraf registreren als gratis bezoeker via de site.
Ooms is er van overtuigd dat een goede bezoekersregistratie iets zegt over de kwaliteit van de beursorganisator. “Wij hebben als organisator de verplichting om de exposanten betrouwbare cijfers te presenteren. Ik wil graag bij de realiteit blijven. De tijd is voorbij dat we riepen: we hebben er zoveel gehad. Onze standhouders moeten achteraf wel kunnen beoordelen wat ze aan deze beurs hebben gehad.”

Nationale vakbeurs
De Horti Fair Relatiedagen moet een jaarlijks terugkerende beurs worden. Veel standhouders hebben er voor gekozen om dit jaar zowel in Gorinchem als in Rotterdam present te zijn. Of er uiteindelijk plaats is voor beide evenementen hangt sterk af van de resultaten en de bezoekersaantallen van beide evenementen.
Ooms relativeert de concurrentie tussen Gorinchem en Rotterdam. “Uiteindelijk beslist de markt of er plaats is voor twee beurzen. Ik wil vooral een goede beurs neerzetten waar het vak baat bij heeft. Dat is mijn uitgangspunt.”
Of de Horti Fair Relatiedagen uit zullen groeien tot dé nationale tuinbouwbeurs is in haar optiek een te vroeg gestelde vraag. Dat moet de tijd uitwijzen. Ooms glimlacht: “Als je die ambitie niet hebt, dan moet je er niet aan beginnen. Beurzen zijn emotie. Kom vooral kijken en oordeel zelf.”

Onder Glas, maart 2009