zondag, juni 29, 2008

Talencursus
















Talencursus voor agrariërs
Het woord ‘broeierij’ kan je niet in het Pools vertalen


In Nederland verwachten we dat buitenlandse arbeidskrachten liefst zo snel mogelijk onze taal oppakken. Waarom niet andersom?, vindt de cursusleiding van het Clusiuscollege in Hoorn, en biedt daarom talencursussen aan. Pools leren is leuk, laten enkele cursisten weten. Ze willen er mee door gaan.

Het is muisstil in de klas als Agnieszka Steur aanwijzingen geeft via haar Powerpoint-presentatie. Ze toont een schilderij van een beroemd Pools kunstenaar en aan de hand van de afbeelding vertelt ze over de zon en de seizoenen. Onderwijl vraagt ze haar leerlingen wat herfst en lente in het Pools is. Die buigen zich over hun boek en geven gretig antwoord. De stemming is goed en serieus. En dat is logisch, want Agniezka praat bevlogen over haar vaderland en haar leerlingen zijn gemotiveerd.
Als de thermoskan koffie in de kantine rond gaat komt het gesprek op gang. Op dit moment heeft Agnieszka vier leerlingen. In de eerste cluster van het seizoen waren dat er nog zes. Deze kleine groep heeft besloten om zich verder vast te bijten in de moeilijke stof, want dat is het. “Het is voor Nederlanders absoluut één van de moeilijkste vreemde talen om te leren”, vertelt Agnieszka. “Het is eigenlijk voor Polen makkelijker om Nederlands te leren dan andersom.” Haar leerlingen beamen dit. Toch schrikt dat de leerlingen niet af. Ze hebben allen belang om de basisbeginselen van het Pools te leren. Zeker nu er steeds meer Polen naar Nederland komen die geen Duits spreken. Communicatie op de werkvloer wordt dus steeds moeilijker.

Motief
Johan Marbus is akkerbouwer in Rijsenhout. Met grote regelmaat krijgt hij Polen over de vloer. Hij rijdt dus iedere dinsdagavond naar Hoorn, omdat hij het belangrijk vindt om wat Pools te kennen. Naast hem zit Johan Teel, medewerker van leliebedrijf Oriental in Andijk. Hij werkt jaarrond met Polen en heeft hetzelfde motief als zijn buurman. Maurice Reus werkt op het familiebedrijf Reus Holland BV in Lutjebroek. Dit bedrijf is gespecialiseerd in teelt, broeierij en export van tulpen. Hij heeft misschien nog wel het meeste belang bij de cursus, omdat zijn vriendin Poolse is. “Als ik in Polen ben weet ik tenminste of ze over me zitten te kletsen”, zegt hij. De mannen lachen.
Agnieszka zelf woont nu negen jaar in Nederland en studeert Slavistiek in Amsterdam. Naast haar studie en gezin vindt ze het leuk om les te geven. Ze start deze cursus volledig vanaf de basis. Het is niet de bedoeling dat haar leerlingen het Pools perfect kunnen schrijven. Het is met name het leren lezen en de conversatie, die centraal staan. Een praktische invulling, die het meest past bij het uitwisselen van informatie op de werkvloer.

Moeilijk
He heeft even geduurd voordat de eerste cluster van start ging. Pas in februari had het Clusiuscollege voldoende cursisten bij elkaar om te beginnen. Hoewel het allereerste begin moeizaam verliep gaat het inmiddels veel beter. Johan Teel: “Het lezen gaat nu wel goed, maar de uitspraak is erg moeilijk.” Nu de cursisten hebben geleerd welke uitspraak bij welke letter hoort – heel anders dan in Nederlands – gaat het al veel beter. “Verstaan is veel makkelijker dan spreken”, voegt Maurice toe. “Maar dat geldt eigenlijk voor elke taal”, vindt Agnieszka. Het Pools is een Slavische taal. Nederlanders hebben over het algemeen minder moeite met Germaanse of Romaanse talen. De grammatica en zinsopbouw is heel anders. Maar als je eenmaal door hebt hoe het werkt valt het eigenlijk ook weer mee.
Huiswerk doen de cursisten ook, maar de hoeveelheid is beperkt. Veel stof wordt in de les zelf behandeld. Het ligt er ook een beetje aan hoe fanatiek je bent.
Agnieszka vertelt onder de les veel over haar vaderland en de cultuur. “Er zijn gewoon verschillen in cultuur tussen Polen en Nederlanders. Ik probeer daar ook iets over te vertellen. Het is een onderdeel van communicatie, waarbij je elkaar leert begrijpen.” Dat stukje wordt ook zeer op prijs gesteld door haar cursisten. Overigens weten zij al veel, want ze werken allen al jaren samen met Polen.
Aangezien het Clusiuscollege agrarische opleidingen verzorgt is het ook logisch dat in de talencursussen ook aandacht wordt besteed aan agrarische termen. Agnieszka behandelt dus ook een lijst van vaktermen. Niet ieder Nederlands woord heeft echter een Poolse vertaling. Maurice: “We hebben nog geen goed Pools woord kunnen vinden voor ‘broeierij’. Een woord dat bij een tulpenteler uiteraard vaak op de tong ligt.
De groep is heel klein, wat door ieder als groot voordeel wordt ervaren. De lessen zijn heel individueel en intensief. Bovendien houden de mannen elkaar wel scherp. En net als op het eigen bedrijf staan ze direct op als de pauze voorbij is. Verder met het hoofdstuk over de seizoenen.

(VAKWERK, 27 JUNI 2008)

Brandnetels
















Bob Crébas:
‘OVER BRANDNETELS MOETEN WE NOG VEEL LEREN’


De weinig populaire brandnetel kan de komende jaren uitgroeien tot een belangrijke leverancier van minder milieu belastende textielvezels. De familie Crébas combineert onderzoek naar brandnetels met genieten in de natuur. Brennels Buiten verbindt en verbroedert zonder prikken.

Een zoete geur van akkerbloemen, waarvan Kamille nog de meest herkenbare is, hangt boven de polder. Rond het paviljoen met meubels van sloophout verrijst een duinlandschap. Een strand, een beachvolleybal-terrein, een jeu de boule-plaats en een theater wordt omgeven door velden wuivende brandnetels. Met lange stappen beent Bob Crébas langs de onlangs aangelegde heuvels, kijkend naar de beplanting op het terrein. Hij wijst: “Hier moeten mensen straks kunnen genieten van de simpele schoonheid die de natuur biedt. Een ontmoetingsplaats voor gelijkgestemden. Zonnen, zwemmen, eten, drinken, kletsen en vooral muziek maken.”
De man, die zijn geesteskind Marktplaats voor een duizelingwekkend hoog bedrag aan eBay verkocht, maakt niet de indruk dat hij op zijn lauweren wil rusten. Wat Crébas en zijn mensen hier hebben opgezet houdt het midden tussen een bedrijf dat in de toekomst rendement moet maken en het realiseren van een jongensdroom, waarbij het goede leven en zorg voor het milieu hand in hand gaan.

Milieu
Crébas vertelt hoe hij enthousiast werd voor de teelt van brandnetels als grondstof voor textiel. Het idee waaide over vanuit Duitsland, waar ook goede brandnetel selecties beschikbaar zijn. “De teelt en productie van katoen is heel erg vervuilend. Naast veel chemische bestrijding gebruikt die teelt enorm veel water. Zelfs de biologische teelt geeft nog te veel milieubelasting. Ik heb daar moeite mee”, zegt de man wiens hart uit gaat naar recycling van gebruiksvoorwerpen en verstandig omgaan met moeder aarde.
De brandnetelteelt is veel minder belastend voor het milieu. Hoewel de groeikracht van deze plant berucht is, gaat de teelt ervan niet vanzelf. “Onze proef in Litouwen zie ik de mist in gaan. In Tsjechië gaat het beter”, vertelt Crébas. “Het klinkt misschien gek, maar je moet liefde voor dit gewas hebben. Ik kom er achter dat we nog heel veel moeten leren.”
Crébas gebruikt brandnetelselecties die drie meter hoog worden. De stekken, afkomstig van de topjes van het brandnetelgewas, worden beworteld bij een plantenkweker. Na het planten blijft het gewas acht tot tien jaar staan. In tegenstelling tot de wilde soortgenoten, die woekeren dat het een lieve lust is, zaaien deze brandnetels niet uit. Prikken doen ze nog wel.

Pionier
Brandnetels telen is pionierswerk. Crébas werkt samen met onderzoekers in binnen- en buitenland, zowel op gebied van teelt als verwerking tot textiel. In augustus gaat het mes in de metershoge planten en het brandnetelstro blijft een aantal weken op het land liggen. In die periode weken de vezels op een natuurlijke manier los van de bast, het zogenaamde roten. Daarna worden de stengels tot balen geperst en opgeslagen.
Het hele verwerkingsproces van de vezels was eigenlijk al in de middeleeuwen bekend, maar dat wil nog niet zeggen dat het automatisch vertaalbaar is naar hedendaagse processen. Crébas: “We proberen verschillende methoden uit. Het is de kunst om mooie, soepele vezels over te houden. De reststoffen willen we verwerken tot viscose. 80 tot 90 procent van de plant bestaat namelijk uit bast en daar willen we ook wat mee doen.”
De verkregen garens worden vermengd met andere grondstoffen, bijvoorbeeld katoen. En voor de geruststelling: dan prikken ze niet meer.

Kleding
“Maar dit zijn allemaal technische problemen waar we wel uit komen”, vervolgt hij. “Het markttechnische verhaal begint dan pas, want wie wil kleding dragen van brandnetels? Nee, dat zijn niet de alternatieven, hebben we geleerd. Het zijn moderne mensen, ouder dan 25, die van de natuur houden en casual kleding dragen. Na enig zoeken hebben we onze kledinglijn afgestemd op die groep.”
In de winkel op het terrein van Brennels kunnen bezoekers de brandnetelcollectie bewonderen en kopen. Eerder is in Arnhem een kledingzaak geopend met dezelfde naam, waar naast het eigen merk ook kleding van andere merken hangt. Alles met een duidelijk milieuvriendelijk stempel.
Sinds mei kan iedereen op Brennels Buiten kennis nemen van de brandnetelteelt. Voor Bob Crébas is hiermee een droom in vervulling gegaan. Midden in de natuur kunnen mensen genieten en ontspannen, het liefst begeleid door een stevig stukje muziek. Ieder weekend staan er bands op het podium of in het open lucht theater. Bob zelf houdt een oogje in het zeil, maar wil nu een boek schrijven, een CD met zijn band opnemen en nog zoveel meer.
Maar wat doen die Russische MIG en die SAR helikopter daar op het terrein? Bob: “Ook dat is een voorbeeld van hergebruik na beëindiging van de koude oorlog. Die helikopter gebruiken we nu als vergaderruimte.”

Brennels Buiten
Brennels Buiten in Kraggenburg is een dagrecreatiepark en brandnetelplantage van 48 hectare. Brennels is opgezet door de familie Crébas, die eerder actief was met kringloopketen Het Goed en Marktplaats.nl.

Agrarische kalender ABN AMRO Bank, juli 2008

maandag, mei 12, 2008

Zacht fruit


Discussie voeding- en gezondheidsclaims komt op gang

ALLEEN EEN DOKTER MAG ZEGGEN DAT ONZE PRODUCTEN GEZOND ZIJN


Het gebruik van voeding- en gezondheidsclaims is in Europees verband aan strenge regels gebonden. De groenten- en fruitsector hanteert nog geen claims, terwijl dat eigenlijk wel een grote wens is. De gezondste groep van producten loopt tegen de grootste hindernissen aan. Hoe toon je aan dat er in zit wat er op staat?

De Japanners lopen voorop als het gaat om gezonde voeding en doen veel moeite om die boodschap te brengen. Op primetime tonen zij op televisie een voorlichtingsfilmpje over de gezonde inhoudstoffen van broccoli.
Afgelopen winterseizoen maakte de BBC een zeer toegankelijke documentaire-reeks met de titel ‘The truth about food’. Een serie, die aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en bijna vermakelijke clipjes, aantoont hoe belangrijk de consumptie van verse groenten en fruit voor onze gezondheid is. Binnen ons taalgebied was de serie uitsluitend via het Belgische Canvas te volgen. De Nederlandse publieke zenders bleven tot op heden achter.
Met de gebruikelijke promotiecampagnes lukt het in Nederland nog steeds niet om consumenten de gewenste 150 tot 200 gram groenten en 200 gram fruit per dag te laten eten. Verre van dat. Negatieve berichtgeving over twijfelachtige vitaminegehaltes in groenten lijkt makkelijker opgepakt te worden dan positieve berichtgeving, getuige de 169 reacties die binnen kwamen op de site van Telegraaf, naar aanleiding van op zijn minst discutabele berichtgeving in ’s lands grootste ochtendkrant.
Toch ontstaat de laatste jaren bij een groep koplopers binnen de samenleving het besef dat er een belangrijke relatie is tussen voedsel en gezondheid. Niet voor niets werd vorig jaar het Convenant Overgewicht afgesloten, tussen Overheid, bedrijfsleven en een groot aantal maatschappelijke organisaties. ‘Consumenten zijn zich wel degelijk bewuster geworden van het belang van gezond eten en bewegen’, schrijft voortrekker Paul Rosenmöller in zijn voorwoord. In het Convenant staat te lezen dat 54% van de Nederlanders een logo op gezonde producten toe juicht. De tijd lijkt dus rijp voor een nieuwe benadering.

Voedsel- of gezondheidsclaims
Rob Baan van Koppert Cress teelt op zijn bedrijf kiemplantjes, die hun weg voornamelijk vinden in het culinaire circuit, maar bovenal erg gezond zijn. Veel van zijn innovaties haalt hij uit het verre oosten. Hij is voorvechter van voeding- en gezondheidsclaims op verse AFG producten en heeft zichzelf de missie opgelegd om groenten en fruit het juiste gezonde label mee te geven.
Met een nimmer aflatende bevlogenheid spreekt Rob Baan de ene groep na de andere toe. Hij laat zijn kleine planten proeven en wijst ze op één belangrijke Japanse wijsheid: ‘Niet alleen lang leven, maar gezond oud worden. Dat doe je door gezond te eten.’ Baan laat zien welke stoffen groenten en fruit bevatten en dat ze een heilzame werking hebben. Toch zit hem één ding dwars: “Ik mag gezonde producten telen, maar alleen een dokter mag zeggen dat het goed is voor je gezondheid.”
Eigenlijk wil Baan te snel. Hij spreekt van gezondheidsclaims, die je alleen mag voeren als er voldoende uitgebreid klinisch onderzoek is gedaan, waarbij is aangetoond dat bepaalde stoffen in voeding een gunstig effect hebben op de gezondheid. Onderzoek wijst inderdaad richting bestrijding van kanker en diabetes, maar is dat ook werkelijk te herleiden naar die broccoli of die frambozen? Dat bewijs komt mondjesmaat naar boven, maar vraagt ook nog veel onderzoek.
Pascal van Delst van Bestf3(Best Fresh Functional Food) vindt de echte gezondheidsclaims in eerste instantie nog een stap te ver, hoewel zijn organisatie Bestf3 ook daadwerkelijk actief is om hier draagvlak voor te vinden. Van Delst denkt dat het beter is om in eerste instantie in te zetten op voedingsclaims. Onder voedingsclaims valt het weergeven van de bioactieve stoffen op de verpakking. Op zich al ingewikkeld genoeg.
Van Delst: “Praten over ernstige ziekten ligt enorm gevoelig. Je kan veel beter benadrukken hoe belangrijk de vitamines in verse producten zijn. Op dat gebied is nog zoveel winst te boeken. Als wij werkelijk kunnen aantonen dat AGF-producten de stoffen bevatten die ook op de verpakking zijn aangegeven zijn we al heel ver. Vooral de borging van die inhoudsstoffen is belangrijk.”
Deze discussie ligt politiek gevoelig, beamen beide heren. Van Delst: “Neem nu lycopeen in tomaten. Als je spreekt over de preventie tegen prostaatkanker, die bijna is aangetoond door onderzoek, dat is dit moeilijk bespreekbaar. Praten we over cosmetische zaken als preventie tegen zonnebrand –ook aangetoond- dan verloopt de discussie ineens veel vlotter.”
Momenteel is de NEVO-tabel (Nederlandse Voedingstabel) van de Consumentenbond het enige instrument dat inzicht geeft in bepaalde inhoudsstoffen van verse groenten en fruit. Deze geeft een globaal overzicht per product, maar het is bekend dat er onderlinge verschillen zijn als gevolg van rassenkeuze en teeltmethode. De materie is dus erg complex en deze tabel zegt dus onvoldoende.

Concreet
In Europa is de EFSA(European Food Safety Authority) belast met het behandelen van de voedingsclaim aanvragen. Sinds de vernieuwde wet- en regelgeving in 2007 wordt deze organisatie overstroomd met aanvragen vanuit heel Europa, waarbij eigenlijk al duidelijk wordt dat de capaciteitsproblemen het hele proces ernstig vertragen.
Pascal van Delst verwacht dat de eerste voedingsclaims op de verpakking van AGF producten nog tenminste drie tot vijf jaar op zich laten wachten. Volgens hem zijn lycopeen (tomaten), sulforafaan (broccoli) en quercetine (appel, blauwe bes en ui) de voorlopers, waarna nog veel stoffen zullen gaan volgen. Concreet lopen er momenteel vier projecten, waaronder bosbes en broccoli en er komen er meer aan.
Bestf3 zet zich in voor aanvragen, die weer sectorbreed moet worden gedragen van zaadleverancier, teler tot afzetorganisatie. Van Delst: “Een aanvraag voor een claim is gebaseerd op een combinatie van rassenkeuze, teeltbeheersing en eventuele verder bewerking, zoals verpakken, opslag en transport.” Het gehalte aan gezonde stoffen kan namelijk veranderen bij bepaalde temperaturen en neemt af naarmate een product langer wordt bewaard. Aangezien verpakkingen ook iets over de minimale hoeveelheid gezonde stof komt te staan, zal de sector zowel met teelt- als bewaarrecepten moeten gaan werken.
Aan een claim hangt ook de borging van dit hele proces. Als de producten eenmaal een voedingsclaim dragen dan zal er ook steekproefsgewijs controle plaatsvinden. Verschillende afzetorganisaties zijn actief op het gebied van de aanvraag van voedingsclaims, maar vaak een deel van het traject. Bestf3 is tot nu toe de meest complete organisatie op dit specialistische vakgebied, die ook het onderdeel borging voor zijn rekening neemt.

Ondersteuning
Het is volgens Van Delst ook belangrijk dat Bestf3 nu ook ondersteuning krijgt van meerdere spelers in de markt, in plaats van alleen van de oprichters. Hoe breder de sector dit initiatief draagt, des te sneller dit belangrijke werk door gaat.
Het zal dus nog enige tijd duren voordat de eerste AGF producten met claim in het schap liggen. Een hele belangrijke stap vooruit, vinden Baan en Van Delst. Maar, met een gezond label alleen zal de consumptie van groenten en fruit niet omhoog gaan. Van Delst: “Ik verwacht dat pas als consumenten groente en fruit associëren met ‘fun’. En dat vraagt een andere aanpak van de sector.”

Best Fresh Functional Food
Bestf3(Best Fresh Functional Food) is een jonge organisatie die zich tot doel heeft gesteld om functionele voedingsstoffen transparant te waarborgen. Initiatiefnemers zijn Rob Baan, Mart Valstar en Ted van Heijningen. Zij zijn allen nadrukkelijk betrokken bij de markt van AGF producten en vinden het belangrijk dat er een goede onderbouwing komt voor functionele voeding.
Bestf3 werkt naar de situatie toe dat telers ook claims(voedingswaarde en/of gezondheid) kunnen verbinden aan hun producten.
Binnenkort gaat Bestf3 nieuwe leden werven, zodat het niet blijft bij een particulier initiatief, maar een sectorbreed gesteunde organisatie.


Interessante websites
Mooie consumentensite met allerhande informatie over gezondheidsaspecten van fruit, opgezet door de Belgische fruitveilingen Borgloon (EBURON) en TRUVAL.
Engelse consumentensite, boordevol gezonde informatie over bessen, ook voor kinderen.
Site van Best Fresh Functional Food. Hier vindt u ook verschillende internationale onderzoeken naar gezonde inhoudsstoffen.
Site van de BBC documentairereeks ‘The truth about food’. Bekijk vooral eens een paar clipjes uit de serie.
Site van Koppert Cress, producent van lekkere en gezonde kiemgroenten.

(Nieuwe Oogst, 25 april 2008)

Bramen



Bramen laten zich niet zomaar sturen

Als je een echte mooie, forse braam proeft, dan bestaat de kans dat die is gegroeid bij Pippel in Haaften. Dit bedrijf is met recht bijzonder, omdat de familie Pippel bijna jaarrond vruchten van een goede kwaliteit kan leveren. Zij kozen voor een klein gewas en groeiden uit tot echte specialisten.

Lente in de Betuwe. Bijen en hommels zoemen ijverig langs duizenden bramenbloempjes in de kas van Bert-Jan en Corine Pippel. De eerste bramen kleuren diep zwart. “Proef eens”, zegt Bert-Jan. Hij geeft een enorme glanzende dikke braam die verassend fris en zoet smaakt. “Dit is ‘Loch Tay’, een braam die snel op smaak is. Anders dan ons hoofdras ‘Loch Ness’. Als de vruchten daarvan zwart kleuren, dan moeten ze echt nog een paar dagen hangen om goed door te rijpen.
Bramen plukken is een kwestie van goede timing. Ben je te vroeg, dan smaken ze zuur en pluk je geen kilo’s. Ben je te laat, dan zijn ze kwetsbaar en sneuvelen ze tijdens het transport.”
Bert-Jan heeft sinds 1995 veel ervaring opgedaan met de bramenteelt. Op dat moment kocht hij zijn fruitbedrijf aan, dat behalve appelbomen ook een kleine kas had. Een tijd lang beraadde hij zich op een nuttig doel voor deze kas, totdat hij zijn oog op bramen liet vallen. Die keuze is hem goed bevallen. De appels verdwenen en de braamstruiken ‘overwoekerden’ zijn perceel. Pippel Bramen groeide uit tot een bedrijf van formaat, uniek in zijn soort. Anders dan collega zachtfruit telers koos Bert-Jan bewust voor één gewas. Geen spreiding van risico’s door meerdere bessen te telen. Hij had een ander doel voor ogen: jaarrond bramen oogsten.

Bijna jaarrond
“Op dit moment zijn we in staat om bijna jaarrond aan de markt te zijn. Het is ons één jaar gelukt om maar zes weken uit productie te zijn”, vertelt Bert-Jan. Gebrek aan licht in het najaar is eigenlijk de beperkende factor. Na 15 oktober verloopt de bestuiving moeilijk. Pippel doet proeven met belichting, maar dat heeft nog niet opgeleverd wat hij ervan verwacht. “Bramen zijn soms moeilijk te sturen. Als je ze in de kas zet vertonen ze soms rare kuren”, gaat hij door. Zich erbij neerleggen doet hij niet, want hij gaat nog wat schuiven met plantdata van de buitenteelt en de teelt onder glas, zodat de producties elkaar nog meer naderen.
Jaarrond produceren heeft als groot voordeel dat Pippel zijn klanten altijd kan voorzien van verse bramen. Zijn afzet regelt hij via Fruitmasters in Geldermalsen. Met zijn bedrijfsomvang kan hij goed inspelen op acties, zoals bijvoorbeeld voor Marks&Spencers. En de veiling heeft weer andere zachtfruit soorten beschikbaar, zodat er toch een compleet pallet ontstaat.

Naadloos
Als de braamstruiken in productie komen kan Bert-Jan er ongeveer drie maanden van plukken. Met behulp van zijn ijverigste werksters, bijen en hommels, komt begin april de eerste teelt in de kas in productie. De plukkers rijden dan met oogstwagens over de buisrail tussen de struiken, die 1,60 cm uit elkaar staan. “Als we volop in productie zijn, dan ben je een hele dag met één pad bezig”, vertelt hij. Af en toe verdwijnt er zo’n lekkere braam in een mond, in plaats van in een doosje. Bert-Jan moet daar om glimlachen. “Daar stop je vanzelf mee, want je krijgt er op een gegeven moment echt wel genoeg van.”
Als de kasteelt op z’n eind loopt komen de struiken van de vollegrond in productie. Zo sluit de buitenteelt naadloos aan op het product uit de kas. Loopt de buitenteelt af dan gaat Pippel over op de regenkappen, om in de winter weer te eindigen in de kas. Zo heeft hij eigenlijk permanent één hectare waarvan hij moet plukken.

Kneepjes
Het zijn eigenlijk de kneepjes van het vak die er voor zorgen dat Pippel een kwalitatief goed product oogst en aan hoge opbrengsten komt. Het juiste tijdstip van oogsten is daar bijvoorbeeld één van. Een braam zwelt namelijk op het laatste moment op, waardoor het gewicht toe neemt. Verder is het juist aansturen van de teelt een gevoelskwestie, die Bert-Jan met vallen en opstaan heeft geleerd. Steeds weer uitproberen en kijken wat het resultaat is.
Hoewel hij in de opkweek nog enkele bestrijdingsmiddelen gebruikt zie je aan het aantal insecten in de kas wel dat Bert-Jan met biologische bestrijding werkt. “Ik heb heel veel geleerd van de glasgroentetelers die hetzelfde doen”, merkt hij op. Hij moet altijd bedacht zijn op een tripsaantasting, maar die is goed te bestrijden met roofmijten.
Langs het hoofdpad hangt hier en daar een klein vogelkastje. “Voor de koolmezen”, verduidelijkt hij. “Dat zijn graag geziene gasten, want die pikken alle rupsen weg.” Zo blijkt maar weer hoe natuur en cultuur hand in hand kunnen gaan.

Optimale productie
Bert-Jan en Corine Pippel hebben een bedrijf van ruim zeven hectare. De helft van het bedrijf is in gebruik voor opkweek van planten. De rest van het bedrijf is verdeeld in drie delen: één hectare glas, één hectare regenkappen en de rest vollegrond. Het uitgangsmateriaal is afkomstig van weefselkweek, om zo tot een optimale productie te komen. Het eerste jaar staan ze op het opkweekveld, het tweede jaar komen ze in productie. Afhankelijk van de kwaliteit van de planten besluit Pippel of hij ze daarna ruimt of nog een keer terugsnoeit voor hergebruik.
De planten in de kas en onder de regenkappen staan in containers. Alleen op het vollegrondsgedeelte staan ze rechtstreeks in de grond. Het hoofdras is ‘Loch Ness’. Op dit moment staat er een proef met ‘Loch Tay’.

vrijdag, april 11, 2008

Meerkoet































Nieuw leven

Tussen twee verhalen door glip ik naar buiten om een kopje koffie te drinken op het vlonder langs de sloot. En dan is het ineens lente. Terwijl mams haar laatste ei uit broedt jaagt paps alle eenden uit de sloot. Alleen onze geduldig wakende aanstaande vader zwaan is niet onder de indruk van zijn agressie.

maandag, maart 31, 2008

Zagers
















Kweek van zagers kan een grote vlucht nemen

Als het aan Bert Meijering ligt gaat de kwekerij van zagers in Nederland gouden tijden tegemoet. Zagers zijn bekend als aas voor de sportvisserij, maar je kunt er ook visvoer van maken voor de professionele garnalen- en viskwekerij. Het bedrijf Topsy Baits is al een eind op weg om die stap te nemen.
‘Hoe het allemaal is begonnen? Ik heb iets met water en beestjes’, vertelt Bert Meijering. Hij haalt zijn handen door een bak zagers (Nereis virens) en laat de glibberige wormen over zijn handen glijden. ‘Kijk, dit slijm beschermt ze tegen allerlei ziektes.’ In de hal staan bakken vol geoogste zagers te wachten op verdere verwerking. Buiten liggen de kweekvijvers in lange rijen in het gelid.
Meijering heeft zijn hobby in meer dan twintig jaar weten uit te bouwen tot een toonaangevende kwekerij, met veel know-how van de wormencultuur. Van vermeerdering, tot kweek, oogst en verwerking. Er zijn meer ondernemers gestart met de kweek van zagers, maar Topsy Baits is tot dusver de meest succesvolle.

Ondiepe vijvers
Meijering heeft ondiepe kweekvijvers ontwikkeld, die zijn opgebouwd uit kleine dammetjes met folie er tussen. Daarin ligt een laag van 15 cm zand, waarin de wormen leven. Boven het zand staat 30 cm zout water, dat wordt belucht. Aangezien de vijvers erg ondiep zijn heeft de kweker een eigen methode van beluchting moeten ontwikkelen, omdat de bestaande systemen zijn toegespitst op diepere vijvers.
Het seizoen begint in april als Bert zijn in eigen beheer gekweekte larven van een halve millimeter uitzet in de vijvers. In juli kunnen de eerste kleine wormen van ongeveer één gram worden geoogst.
De markt voor levend aas is erg seizoensgebonden. De rest van de wormen mag dus uitgroeien totdat ze groot genoeg zijn om in te vriezen. Die zijn dan geschikt als voer voor garnalen of vissen.
In de beginjaren werden de zagers met de hand geoogst. Inmiddels heeft Bert machines ontwikkeld om automatisch te oogsten. Deze machines trekken zichzelf naar voren door de vijvers. Dat oogsten gebeurt door de zandlaag los te spuiten, waarna de wormen los komen. Ze worden dan in trommels opgevangen, waarna zand en stukjes schelp weer kunnen bezinken. De geoogste zagers gaan vervolgens naar de verpakkingshal waar ze nog 24 uur in schoon water staan om in die tijd alle zand uit werpen.

Vriezen of drogen
In 1999 kwam Meijering in contact met een Arubaans bedrijf, dat op zoek was naar voer voor de kweek van gamba’s. Deze garnalen werden vanouds gevoerd met Amerikaanse wormen, die uitsluitend in het wild worden gevangen. Zo ontstond het initiatief om de zagers ingevroren te exporteren. ‘Dit heeft een nieuwe ontwikkeling in gang gezet. Inmiddels exporteren we bevroren zagers naar 28 landen’, vertelt Bert.
Engeland is een belangrijke afzetmarkt voor Topsy Baits. Daarom zette Meijering ook een zagerkwekerij op in Zuid-Wales. Samen beleveren ze de Noord Europese markt.
Bevroren zagers exporteren heeft zo zijn beperkingen. Bert: ‘Je exporteert voor meer dan 80% water. Bovendien is het een kwetsbaar product als het per vliegtuig wordt vervoerd, want het moet tijdens de reis bevroren blijven.’ Dit bracht Meijering op het idee om de zagers te drogen en te verwerken tot korrels. Samen met het Welsh bedrijf ontwikkelde hij korrels, die eigenlijk nog maar 1 tot 2% zagers bevatten en voor de rest bestaan uit plantaardig materiaal. ‘We hebben deze korrels gevoerd aan forellen en nu blijkt dat deze vissen het er heel goed op doen’, aldus Meijering. En dat is een veelbelovend resultaat.
‘Roofvissen als zalm en kabeljauw eten uitsluitend voer dat is gemaakt van visproducten. We hebben nu uitgevonden dat deze vissen onze korrels ook lusten en erop groeien’, gaat hij door.

Doorbreken cirkel
Als deze ontwikkeling doorzet, dan ligt er nog een wereld open voor Topsy Baits. De kweek van vissen, de aquacultuur, groeit al twintig jaar met bijna 10% per jaar. De productie van vismeel, de basis van visvoerproducten is stabiel. Zie hier een gat in de markt.
Bovendien doorbreekt Meijering met zijn vismeel vrije korrels ook de voedselketen van uitsluitend dierlijke oorsprong. Er zijn namelijk vele kilo’s vismeel nodig om één kilo zalm te kweken. Het is dus mogelijk vissen te kweken met overwegend plantaardig voedsel, wat de duurzaamheid van de aquacultuur bevordert. Een sprong vooruit, dus.
Bert Meijering verwacht dat veel akkerbouwers in de toekomst baat kunnen hebben bij de zagerkweek op laag gelegen stukken land, die door verzilting niet meer geschikt zijn voor de traditionele gewassen. ‘Als ik een rekensommetje maak, dan denk ik dat er ruimte is voor 2.000 tot 3.000 hectare kweekvijvers. Ik verwacht namelijk een goede afzet van de korrels op basis van gekweekte zagers.
Zover is het echter nog niet. Meijering probeert momenteel akkerbouwers te interesseren voor de zagerkweek. Bovendien heeft hij nog een harde dobber aan de plaatselijke overheden. Want, is de kwekerij van zagers nu een industriële activiteit of een agrarische? Daarover is het laatste woord nog niet gevallen. Meijering: ‘Als we dit met z’n allen willen dan zijn er geen moeilijke procedures nodig.’

Topsy Baits bv
Bert Meijering startte in 1984 met de kweek van zagers in een kleine vijver in Vlissingen. Zijn bedrijf Topsy Baits is sinds 1990 gevestigd op de huidige locatie in Wilhelminadorp. Inmiddels beslaan de kweekvijvers een oppervlakte van 17 hectare en produceert Topsy Baits 100 ton zagers per jaar. De wormen worden verkocht als levend aas voor de sportvisserij of bevroren als visvoer voor professionele viskwekerijen.
Topsy Baits heeft een joint venture met het Franse Normandie Appats (handel in wilde wormen) en het Welsh Dragon Baits.

zaterdag, maart 29, 2008

Heirloom aubergine

















Heirloom is hip

‘Dit noemen we de Heirloom-mix’, zegt Hans Verwegen van The Greenery als vanzelfsprekend als hij een mix van gemengde aubergine’s in flow-pack toont. ‘Heirloom?’ Ik reageer verbaasd.
Ruim een jaar geleden hoorde ik dat woord voor het eerst, in samenhang met een trend in de verenigde Staten. In het tomatenseizoen voeren supermarktketens als Wholefoods en Freshmarket campagnes met traditionele tomatenrassen en op Farmers Markets vinden de bont gekleurde, vaak vreemd gevormde vruchten hun weg naar de consument. Ze zijn erg populair, deze tomaten. Op mijn speurtocht vond ik de wonderbaarlijke Gary Ipsen (zie archief juli 2007), die er zijn levenswerk van maakt om oude tomatenrassen op te sporen, er zaad van te telen en te verkopen via Internet. Alles onder de naam Heirloom, letterlijk vertaald: erfstuk. Ik vond het interessant en legde het fenomeen voor aan een aantal tomatenexperts, onderzoekers, veredelaars. Zij reageerden op dat moment lauwtjes, matig geïnteresseerd. Het gaat tenslotte om een niche-markt.
Op dat moment begon ik te twijfelen of mijn enthousiasme voor deze trend wel gegrond was. Ik heb gewikt en gewogen, voordat ik het verhaal van Ipsen daadwerkelijk publiceerde. Uiteindelijk won mijn enthousiasme het van de twijfel. De daarop volgende maanden hoorde ik weinig reacties.
Dit najaar liep ik Leonie Hogendonk tegen het lijf. Zij vertelde me dat De Ruiter Seeds had besloten enkele Heirloom rassen in het assortiment op te nemen. Ik was aangenaam verrast. Even later zag ik op de websites van Eminent en Koppert Cress al Heirloom rassen staan, die onder de naam Inca tomaten het handelskanaal in gaan. Ze blijken al enkele jaren in de handel te zijn.
En dan nu de perspresentatie van telersvereniging Purple Pride, waar ook het woord Heirloom valt, alsof het nog nooit anders is geweest. Heirloom is dus hip, niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Nederland. Toch blijft het voor mij een raadsel dat dit fenomeen zo weinig aandacht krijg binnen het vak.

Tomaten
















Levenselixer voor yuppen
Met twaalf ietwat gesettelde veertig plussers staan wij in een kring rond onze jonge kok Jérome, die ons vanavond begripvol gaat begeleiden bij onze workshop ‘Italiaans koken’. Op de kaart staan welluidende Italiaanse gerechten als crostini met verse pesto, pizza, saltimbocca met tagliatelle, tomatensaus, gremolata, gekonfijte paprika’s en zabaglione van Marsala en amaretti’s toe.
‘Hoe kwam ik hier toch terecht’, vraag ik me even af. Het merendeel van het kookclubje is van het mannelijk geslacht, met Ralf Lauren overhemden en licht aangezet buikje. De dader is mijn immer goedlachse scharrelslager, die het gegoede Voorschotense publiek bedient van malse biefstukjes en ondertussen al zijn klanten een workhop aansmeert.
Naast mij staat een man met tweede huis op Zakinthos én 250 olijfbomen. Samen met een Bewuste Vader, die ’s avonds het eten voor zijn fulltime werkende ega componeert, kneedt hij een deegje voor de tagliatelle. Ik raak enthousiast als ik de pastamachine mag bedienen. Nooit gedacht dat ik nog eens met de hand reepjes pasta zou maken, na jarenlang in de supermarkt een doos met gedroogde inhoud weg te grissen.
Jérome laat ons een tomatensaus bereiden met verse basilicum. Dat stemt me optimistisch. Alleen de wat bleke pruimtomaten brengen me aan het twijfelen. Geen nood, een pakje Heinz tomatensaus brengt de oplossing voor het niet-rood probleem.
Als wij dan uiteindelijk aan tafel plaats nemen komt het gesprek als vanzelfsprekend op Hollandse tomaten. Ik spits mijn oren en luister toe. ‘Ja, die Hollandse tomaten smaken toch lang niet zo goed als de Italiaanse’, is de eerste voorzet. ‘Wasserbombe’, gooit mijn overbuurman op. Het begint bij mij een beetje te kriebelen op plekjes waar het normaal gesproken nooit kriebelt. Het moment nadert dat ik in moet grijpen.
‘Zijn die Nederlandse tomaten nu echt zo slecht, heren’, gooi ik op tafel. Mijn overbuurman schrikt een beetje van mijn opmerking. De man van de olijfbomen sputtert tegen. Hij blijkt op zijn Voorschotense thuisbasis ook een moestuin te beheren. ‘Nee, dan die tomaten van mij. Die zijn ’s zomers zo heerlijk’, weet hij te melden. Vanuit de rechtse hoek komt ineens de juiste voorzet: ‘Ik haal altijd Tasty Tom bij mijn supermarkt’. Ik trek aangenaam verrast een wenkbrauw op. Mijn disgenoten beginnen door te krijgen dat ik door mijn beroep enigszins gedeformeerd ben en vragen mij hoe het nu echt zit met ons Hollands product. Welnu, hier mijn kans om wat zaken recht te zetten in zoverre dit gezelschap nog open staat voor bijscholing. ‘Heren, we telen hier in Nederland prima tomaten. Eenderde behoort tot de categorie ‘smaaktomaten’ en die zijn echt heel lekker. De rest is gewoon goed en dient andere doeleinden, zoals salades of dit soort pastasauzen.’
‘Ja maar’, hoor ik de eerste tegenwerping. ‘We hebben hier vanavond met van die pakjes staan werken.’
‘Inderdaad’, geef ik grif toe. ‘Maar niet getreurd. Jullie hebben allemaal je dagelijkse portie lycopeen binnen gekregen en voor jullie, mannen, is dat van levensbelang. Het beschermt jullie tegen prostaatkanker.’ Stomverbaasd en met enige gêne kijken mijn beleefde toehoorders me aan. Of ze water zien branden. ‘Maar moeten we dan juist die gezonde verse Hollandse tomaten van jou niet eten?’ ‘Ja, die ook. Zoveel mogelijk, graag. Maar juist die gekookte sausjes zitten vol met jullie levenselixer.’ Dan is het stil. ‘Ziezo, die zit’, denk ik.
Die mannen in Voorschoten zullen dit lesje niet snel vergeten, denk ik. Dit lijkt mij ‘een stukje toegevoegde waarde’ aan een cursusje Italiaans koken voor belegen yuppen.

woensdag, februari 13, 2008

Agrarisch ondernemer
















Marco Klaver:
“Hoe blijf je als agrariër rationeel denken in zo’n emotioneel vak?”


De verkiezing tot agrarisch ondernemer van het jaar 2005 kwam voor Marco en Jeanne Klaver als een grote verrassing. Ruim twee jaar later vertelt Marco hoe zijn kijk op het ondernemerschap sinds die tijd is gerijpt.
Marco vindt zichzelf veranderd sinds de verkiezing. Dat het wel goed zat op hun akkerbouwbedrijf was hem allang duidelijk. Maar het zijn juist de erkenning en de waardering die een positieve wending hebben gegeven aan hun ondernemerschap. “Die bevestiging. Op zo’n moment komt er iets in je los”, herinnert Marco zich. “Als je dat vervolgens om kunt zetten naar ondernemerschap zonder jezelf te overschatten. Dat is de kunst.”
Op het bedrijf in Kraggenburg loopt de omgang met het personeel naar wens. Marco en Jeanne hebben zes vaste medewerkers in dienst. In het seizoen, als er lange dagen worden gemaakt, zijn het er acht tot twaalf. De werkdruk is er dan hoog. Marco relativeert dit. “We hebben het allermooiste beroep van de wereld, want we werken veel als het mooi weer is”, grapt hij. Toch heeft hij het werk zo georganiseerd dat er ook tijd blijft voor een privé-leven, een dagje uit met het gezin.

Verantwoordelijk
Marco en Jeanne hebben met behulp van externe adviseurs een kwaliteitszorgsysteem opgezet en daar een platte organisatiestructuur aan gekoppeld. Met de expansie van het bedrijf is de taakverdeling zo gekozen dat iedereen binnen de organisatie zijn verantwoordelijkheden heeft. Marco: “Jeanne en ik kunnen dat gewoon niet allemaal zelf. Als we niet delegeren, dan lopen we onszelf voorbij. Dat is in mijn ogen geen goed ondernemerschap.”
De akkerbouwer verwacht ook dat zijn werknemers hem de waarheid zeggen als dat nodig is. “Ik besef dat ik me dan heel kwetsbaar opstel. Ik krijg op zo’n moment heel wat over me heen. Dat was de eerste keer wel slikken, maar uiteindelijk voelt dat toch beter.”

Balans
Klaver heeft sinds zijn verkiezing een blik mogen werpen in de keuken van andere bedrijven, zowel agrarische als andere takken van het MKB. Hij vindt dat een verrijking voor zijn eigen functioneren en een persoonlijke ontwikkeling die hem meer in balans heeft gebracht.
“Toch denk ik dat er een wezenlijk onderscheid blijft bestaan tussen ondernemers in de agrarische sector en andere bedrijfstakken. Agrariërs zijn emotioneel verbonden aan hun geboortegrond, hun familiebedrijf. Het is een extra aspect aan het ondernemen dat bij andere bedrijven binnen het MKB vaak een minder prominente rol speelt. Marco: “Ben je bijvoorbeeld in staat om rationeel te blijven denken in een emotioneel vak? Dat zijn soms dilemma’s. Maar ik denk ook dat een goed ondernemer kracht put uit eigen twijfel. Je zoekt uiteindelijk toch naar een spiegel.”

Agrarische nieuwsbrief ABN AMRO Bank

maandag, februari 04, 2008

Waterbuffels































WATERBUFFELS ZIJN VRESELIJK AARDIG MAAR WEL KOPPIG

Waterbuffels en hun populaire melk zijn nog betrekkelijk nieuw in Nederland. Voor de boeren die voor deze bijzondere dieren hebben gekozen ligt er nog veel pionierswerk. De productie valt in het niets bij het traditionele melkvee en ze hebben een bijzonder gevoelig karakter. Het moet dus echt klikken tussen de boer en zijn vee.
“Nu de melkprijzen weer stijgen en de discussie rond melkquota verandert vragen mensen me wel eens of ik weer voor de buffels zou kiezen. Als ik terug kijk ben ik nog steeds positief over deze beslissing.” Aan het woord is Anne Jongsma, die terloops een kalfje streelt. “Deze staat altijd vooraan, terwijl de moeder eigenlijk maar schuw is. Zoiets verbaast me dan.”
Vraag aan Anne wat de overeenkomsten zijn tussen koeien en buffels en hij kan er maar een paar noemen. De rij van verschillen is veel groter. Anne groeide op tussen het melkvee van zijn vader, waarbij het fokken al snel zijn interesse had. Hij weet dus best waar hij het over heeft.
“Buffels zijn dieren die snel gestresst zijn. En in die toestand kunnen ze hun melk ophouden. Als ik bijvoorbeeld oormerken ga vervangen, dan doe ik dat vroeg op de dag. Anders laten ze zich ’s middags niet melken.” Hij schudt zijn hoofd. “Ze hebben ook meer ruimte nodig dan een gewone koe. Deze stal is geschikt voor 150 koeien, maar ik denk dat ik bij 130 buffels moet stoppen. Bij te weinig ruimte worden ze lastig tegen elkaar.”

Fokken
Drie jaar geleden wilden Anne en Teije hun eerste buffels in Italië gaan kopen. De Italiaanse buffels waren echter gevaccineerd en het Miniserie LNV gaf geen toestemming. Dus kochten de broers 112 drachtige buffels in Brabant. Met deze, nog niet zo homogene veestapel wilden ze gaan fokken. Deze dieren waren beschikbaar, omdat een buffel lang mee gaat. In Italië worden ze zo’n zeventien jaar lang aangehouden en kalven in die tijd dertien keer. Of dat in Holland ook gaat gebeuren, valt nog te bezien. De buffels produceren momenteel zo’n 2.000 liter melk, tegenover 8.000 liter van koeien. Anne verwacht dat die productie door fokkerij nog wel omhoog kan gaan. “Deze dieren staan nog erg dicht bij de natuur. Dat heeft als voordeel dat ze erg sterk zijn en een hoge weerstand tegen ziekten hebben. Erg weinig klauwproblemen, bijvoorbeeld. Ook de kalveren zijn erg sterk. Daarentegen komen ze al acht tot negen maanden na het kalven al droog te staan. Het melken gaat niet bepaald vanzelf. Veel dieren willen op hun eigen plaats in de melkstal staan. En is er iets anders dan anders, dan is de kans groot dat ze de melk niet laten schieten.”

Eigen stier
Anne kan er al bijna een boek over schrijven. De buffels laten bijvoorbeeld erg moeilijk zien dat ze tochtig zijn. Daarom is er permanent een eigen stier in de kudde. Zo heeft de boer een zorg minder. Toen hij enkele dames apart zette voor inseminatie met sperma van een Italiaanse stier, werden ze niet tochtig. Pas toen de muur tussen de hokken gesloopt werd en ze hun eigen stier weer zagen kwamen ze in de stemming.
Het is ook niet gemakkelijk vast te stellen of de dieren drachtig zijn, omdat controle door de dierenarts zo stressvol kan zijn dat ze het kalf kunnen verwerpen. Buffels vragen dus om een voorzichtige benadering.
Anne houdt de hoogdrachtige dieren niet apart. De kalveren worden gewoon in de kudde geboren, zonder hulp van de boer. “En dat is best bijzonder”, vindt Anne. “Alle dieren staan er omheen , maar ze zullen niet snel op een kalf trappen.” Vervolgens haalt hij zo snel mogelijk het kalf bij de moeder weg. Inmiddels blijkt dat de kalveren die bij Jongsma zijn geboren al veel rustiger zijn dan de dieren die destijds zijn aangekocht, omdat hij er zo intensief en rustig mee om gaat.

Pienter
Waterbuffels hebben een andere spijsvertering dan koeien. Het voer moet veel grover zijn. De buffels zijn slim en kieskeurig als het om veranderingen gaat. Als ze andere brokken krijgen dan merken ze dat direct. “Ik heb echt heel erg aan hun gedrag moeten wennen”, zegt Anne. “Het zijn vreselijk aardige dieren, maar wel erg koppig. Ze kunnen slecht tegen veranderingen. Ik vind het leuk dat ze zo snel leren. Ja, ze zijn machtig pienter. En dat maakt het voor mij weer wat anders dan routine.”
Hij glimlacht: “Toen ze voor het eerst naar buiten gingen zochten ze direct een plas water en modder op. Ja, ze kunnen zich verschrikkelijk vies maken. Daar ben ik dan niet erg blij mee. Maar ja, het zijn wèl waterbuffels.”

Waterbuffelhouderij De Wildhoeve
Anne Jongsma en zijn broer Teije begonnen ruim drie jaar geleden een waterbuffelhouderij in Nijeholtpade. Op het dichtbij gelegen melkveebedrijf, waar hun vader en oom de scepter zwaaien, waren maar liefst vier potentiële opvolgers. De familie Jongsma zocht dus naar een alternatief en vond dat in waterbuffels, waarvan de melk niet gequoteerd is.
In Nederland zijn momenteel negen professionele waterbuffel houders. De melk wordt verwerkt tot Mozarella kaas of ricotto. De melk van Jongsma gaat naar zuivelboerderij Arns in Zevenaar voor verwerking. De bedrijfstak is nog beperkt in omvang. Volgens Anne zou het goed zijn als er meer buffelhouders bij komen.

Aardbeien
















EEN CREATIEF WEEKEND

Heel af en toe gebeurt het wel eens. Even het schrijfwerk opzij schuiven voor de schilderskwast. En dan ontstaat er zo'n lekker mollig zomerkoninkje. Wie weet kom je deze paneeltjes nog een keer tegen als de opdrachtgever zijn aardbeien weer gaat aanprijzen op een beurs of evenement.

dinsdag, januari 22, 2008

Schaalvergroting
















Willem Snoeker van Interpolis ziet gezamenlijk belang met ondernemer
“Sector onderschat risico’s van schaalvergroting”


De schaalvergroting in de glastuinbouw heeft tot gevolg dat het onderwerp risicomanagement zich steeds vaker opdringt. De ondernemer en manager moet de continuïteit van zijn bedrijf veilig stellen, waarbij het verzekeren van de risico’s steeds complexer wordt. Is de verzekeraar nog wel verzekeraar of speelt hij steeds vaker de rol van adviseur?
Groter, hoger, breder. Willem Snoeker, sectormanager van Interpolis Agro, schudt zijn hoofd. “Onze kassen zitten qua glas in samenhang met constructie echt aan de grenzen van wat mogelijk is. Kijk alleen maar naar de dikte van glas, dat in de zeventiger jaren 4 millimeter was. Met de huidige glasmaten zitten we zelfs aan 3.8 mm. En toch is stormschade in jaren zonder extreme stormen voor Interpolis inmiddels niet meer de hoogste kostenpost. Schade door brand is het afgelopen decennium kostenpost nummer één geworden.
’s Lands grootste glasverzekeraar, met een marktaandeel van 80 tot 85%, maakt zich zorgen over de nieuwe risico’s bij grote projecten. Bedrijven van 30 hectare zijn geen uitzondering meer. Kassen, installaties en -waar het uiteindelijk om gaat- gewassen zijn kapitaalsintensiever geworden, waarbij de risico’s onevenredig zijn toegenomen. Dit kan er toe leiden dat risico’s dermate groot zijn geworden dat ze zonder aanpassingen moeilijker verzekerbaar en herverzekerbaar zijn of dat premies de pan uit reizen. Het beleid van Interpolis is daarom gericht op preventie en terugdringen van die risico’s. Door preventieve maatregelen te nemen kan een ondernemer zijn verzekeringspremie lager houden. De verzekeraar geeft daarbij praktische adviezen, maar verwacht uiteindelijk wel dat de ondernemer de eerste stap neemt door ook zijn belang van de gewenste maatregelen in te zien.

Dwingend advies
Welke rol speelt de verzekeraar als een teler nieuw gaat bouwen? Is het advies zo dwingend dat de ondernemer voor een bepaalde kassenbouwer moet kiezen? “Nee”, zegt Snoeker beslist. “Wij doen daar geen uitspraken over. Alle kassen voldoen inmiddels aan de daarvoor vastgestelde NEN-normen. Wel raden we de telers aan om hun bouwtekeningentekeningen aan ons voor te leggen, in een stadium dat ze nog zijn aan te passen. Dit vanuit de risicobeoordeling van het totale bouwproject. Eigenlijk nog voordat ze naar een bank stappen voor de definitieve financiering. Onze technische adviseurs kijken dan naar de praktische invulling ervan. Ze gebruiken daarvoor allemaal dezelfde Casta-berekeningstechnieken, modules die door TNO zijn ontwikkeld.
Anders ligt het voor het te gebruiken glas. De dikte zegt nog niet altijd alles over de kwaliteit. In veel gevallen adviseren we het duurdere geharde glas, vanwege het totale financiële belang per vierkante meter in relatie tot de totale bedrijfsomvang. Maar ook voor gehard glas geldt dat er kwaliteitsverschillen zijn.”

Premievoordeel
Het geharde glas, dat drie tot vijf keer sterker is dan gewoon glas, wint aan populariteit bij de telers. Sterker nog, de verzekeraar stelt soms als eis dit glas te gebruiken, in combinatie met iets smallere ramen in de gevels als een kas op een windgevoelige plaats staat. Het project is dan alleen onder deze voorwaarden te verzekeren. In andere gevallen kan het geharde glas een premievoordeel opleveren tegenover gewoon glas.
De hoogte van de kassen en de glasmaten hebben er voor gezorgd dat een ruit niet makkelijk te vervangen is. Juist het snelle vervangen van gesneuvelde ruiten kan voorkomen dat er grote gewasschade ontstaat. Snoeker: “In de praktijk zijn er telers die een eigen systeem hebben ontwikkeld om glas op een verantwoorde en veilige wijze te vervangen. Zo’n initiatief juichen we natuurlijk toe en nemen het mee in de uiteindelijke risicobeoordeling.”
De sectormanager schets de situatie van de afgelopen jaren, waarbij kassenbouwers niet altijd direct een ploeg beglazers beschikbaar hebben bij calamiteiten. Soms werken ploegen in het buitenland aan grote projecten of is de capaciteit tijdelijk onvoldoende. Bovendien komt daarbij dat de kans op persoonlijke ongelukken bij een reparatie in de hoge kassen alleen maar is toegenomen. Een dergelijke situatie baart hem zorgen.
“Dat is ook de reden dat wij weer om tafel zitten met de bekende rampendiensten. Samen met hen zoeken we naar een noodoplossing om kassen tijdelijk dicht te maken met bijvoorbeeld kunststof, zodat later in alle rust op professionele wijze kan worden gerepareerd door de kassenbouwer. Zo’n noodoplossing kan net het verschil maken dat een kostbare teelt gered kan worden”, vertelt Snoeker.
Een ander probleem is het veelvuldig toegepaste schermdoek. “Voeger viel glas gewoon naar beneden. Nu zie je dat soms tachtig procent van het glas na een storm in het schermdoek blijft hangen wanneer het dicht lag op het moment van de stormschade. Dit vallende glas zorgt voor een hele gevaarlijke situatie voor de hulp- en reparatiediensten. Eigenlijk is ons advies bij een naderende storm het schermdoek open te trekken (op pakket). Als er dan glasschade optreedt ligt het in ieder geval beneden. Ook belangrijk is dat je het scherm na de storm weer kan sluiten in een poging het gewas enigszins te redden.”

Brand
Een grote storm komt niet zo heel vaak voor. De laatste echte stormramp dateert van 1990. Een jaar dat Snoeker eigenlijk bewust niet opneemt in zijn schadeoverzicht. Hij laat zien hoe de schadeontwikkeling is geweest vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw tot nu. Toen was glasschade het grootste aandeel van de totale jaarschade, nu is dat brand.
De glasopstanden zijn tegenwoordig niet meer de grootste kostenpost per vierkante meter. Het zijn juist de technische voorzieningen als geautomatiseerde teeltsystemen, geavanceerde scherminstallaties en belichtingsarmaturen die de waarde per vierkante meter bepalen. Juist die materialen zijn of erg brandbaar of kunnen brand veroorzaken. Op megabedrijven adviseert de verzekeraar op zijn minst te gaan werken met compartimenten, zodat brand beperkt blijft tot één afdeling. Bovendien is het algemeen advies om met brandwerende materialen te werken. Op dit moment werkt Interpolis aan premiedifferentiatie om de toepassing van preventieve maatregelen verder te stimuleren en de premie nog eerlijker te berekenen.
Interpolis kan meestal wel achterhalen waar een brand is begonnen. Soms is dat heel duidelijk en in andere gevallen huurt de verzekeraar expertise in bij gespecialiseerde bureaus.
“Het is opvallend”, vertelt Snoeker, “hoe vaak een brand eigenlijk ontstaat door gebrek aan onderhoud van (elektrische) installaties en onachtzaamheid bij het installeren. Neem nu bijvoorbeeld een oudere kas, waar een nieuwe kas tegenaan wordt gebouwd. Dan moet de bedrading doorgetrokken worden naar de nieuwe kas. Soms houdt men dan geen rekening met rek en krimp in een kas, waardoor de bedrading gaat schuren. De rest laat zich raden.” Deze zaken krijgen soms onvoldoende aandacht bij een verbouwing, terwijl de rest juist weer goed is geregeld.

Onderkennen risico’s
Samen bedenken van goede oplossingen is eigenlijk het motto van de verzekeraar. Dat is ook van oudsher de insteekt van Interpolis, voorheen Hagelunie. “Dat betekent natuurlijk dat wij rendementen moeten draaien zoals iedere verzekeringmaatschappij. Het betekent ook dat wij steeds in gesprek treden met de sector, hun organisaties en banken. Daarbij roeren we aan wat de gevolgen en risico’s zijn van de areaalontwikkelingen. Het gaat nu zo snel dat ik me wel eens afvraag of we die nieuwe risico’s wel altijd voldoende onderkennen en of ze niet onevenredig toenemen.”
Rest de vraag welke rol de verzekeraar zichzelf toebedeelt. Snoeker: “Ja, dat is inderdaad een interessante overweging. De ondernemer blijft vrij in zijn keuze, maar we hebben natuurlijk een gezamenlijk belang. Ik denk persoonlijk altijd dat we verwantschap hebben. Iedere schade is gewoon kapitaalsvernietiging. Daar kunnen we niet omheen.”

Preventieve maatregelen
- Als u tijdelijk uit productie bent kan dit betekenen dat uw contracten met afnemers in gevaar komen. Bedenk alvast hoe u dit risico kunt voorkomen met preventieve maatregelen en als het toch gebeurt kunt afdekken;
- Naast de verplichte glasvoorraad kunt u alvast een plan bedenken om de kas met een tijdelijke reparatie te sluiten in geval de beglazingsploeg niet direct beschikbaar is;
- Preventieve maatregelen zijn veelal duurder dan de premieverlaging die het oplevert. Daarentegen weegt uw bedrijfsbelang en continuïteit veel zwaarder als u een schade kunt voorkomen;
- Niet alleen uw verzekeraar eist preventieve maatregelen, ook bij de vergunningaanvraag speelt dit een belangrijke rol;
- Verzekeren is maatwerk, toegespitst op ieder individueel bedrijf. Daarom is het zo belangrijk dat u tijdig contact legt met uw verzekeringsmaatschappij. U kunt meer informatie vinden op www.interpolis.nl/agro.

(Nieuwe Oogst, 19 januari 2008)

Aardbeien
















Jan Robben, vollegrondsaardbeienteler in Oirschot:
“Mannen houden van zuur, vrouwen van zoet”

“Dit jaar laat ik voor het eerst het hoofdras Elsanta vallen. Op mijn bedrijf heb ik inmiddels verschillende rassen staan, met ieder hun specifieke toepassing. Een banketbakker heeft bijvoorbeeld graag een wat zure aardbei tussen al dat zoets, terwijl een aardbei voor de losse consumptie zoet moet zijn. Ik heb gemerkt bij de huisverkoop dat mannen zich eerder vergrijpen aan de zuurdere rassen, terwijl vrouwen gewoon voor zoet gaan. Zo heb ik voor iedere doelgroep een andere aardbei.
Iedereen heeft kunnen lezen wat ik de laatste jaren zoal heb gedaan. Het begon met een cursus creatief denken, waaruit het concept van de ‘Strawberry tree’ is ontstaan. Met dat boompje heb ik inmiddels al veel meegemaakt, van modeshows met lingerie tot bijeenkomsten van het Europees Parlement. Het opent deuren die anders gesloten blijven. Ik kom daarmee op plaatsen waar ik mijn boodschap kan uitdragen: aardbeien moet je beleven, ervan genieten. Ik ben er van overtuigd dat onze kansen in die richting liggen.
De associatie tussen consumptie van aardbeien en het pure genieten is een ijzersterk punt van ons product dat we, wat mij betreft, niet genoeg kunnen benadrukken. Ik wil de mensen ook op nieuwe ideeën brengen. Aardbeien dips, zoet en hartig, aardbeien in chocola. Alles om aardbeien een bepaalde sfeer mee te geven van verwennerij.”

ABN/AMRO rapport Zacht Fruit

zondag, januari 06, 2008

Vleesetende planten













































EEN ZWAK VOOR VLEESETENDE PLANTEN

Kwekerij Carni Flora BV is een bijzonder bedrijf, dat op bescheiden schaal een enorm assortiment vleesetende planten voert. René van Kessel vond een gat in de markt met een product dat hem enorm fascineert. Planten die tot ieders verbeelding spreken.
Op tafel staat een klein plantje dat naar de naam Venusvliegenval luistert. René van Kessel strijkt met een pen langs de open staande blaadjes. Met een klap sluiten de blaadjes om de pen. René glimlacht: “Kinderen vinden die kleine happertjes fantastisch. Deze Dionaea klapt zijn blaadjes dicht als er een insect over heen loopt. Vleesetende planten spreken gewoon enorm tot de verbeelding. Ze groeien in de natuur op arme, moerasachtige gronden, waar ze insecten lokken die dienen als voeding.”
Van Kessel heeft niet te klagen over aandacht voor zijn kwekerij. Soms komt er een bus schoolkinderen op excursie en onlangs filmde de crew van ‘Nieuws uit de natuur’ een item voor hun programma. “We zijn nog op zoek gegaan naar insecten om het vangen in beeld te brengen”, vertelt hij zichtbaar geamuseerd.

Specialistisch
“Ik was boekhouder en had ervaring in de handel. Het zinde me niet om mijn hele leven achter de computer door te brengen en zo werd het idee voor deze kwekerij geboren. Samen met een vriend zag ik gewoon een gat in de markt,” vertelt René nuchter. Op de eerste kwekerij begonnen zij met tien soorten. Het assortiment groeide door de jaren uit naar veertig verschillende soorten, waarvan de Venusvliegenval nu de belangrijkste is.
Lopend langs de roltafels vol planten van uiteenlopende vorm en kleur wordt al snel zichtbaar hoe intensief en specialistisch dit bedrijf is. “Van sommige soorten heb ik een half tafeltje, van anderen 500.000 stuks”, vertelt René. Op het oog staat alles door elkaar, maar schijn bedriegt. Er is een opkweekafdeling, waar ook nieuwe selecties staan, een productieafdeling en een afdeling waar moerplanten koud staan. Tien mensen werken er fulltime aan zaaien, verspenen, oppotten, overpotten en verzendklaar maken. Alles is handwerk, met uitzondering van het oppotten.
Het feit dat René van sommige soorten maar een beperkte hoeveelheid planten heeft verraadt dat het hier om meer gaat dan hoge rendementen draaien. Sommige producten zijn nodig om het assortiment compleet te maken. Sommige soorten hebben weinig sierwaarde, maar zijn pas interessant als je ze van dichtbij bekijkt.

Klimaatzones
Het brede assortiment is afkomstig van verschillende klimaatzones. Zo heeft Van Kessel een ruim assortiment met bijzondere selecties Sarracenia (trompet bekerplant). Deze planten komen oorspronkelijk uit de Verenigde Staten en Canada. In dezelfde afdeling staat ook de uit het tropische regenwoud afkomstige Nepenthes (bekerplant), de uit Mexico afkomstige Pinguicula (vetblad) en uit onze eigen klimaatzone afkomstige Drosera (zonnedauw). Sommige soorten kunnen geen kou verdragen, anderen kunnen buiten en vorstperiode doorstaan. Volgens René geeft het weinig problemen om ze naast elkaar te telen. Ze groeien goed bij dezelfde temperatuur, waarbij de enige belemmering het gebrek aan licht is in de winter. De kas is daarom uitgerust met assimilatiebelichting.
Hoewel de planten gemeen hebben dat ze allen insecten lokken, doet iedere soort dat op eigen wijze. Sommigen kunnen hun blad dubbel klappen, anderen vormen kokers met lokstoffen, waaruit prooidieren niet kunnen ontsnappen. Soms is een kleverige stof op het blad voldoende als landingsbaan voor vliegend voedsel.
René toont enkele nieuwe selecties van Sarracenia. Deze planten heeft hij zelf gekruist. “Ik ben eigenlijk op zoek naar bijzondere kleuren en vormen. De rode kleur en tekening is bijvoorbeeld belangrijk”, vertelt hij. Als hij een veelbelovend exemplaar heeft gevonden laat hij deze vermeerderen via weefselkweek.
Kennis over de teelt heeft Van Kessel vooral opgedaan door zelfstudie en eigen ervaring. Vleesetende planten zijn overwegend zuurminnende gewassen die op arme, vochtige gronden groeien. Van Kessel heeft verschillende grondmengsels uitgeprobeerd die bij dat profiel passen.

Markt veroveren
Vanaf de eerste start van Carni Flora bleek de kwekerij succesvol en heeft snel een deel van de markt veroverd. Op de markt voor vleesetende planten zijn drie kwekerijen actief. Van Kessel biedt zijn planten vaak in gemengde trays aan, afhankelijk van de wensen van de klant. 80% van zijn planten gaat weg voor export naar Duitsland, Engeland en Frankrijk. Een klein deel van de afzet loopt via de veiling, de rest gaat rechtstreeks naar afnemers.
Op de vraag wie nu zijn planten koopt, denkt René even na. “Veel mensen vinden ze leuk. Er zijn natuurlijk liefhebbers, hobbyisten, maar het zijn planten die eigenlijk voor iedereen geschikt zijn. Ze vragen weinig onderhoud, alleen voldoende vocht. Ik zie ook dat veel kinderen er door zijn gefascineerd. Zeg nu zelf, ze zijn aantrekkelijk. Het zijn planten waar iets mee gebeurt. Er zit beweging in.”

Kwekerij Carni Flora
René van Kessel en Gerard van Dam startten samen Kwekerij Carni Flora in Aalsmeer op. Beiden hadden geen agrarische achtergrond, maar zagen in de teelt van vleesetende planten een gat in de markt. In 1994 begonnen ze op 2.000 m2 met de teelt van vleesetende planten. In 2000 bouwden ze een nieuwe kwekerij van 8.000 m2. Per 1 januari 2008 gaat René alleen verder door zijn compagnon uit te kopen.


Agrarische kalender ABN AMRO Bank

Winter
















WINTERWONDERLAND
Na dagen van mist en vorst breekt de zon door. Wat kan de winter mooi zijn. Ons bootje ligt in het ijs. Voetstappen van onze kat in de sneeuw.

dinsdag, december 18, 2007

Gebit
















Het gebit

De telefoon. “Ja, u spreekt met Co, de zus van Bep. U weet wel, Bep het medium.
Uw man was hier gisteren om een foto te maken van Bep.”
“Ja, dat heb ik gehoord.” (Manlief vertelde me al over het huisje in de Kooi, dat uit z’n voegen barstte van de kerstverlichting en in watten gehulde sneeuwlandschapjes.)
“Mevrouw, ik heb een vreemde vraag: Vanmorgen hebben we een gebit gevonden in de gang. Een ondergebit. En we weten niet van wie het is. Nu bel ik iedereen om te vragen...”
“Mevrouw, mijn man heeft al zijn tanden nog.”
“O. Ja dat kan.”
“Maar mevrouw, Bep is toch helderziende? Weet ze dan niet van wie dat gebit is?”
“U heeft helemaal gelijk, maar Bep heeft het een beetje druk. Ze geeft een cursus en dan kan ze zich hier niet op concentreren. Maar ik weet zeker dat ze er achter komt als ze er voor gaat zitten en een paar minuutjes dat gebit in haar handen houdt. Maar ja, ondertussen zit er dus ergens iemand zonder gebit en we willen dat het zo snel mogelijk bij de rechtmatige eigenaar terecht komt. Vandaar.”

Vaste planten
















Vaste planten teler Peter van Duin:
“Ik sta voor de kwaliteit van mijn assortiment”


Zaaien, wieden, rooien, zaaien, wieden, rooien. Dat is het levensritme van vaste plantenteler Peter van Duin en zijn vrouw Trudy. Samen hebben zij ervaring opgedaan met de teelt van vaste planten uit zaad. Een teelt die veel inspanning vraagt, maar wel resulteert in kwaliteitsproducten.
Het is zo’n loodgrijze druilerige dag, waarbij het wolkendek zo laag hangt dat de aarde er onder gebukt gaat. Zo’n dag die de uitgestrektheid van Noord-Holland nog eens benadrukt. Op het erf van Trudy en Peter van Duin is het glibberig. Achter de schuur zijn volop bouwactiviteiten. “Kijk”, zegt Peter, blauwe overall, groene kaplaarzen, “daar komt een nieuwe loods van vijfhonderd vierkante meter. Je ziet, we komen hier ruimte tekort met al die pallets vol handel.”
In de schuur werkt een groepje medewerkers gestaag aan de weegteller, waar ze iedere wortelstok in een bakje leggen om ze in vier maten op gewicht en aantal te sorteren. “Dat was in het verleden wel anders”, gaat Peter door. “Ik heb hier wat met het handje staan tellen.”

Niet spuiten
Peter van Duin teelt vaste planten uit zaad. Hij heeft zo’n vijftig tot zestig soorten staan, met als belangrijkste gewassen Akelei, Lupine, Stokroos en Echinaceae’s. Soms probeert hij wat nieuwe dingen, zoals bijvoorbeeld Verbascum of Malva, maar dat zijn slechts proefjes. Zijn zaad betrekt hij van Nederlandse zaadhuizen, maar ook steeds vaker uit het buitenland, zoals Duitsland. Trudy zoekt dat allemaal uit.
Zaad is in principe goedkoper uitgangsmateriaal dan stek. Bovendien rooit Van Duin door deze werkwijze meer planten van een vierkante meter. Toch zijn er niet veel telers die zijn voorbeeld volgen. “Je hoort ze wel eens zeggen; dat is verdraaid eenvoudig. Je zaait een beetje in het voorjaar en in het najaar oogst je mooie planten. Nu, zo is het niet. ’s Zomers zijn we altijd aan het wieden. Soms met z’n vijven, maar ook wel eens met twintig mensen tegelijk. Je begint soms met een perceel en als je dan om kijkt groeit het onkruid achter je weer even hoog.”
Als van Duin na half mei heeft gezaaid bestaat de rest van de zomer uit wieden. Onkruid spuiten is uit den boze met het kiemende zaad, dus schoffelt hij tussen de rijen met een schoffelmachine die hij heeft aangepast voor het schoffelen tussen de fijne plantjes. In de rij zelf moet het personeel onkruid uit trekken. En dat elf hectare lang. Het vraagt geduld om iedereen uit te leggen wat nu goede planten zijn en welke het onkruid. Vervolgens duurt het een week of vier tot zes voordat de planten zo groot zijn dat het onkruid minder kans krijgt, afhankelijk van het soort vaste plant. En hoewel een stokroos een behoorlijke bladpruik vormt duurt het toch verraderlijk lang voordat het zover is.

Op afroep
Vanaf september begint de oogst van de eerste vaste planten. Sommige soorten zijn dan al oogstbaar, maar anderen groeien nog door tot november. Peter oogst op afroep. Hij heeft ondervonden dat het de kwaliteit ten goede komt om een plant in de grond te laten zitten, in plaats van bewaring in een cel.
Van Duin levert veel aan exporteurs, inpakbedrijven en postorderbedrijven. Zijn planten gaan de hele wereld over, van het Oostblok tot Amerika en Japan. Hij spoelt niet. Dit gebeurt bij de afnemers. Het klantenbestand is zeer stabiel. Peter heeft dit door de jaren opgebouwd. “Mijn klanten willen een kwaliteitsplant. Die kwaliteit bereik ik door mijn manier van telen en door goed te sorteren. Zij zijn tevreden over de maatvoering. Ik krijg ook eigenlijk nooit iets terug”, aldus Van Duin. Over de prijsvorming is hij duidelijk: “Ik heb mijn eigen prijslijst en daar is doorgaans weinig discussie over.”
Zodra er een order binnen komt gaat hij het land op om te rooien. Dit gaat door tot in april, waarbij de laatste planten net van het land zijn verdwenen voordat er weer moet worden gezaaid. In de praktijk is de vaste plantenteler dus jaarrond druk aan het werk. Van lange regenperioden heeft hij niet veel last, omdat de zandgrond goed doorlatend is. “Het betekent alleen dat er iets meer zand in de kuubskisten zit, als ik in de schuur kom”, zegt hij lachend.
Vorst is wel een probleem. Dan vraagt hij zijn afnemers wat zij in die periode denken nodig te hebben, zodat hij voor de vorst een grote rooiactie kan inplannen. Dit om de klanten in de vorstperiode ook van dienst te zijn. “In mei gaan we altijd een weekje weg”, zegt Trudy, “maar dan moeten we onze klanten daarvan wel op de hoogte stellen.”
“Eigenlijk is zaaien, wieden, rooien en snel leveren alles wat ik doe. Maar dat doe ik wel heel graag”, zegt Peter voldaan.

Vanaf de grond opgebouwd
Peter en Trudy van Duin hebben een vaste plantenkwekerij in Schagerbrug. Zij hebben een perceel van één hectare in eigendom en huren er tien hectare bij. Peter teelt twee tot drie jaar op een gehuurd perceel, waarna een ander het weer huurt voor bijvoorbeeld tulpen. De zandgrond leent zich uitstekend voor de teelt van vaste planten.
Voordat Peter ondernemer werd was hij in dienst van de gemeente. Dertien jaar geleden besloot hij voor zichzelf te beginnen en bouwde zijn bedrijf vanaf de grond op.

(Vakwerk, november 2007)