donderdag, oktober 24, 2013

Telen over de grens


Tunesië, Marokko en Turkije

Nederlandse telers investeren nog niet massaal in high-tech in het zuiden


Op zoek naar producten die de jaarrond levering aan afnemers waarborgen of invulling geven aan ‘local for local? Steeds meer Nederlandse vruchtgroentetelers oriënteren zich op landen in de regio rond de Middellandse Zee. Snel gaat die ontwikkeling niet, want ondernemen in het buitenland vraagt inlevingsvermogen in de cultuur en grote inzet.

Twintig jaar geleden was Spanje ‘hot’. Een aantal vruchtgroentetelers, met name tomatentelers, heeft daar een locatie opgezet om hun winterproductie te waarborgen. Tegenwoordig zijn er nog maar een paar bedrijven over gebleven. De ogen zijn nu gericht op landen als Turkije, Marokko en Tunesië. Toch gaat het nu minder snel dan toen. Ondernemers zijn voorzichtig en niet iedere poging is succesvol.

Kennis inzetten
Teler Piet Zwinkels reist al meer dan vijfentwintig jaar over de hele wereld om de ontwikkelingen in de radijsteelt te volgen. Hij teelt en importeert radijs uit Spanje, Portugal en Marokko. “Ik ben altijd op zoek naar kustgebieden met zand”, legt hij uit. In 2010 heeft hij een joint-venture opgezet met een bedrijf in Egypte. “Daar kan ik momenteel niet veel mee”, legt hij uit. “Het gebied is politiek te onrustig en gevaarlijk.”
Zwinkels vindt het belangrijk dat de Nederlandse telers over de grens gaan en hun kennis lokaal inzetten. “Waar ter wereld ik ook kom, die technische vaardigheden van de Nederlanders zijn niet te evenaren. Wij kunnen anderen ondersteunen, want de trend naar ‘local for local’ zet door. De kennis die wij hebben verzameld, daar kun je geen hek om plaatsen. Die moet je uitdragen en te gelde maken.”
Zijn oud-buurman Peter Klapwijk van GreenQ denkt daar hetzelfde over. Hij ziet dat in gebieden die dicht bevolkt zijn glastuinbouwprojecten ontstaan. De producten uit deze kassen voorzien in een grote behoefte. Daar waar de welvaart stijgt, ontstaat vraag naar vers.

Gypsophila



Jan Duijndam leeft al vijfendertig jaar met Gypsophila
‘Het is gewoon een superbloem die overal tussen past’

Oubollig? Welnee, het is maar hoe je Gypsophyla verwerkt in bloemwerk, vindt Jan Duijndam. Hoewel er in Nederland niet zoveel gips meer staat als twintig jaar geleden is het een niet weg te denken snijbloem binnen het assortiment. Er komen nog steeds nieuwe rassen bij.

Het is hoogzomer in Noordwijk. In de kas van Jan Duijndam is de Gypsophila geoogst. Een nieuwe snee is onderweg. Buiten staat het veld vol met een wolk van bloemen. Terwijl de pinken in de naastgelegen weide nieuwsgierig staan toe te kijken oogst één van de medewerkers armen vol bloemen. Dat valt niet mee, want het bed staat boordevol takken, die allemaal door elkaar groeien. Duijndam lacht. “Je leert het snel, hoor. Het ene ras is gewoon wat voller dan het andere.”

Grote rage
Duijndam heeft in zijn leven al veel verschillende snijbloemen geteeld. Eind zeventiger jaren kwam Gypsophila op zijn pad en hij was daarmee meteen de eerste teler in Nederland. Hij teelde het gewas zowel in de kas als buiten.
In die jaren was Gypsophila een rage en de teelt maakte grote opgang. De combinatie van rozen met gips in gemengde boeketten was erg populair. Tegenwoordig vinden veel mensen gips oubollig, maar daar is hij het niet mee eens. Kwestie van goed combineren, vindt hij.
Gypsophila kwam destijds vanuit Israël naar Nederland. Ook daar wordt het gewas veel geteeld. De productie valt gunstig ten opzichte van de Nederlandse aanvoerperiode. In de winter loont het niet meer om hier gips te telen. Productie uit andere landen concurreert met het Nederlandse product. Zo zijn Kenya, Ecuador en Ethiopië de belangrijkste producenten. Het is dus logisch dat na de hype van de tachtiger jaren minder telers zijn overgebleven. De opkomst van de teelt in andere landen heeft het areaal in Nederland terug doen lopen tot vermoedelijk vijftien tot twintig hectare. Exacte cijfers zijn er niet.
Op dit moment zijn en zo’n dertig telers die Gypsophila telen. Duijndam kent ze allemaal, want hij blijkt ook leverancier van de planten te zijn.

Zware takken telen
In de schuur maakt een medewerker de geoogste bossen veilingklaar. Iedere bos wordt zorgvuldig nagekeken. “Soms kunnen we wat last hebben van trips”, legt de teler uit. Trips tast de bloemen aan. Als dat gebeurt loopt de prijs voor de klok snel terug. Het loont dus om de bossen goed na te kijken.
De prijs die het product voor de klok opbrengt ligt om en nabij de € 0,01 per gram. Het is dus zaak om zware takken te telen. In het voorjaar lukt dat goed onder glas. Na de oogst en het terugsnoeien van de planten volgt nog een tweede snee, maar er groeien minder takken terug en de productie daarvan ligt dus een stuk lager. De buitenteelt begint dan in juli.


Veel variatie
Buiten staan bedden die volop in bloei staan en bedden met planten die nog niet zover zijn. Er staan verschillende rassen, maar ook wat proeven met nieuwkomers. Ook de roze ‘My Pink’ staat er tussen, die volgens de teler het beste groeit in Nederland. “Dit is een aanwinst op het assortiment”, vindt hij.
In de jaren negentig kwam ‘Million Stars’ op de markt, een ras dat tot op heden nog steeds geliefd is om z’n vele takken met kleine bloemen. Daarop volgde andere rassen, zoals de middelgrootbloemige ‘Stella Maris’ en de grootbloemige ‘Xlence’, die het goed doet op de Oosteuropese en Russische markt. Al deze rassen zijn afkomstig van veredelaar Danziger die de bewortelde stekken levert.

Stek op pot
Nederlandse telers geven echter de voorkeur aan een plant in 9 cm pot. Dat bracht Duijndam op het idee om planten op te kweken voor zijn collega’s. In zijn kas laat hij de stekken in vier weken tijd uitgroeien tot een flinke plant.
“Het is een lange dag plant. Door ze te verduisteren kan ik een compacte plant telen die meer scheuten geeft”, legt hij uit. Half februari begint hij met oppotten. Het opkweekseizoen loopt door tot half juli. Van stek tot bloei neemt elf weken in beslag. De eerste oogst onder glas begint in mei, maar dat is een snee van ‘oude’ planten van het vorig jaar.
Naast het opkweken voor collega’s blijft hij ook zelf bloemen telen in zijn 4.000 m2 grote kas. Achter de kas ligt nog één hectare voor de buitenteelt.

Portugal
De import van stekken en de opkweek van planten bleef niet beperkt tot Nederland. “Zo’n 90% van alle stekken gaat naar Portugese telers, die Gypsophila telen voor de binnenlandse markt”, vertelt de teler die handelaar werd. “Ik heb ook klanten in Duitsland en Frankrijk. De stekken komen vanuit Israël aan met het vliegtuig. Vervolgens gaan ze in de vrachtwagen op transport naar de klanten. Samen met een collega bezoekt hij vier keer per jaar klanten om weer nieuwe orders binnen te halen. In het winterseizoen komen de stekken uit Israël, later in het jaar uit Kenya. Dit heeft te maken met de kwaliteit van het uitgangsmateriaal, dus stevige, harde stekken.

Afbouwen
Inmiddels heeft Duijndam de leeftijd bereikt om wat rustiger aan te doen. Een deel van zijn land is verhuurd aan een boer, die er zijn koeien laat grazen. Op andere stukken wil hij bomen gaan planten. “Ik wil er voor mezelf iets moois van maken”, zegt hij. “Met bomen en paden waar je kunt wandelen.” Hij houdt van tuinieren en wil daar straks meer tijd aan gaan besteden.



Zomerbloemen



Teler Louis Hoogervorst over intensieve molucellateelt:
‘Intensieve oogstperiode is een beetje saai, maar wel gezellig’

Dat je niet groot hoeft te zijn om met veel voldoening snijbloemen te telen bewijst Louis Hoogervorst uit Ter Aar. In de junimaand ligt de focus op molucella, een kleine, arbeidsintensieve teelt met goed rendement. Daarna volgen trachelium, pluischrysanten en in het voorjaar weer violieren.

Tien dagen lang is het flink buffelen bij kwekerij Leandros in Ter Aar. Op het 5.000 m2 grote bedrijf plukt Louis Hoogervorst voor de voet weg armen vol molucella. In de schuur maken zijn vrouw en een vriendin de bloemen veilingklaar.
Een frisse geur, die in de verte doet denken aan munt, komt je tegemoet. Dat is geen wonder, want molucella, ook wel ‘Klokken van Ierland’ genoemd, is een lid van de muntfamilie. Het gewas komt van oorsprong uit het Middellandse Zeegebied, met name uit Turkije en Syrië. Daar groeit het op droge vlakten. Dat verklaart waarom deze plant liever iets te droog staat dan onder vochtige omstandigheden.


Grote sierwaarde
Bij bloemisten is de groene Molucella erg geliefd om de sierwaarde. Er is eigenlijk geen gewas dat in de verste verte lijkt op deze eenjarige. Op de lange stengel, die hier en daar wat stekels heeft, groeien steeds opnieuw groene klokjes, waarin kleine, onopvallende bloemen tot ontwikkeling komen. Het rijpheidsstadium is meer afhankelijk van de steellengte en het aantal klokjes per steel, dan van het bloeitijdstip van de bloemen.
Naast het verwerken van verse bloemen in boeketten of solo in arrangementen zijn ze ook nog eens goed te drogen. Dan verkleurt de stengel van grasgroen naar strogeel.

Meerdere teelten
Hoogervorst teelt het gewas al vele jaren. Het past goed binnen zijn teeltplan van violieren, trachelium en pluischrysanten. Zijn bedrijf bestaat uit een deel kassen en een deel vollegrond. “Een gasaansluiting heb ik niet meer”, vertelt hij. “De kosten daarvan liggen te hoog voor mijn bedrijf.” In de 2.000 m2 grote kas staan dus gewassen die zonder verwarming groeien. In week zeven begint de teler met zijn eerste aanplant van violieren. Dan plant hij ook de eerste molucella. Een week later volgt het tweede deel.
De teelt van violieren duurt twaalf weken. Dat is korter dan die van molucella, die zestien weken duurt. Op het moment van de oogst zijn de violieren al weg. Dat is ook nodig, want in week 23 en 24 valt de oogst van de groene snijbloem. Genoeg om letterlijk en figuurlijk zijn handen vol aan te hebben.
In week negen, tien en elf plant Hoogervorst trachelium. De oogst van dit gewas valt na de molucella. Inmiddels heeft hij dan in week 20 tot en met 26 pluischrysanten geplant voor het najaar. Hoogervorst: “Begin juli zijn de zomerbloemen geoogst. Dan hebben we even rust. Begin augustus beginnen we met het pluizen van chrysanten.”

Hoge kiemtemperatuur
De teler laat zijn molucellaplanten opkweken. Het heeft enige tijd geduurd voordat hij samen met het opkweekbedrijf tot een goed resultaat kwam. De zaden kiemden tamelijk slecht. “Het was vreemd. Als ik de zaaigrond buiten op een hoop gooide begonnen in juli altijd zaden te kiemen die in het voorjaar niet boven de grond kwamen. Dat bracht me op het idee dat voor de kieming van dit gewas veel warmte nodig is”, legt hij uit. Toen het opkweekbedrijf een hogere kiemtemperatuur ging aanhouden was de opkomst veel beter. Het gaat inmiddels de laatste drie jaar veel beter.

 Liever droog dan nat
De teelt van dit gewas is eigenlijk niet moeilijk, vindt de teler. De planten groeien makkelijk weg, maar het is wel duidelijk dat het een warmte minnend gewas is dat liever droog dan nat staat. Botrytis is eigenlijk één van de weinige ziekten die er in voorkomt. Als de schimmel toeslaat dan is dat meteen een groot probleem, omdat de sierwaarde dan snel terug loopt.
Aangezien de teler niet verwarmt probeert hij de luchtvochtigheid omlaag te krijgen door te luchten en het gebruik van ventilatoren. Soms is een preventieve bespuiting nodig met Ronilan. De kritische periode is het moment dat de klokjes worden gevormd. Als dan een natte periode aanbreekt moet de teler extra maatregelen treffen.

Oogst spreiden
Ondanks het betrekkelijk kleine oppervlak probeert Hoogervorst de oogst zoveel mogelijk te spreiden. Dit doet hij door de eerste planting te toppen en de tweede niet. In de eerste oogstperiode oogst hij daardoor iets lichtere en kortere stelen dan in de tweede periode. “Als de oogst aanbreekt staan de stelen als ‘haar op een hond’, legt hij uit. Dan kan hij voor de voet op oogsten.
Het verwerken gebeurt vervolgens in de schuur, waar de meest intensieve handeling plaatsvindt. De sierwaarde van molucella zit in de klokjes, die schuil gaan achter de bladeren. De bloemen kunnen pas worden gebost als iedere stengel handmatig is ontdaan van deze bladeren. Pas daarna knipt Hoogervorst ze op lengtes van 80 tot 100 cm, afhankelijk van het aantal klokjes per stengel. Keurig in het gelid staan ze in emmers op water. De lange en zware sorteringen gaan naar FloraHolland Aalsmeer en de kortere bosjes gaan naar Plantion in Ede. Juist die kleine sorteringen zijn geschikt voor het mengen in boeketten.

Te intensief
“Eigenlijk is de hele oogst een saaie, maar gezellige campagne”, vindt de teler. “We zijn dan met z’n vieren tien dagen bezig met de oogst en verwerking.” Langer moet het ook niet duren, want daar is de arbeid veel te intensief voor.
Hoewel Hoogervorst geen opvolger heeft en de pensioengerechtigde leeftijd nadert, denkt hij nog niet aan stoppen. Het ritme van de teelten, met een pauze in zomer en winter, bevalt hem nog steeds. “Iedere morgen vroeg loop ik met veel plezier door de tuin en geniet van het gewas en de dauwdruppels die je dan aan de punten van de blaadjes ziet hangen.”



Nieuwe kasconcepten



Twee telers gaan DaglichtKas en ID Kas bouwen

Nieuwe kasconcepten broodnodig voor continuïteit tuinbouw


Twee tuinbouwbedrijven gaan de uitdaging aan om nieuwe kasconcepten op praktijkschaal uit te testen. Ter Laak Orchids in Wateringen wil een DaglichtKas gaan zetten, terwijl hemelsbreed vijftien kilometer verderop Duijvestijn Tomaten in Pijnacker de ID Kas gaat bouwen. De reden is eenduidig: omdat ze vooruit denken en willen leren.

De recessie heeft er voor gezorgd dat innovaties op gebied van kassenbouw langer op zich laten wachten dan wenselijk. De beperkte nieuwbouw van de afgelopen jaren is vooral voortborduren op bestaande ideeën met wat aanpassingen. Onderzoek van Wageningen UR Glastuinbouw heeft inmiddels verrassende resultaten opgeleverd. Nieuwe kasconcepten, die meer licht toelaten, verstrooien of bundelen, hebben tot doel op energie te besparen en teelten beter te laten renderen.
Technokas en Bode Project-en Ingenieursbureau zijn al geruime tijd nauw betrokken bij deze technische ontwikkelingen, legt Peter Zwinkels van Technokas uit. Ook Richard Ter Laak en Ted Duijvestijn stonden er met hun neus bovenop. Zij zien nu perspectief voor hun eigen teelten en motiveren hun keuze.


Commercieel uitrollen
Richard, die samen met zijn broer Edward het kloppend hart vormt van Ter Laak Orchids, heeft vergevorderde plannen om een DaglichtKas te bouwen. Drie jaar geleden bouwden zij hun nieuwe 8 ha grote bedrijf en ze waren van plan om de oude locatie van 4,5 ha af te stoten. Dat is uiteindelijk niet gebeurd.
Nu willen de broers de nieuwe locatie optimaliseren door er een stekafdeling aan te bouwen van 4.000 m2 met vakmaat 12,80 m x 4,50 m. Dat is meteen een mooie oppervlakte om de nieuwe kas op praktijkschaal commercieel uit te rollen.

maandag, mei 27, 2013

Jeugd in de tuinbouw



Beslissingen nemen als een echte tuinder
‘We laten de sexy kant van de tuinbouw zien’

Zelf sturen, zelf beslissingen nemen en fouten mogen maken. Hoeveel theorie je ook krijgt voorgeschoteld in de schoolbanken, het tuinbouwvak leer je pas echt in de praktijk. Sinds januari 2012 is het Horticultural Experience Centre, onderdeel van GreenQ Improvement Centre in Bleiswijk in bedrijf. Een paradijsje voor studenten die een tuinbouwopleiding volgen.

Het is maandagmorgen. Wesley van der Ende, Reinier van den Berg, Dave van der Ploeg, Alex van der Waal en Martijn de Zeeuw zitten om tafel. Zojuist hebben ze een kijkje genomen bij hun eigen komkommerteelt, die ze dit seizoen hebben opgezet en zullen begeleiden. Het is onderdeel van hun MBO-opleiding die ze aan de Lentiz Onderwijsgroep volgen. Vanmorgen zijn ze om 6.45 uur met een busje uit het Westland vertrokken om vervolgens de hele dag stage te lopen in Bleiswijk.
Drie van de vijf jongens hebben thuis een tuinbouwbedrijf, de andere twee houden niet van stil zitten en werken bij een tuinder. Het is een uniek stel, want zij hebben in tegenstelling tot veel jongeren goed door dat werken in de tuinbouw helemaal niet saai of suf is. Sterker nog: ze doen niets liever.

Vooral doeners
Hun docent Henk van der Sar neemt poolshoogte. Hij stuurt de jongens aan om vooral op tijd aan hun verslag te beginnen en alles wat hen opvalt vast te leggen. Hij kent zijn pappenheimers. Het zijn meestal geen schrijvers, maar vooral doeners. Jongens die het gevoel willen krijgen om zelf te telen. En ze hebben er lol in. Twintig weken lang geven ze leiding aan een project. Ze moeten zelf watergift, bemesting, klimaat, gewasonderhoud en oogsten regelen. Dat gaat 24 uur, zeven dagen per week door.
De groep heeft een iPad, die de studenten beurtelings mee naar huis nemen, zodat ze ook thuis weten hoe het klimaat in hun afdeling is. Via WhatsApp overleggen ze met elkaar wat te doen. Van der Sar: “Ze hebben hier de beschikking over klimaatapparatuur van verschillende leveranciers en belangrijker, ze leren hier omgaan met verantwoordelijkheid.”

Een compliment
In de afdeling tegenover de komkommers staan aubergines. Luc van den Bosch, Dion Sta, Ricardo van Antwerpen, René Bakker, Jacob van den Hoek en Dianto van der Lugt ontdekken de wondere wereld van een teelt die ze geen van allen van dichtbij kennen. Een teeltvoorlichter begeleidt hen wekelijks en zojuist hebben ze een compliment gekregen omdat het gewas er erg goed op staat. Alle gewashandelingen doen ze zelf, evenals het controleren van de biologische bestrijding.

Buddy-systeem
Sjoerd Nieboer, educatie coördinator bij GreenQ, heeft een programma in elkaar gezet voor deze studenten. Na het nalopen van hun eigen teelt gaat iedere leerling volgens een buddy-systeem mee met een medewerker van het centrum. Zo leren ze niet alleen van hun eigen teelt of project, maar steken ze tegelijkertijd ook veel op van de andere gewassen en bijbehorende proeven.
Nieboer probeert de studenten te motiveren door de leerstof naar hun eigen belevingswereld te brengen. Moderne communicatiemethoden via een tablet horen daar gewoon bij. “We laten de sexy kant van de tuinbouw zien, maar bovenal moet een tuinbouwopleiding kwaliteit bieden.”
In totaal lopen nu elf studenten van Lentiz Onderwijsgroep stage bij het centrum. Ook Edudelta Onderwijsgroep, Hogeschool Inholland Delft en Melanchthon Business School maken gebruik van de speciaal ingerichte kassen, die allemaal aparte klimaatregeling en een bemestingsunit hebben. Het initiatief kreeg de steun van het Ministerie van EL&I.

Meer kwaliteit
Dit project is geen overbodige luxe. De noodzaak is groot om het theoretische en praktische tuinbouwonderwijs goed aan te laten sluiten op de vraag van het bedrijfsleven. Docent Van der Sar: “Een goede teeltman is gewoon een topbaan. Daar zijn er veel te weinig van.”
Een feit is dat jonge mensen niet meer kiezen voor een tuinbouwopleiding, omdat ze denken dat het geen interessant vak is. Het tegendeel is waar, maar leg dat maar eens uit. Om het tij te keren is het dus hard nodig de opleiding aantrekkelijk te maken en meer kwaliteit mee te geven, afgestemd op het toekomstige ondernemerschap.

Begeleiding door telers
Het begeleiden van de eigen teelten van de studenten is ook voor de betrokken deskundigen een leerproces. Elk groepje studenten wordt nu begeleid door een teler die de teelt door en door kent. Eens in de week lopen ze samen door het gewas en geeft de teler aanwijzingen om het klimaat bij te sturen.
Dit vrijwilligerswerk werd vorig jaar nog ingevuld door vaders van studenten. Nieboer: “Dat werkte niet. Als meerdere ouders zich met de proef van hun kinderen bemoeien, ontstaat er verschil van mening. Net zoals dat in het echt ook gebeurt. Dat is lastig voor de studenten. Nu we dat hebben losgekoppeld gaat het veel beter.”
Een rondje langs de studenten levert enthousiaste reacties op. Ze vinden het veel interessanter om door eigen onderzoek teelttechnieken onder de knie te krijgen dan uren lang in de schoolbanken te zitten. Dave van der Ploeg is de enige leerling die op het eigen bedrijf komkommers teelt, net als in de proef. De vraag is natuurlijk of hij hier meer leert dan thuis. Met een stevige glimlach geeft hij een bevestigend antwoord. “Thuis is het toch anders. Daar beslist mijn vader. Hier mag ik zelf sturen met de klimaatregeling. Dat is een heel ander verhaal.”



donderdag, april 18, 2013

Tuinbouwcrisis


End of an Era

Veel tuinbouwbedrijven staan op omvallen. Terwijl het oorverdovend stil is, hangt een nieuwe crisis recht boven de kasnok van Neerlands landbouwtrots: boetes wegens subsidiemisbruik.

De voedingstuinbouw in kassen heeft vijf magere jaren achter de rug. 2011 gaat de geschiedenis in als rampjaar als gevolg van de Ehec-crisis die de sector honderden miljoenen heeft gekost. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt de zwaar noodlijdende tuinbouw nu ook geconfronteerd met vermeend subsidiemisbruik.

Ondernemers hebben hun focus gericht op schaalvergroting. Ze wilden hun kosten per kilo product verlagen. Dat joeg hun schulden op, maar zou hun marges redden. Om de leningen maalden ze niet. Lage rentes en banken die hen met graagte nog wat extra krediet verkochten lachten hen in de beginjaren van de 21e eeuw toe. Groei was bovendien lucratief door de liberalisering van de energiemarkt, waardoor tuinders met hun WKK (Warmte-kracht koppeling) hun uit gas geproduceerde elektriciteit konden gaan verkopen. Sommigen dachten op die manier duurzaam en slapend rijk te worden. Bedrijfseconomisch leken de plaatjes helemaal te kloppen. Het pakte anders uit.

Ruim één miljard GMO
Veelbesproken is de zogeheten GMO-subsidie die Europese telersverenigingen ontvangen. De afkorting heeft niets te maken met genetische modificatie, maar alles met samenwerking - 'gemeenschappelijke marktordening' - om tuinders te helpen een betere positie in de markt te veroveren. Sinds het ontstaan van deze subsidieregeling hebben de gezamenlijke telersverenigingen ruim één miljard subsidie aangevraagd, waarvan de helft in de afgelopen zes jaar. Je zou zeggen dat zo’n regeling de tuinbouwondernemers een stuk op weg moet helpen om de kwaliteit, duurzaamheid en voedselveiligheid van hun groenten definitief op de kaart te zetten.

Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) deed onderzoek naar de besteding van die gelden en kwam in november 2011 met aanbevelingen voor een Gemeenschappelijke Marktordening na 2013. De conclusies waren niet mals. De subsidies worden niet gebruikt voor het doel waarvoor ze bestemd zijn:

‘Nederlandse telersverenigingen besteden de GMO-middelen primair aan het milieu, de bevordering van de afzet, de kwaliteit en de duurzaamheid. De uitsplitsing van deze activiteiten leert dat er veel geïnvesteerd is in duurzame productiemiddelen. Daarnaast is het reëel om te veronderstellen dat een aantal van deze investeringen in duurzame productie en ander activiteiten ook had plaatsgevonden zonder GMO-subsidie, zij het wellicht op kleinere schaal. 
Er worden relatief weinig middelen gestopt in product- en merkenontwikkeling en marktontwikkeling. Dit komt mede doordat deze strategieën duur en risicovol zijn, de markt voor verse groente en fruit tot nu toe – mede dankzij keuzes van de sector zelf – een commoditymarkt is en er verticale concurrentie van supermarkten uitgaat (huismerken). Verder heeft de sector de neiging in hardware (stenen) te investeren en niet in software (nieuwe producten). De sector is nog altijd georiënteerd op de fysieke productie in plaats van de markt.’

Vette boetes
Het rapport rept over de tendens van verenigingen om zoveel mogelijk subsidie binnen te halen. Met die houding wekten ze de aandacht van handhavende instanties. Grootgebruikers van de GMO-regeling zijn telersverenigingen Coforta (The Greenery), FresQ, ZON en Van Nature. Daar waar twijfel is over de spelregels hebben verenigingen boetes opgelegd gekregen. Die houden in dat een deel van de subsidiegelden terug moet. Dat doet pijn, want door de slechte prijsvorming zijn er niet of nauwelijks liquide middelen. Veel bedrijven staan reeds op de rand van een faillissement.

FresQ
Met name telersvereniging FresQ, dat groot is in tomaten, komkommers, paprika’s en aubergines en opmerkelijk veel leden heeft met megabedrijven, is de laatste jaren onder vuur komen te liggen. Deze vereniging heeft een boete ontvangen van het Productschap Tuinbouw (PT) als uitvoerder van de GMO regeling, omdat er twijfel is over de uitvoering van de regeling. Samen met andere beboete telersverenigingen maken zij bezwaar. Hangende het onderzoek, willen zowel FresQ als PT niets over deze zaak zeggen. Het gaat om tientallen miljoenen euro's.
Ondertussen heeft deze telersvereniging nul op het rekest gekregen op hun nieuwe aanvraag van 22 miljoen GMO euro voor het jaar 2013, want het PT heeft hen geschorst als erkende telersvereniging. Dat is een grote tegenvaller. Afgelopen zaterdag heeft de algemene ledenvergadering van FresQ zelf maar besloten dat zij geen GMO erkende telersvereniging meer wil zijn. Of dat nog iets uitmaakt is onduidelijk. 

Het wordt de leden van FresQ, waarvan de ene helft aanspraak maakt op GMO-subsidies terwijl de andere helft zich daarvan distantieert, heet onder de voeten. Voor velen staat het water immers zonder de dreiging van boetes al aan de lippen. Vandaar dat het achter de schermen bijzonder onrustig is. Leden zeggen hun lidmaatschap op of willen dat doen. Er zijn ook ondernemers die nooit aan de subsidiekraan hebben gehangen of nog maar heel kort lid zijn. Zij vragen zich af of ze nu toch mede aansprakelijk zullen zijn voor boetes en terugvorderingen, terwijl grote profiteurs hen met de gebakken peren laten zitten. De situatie is chaotisch.

De mededeling van staatssecretaris  Dijksma dat tuinders persoonlijk risico lopen op terugvordering van GMO-gelden[/url] schept helderheid, maar maakt de zorgen er niet minder om. De staatssecretaris deelt een gevoelige klap uit naar een aantal inmiddels zeer grote bedrijven die hun grootte danken aan wat mogelijk straks 'misbruik van subsidiegelden' heet. Pikant is dat de banken die middelen hebben gebruikt als onderpand voor nog wat extra krediet. Als blijkt dat de regeling is misbruikt, hangt de bank mee.

NMa
De problemen voor FresQ stapelen zich nog verder op. Vorig jaar kreeg deze vereniging al een boete van 14 miljoen euro opgelegd van de NMa wegens vermeende prijsafspraken voor de verkoop van paprika’s met andere telersverenigingen. Dat is wrang omdat paprikatelers hun paprika's echt onder de kostprijs moeten verkopen omdat ... de uitbreiding van hun totaal aan bedrijven zoveel product oplevert dat het niets meer waard is. Als de aantijging van de NMa zou kloppen dan lijkt het op een wanhoopsdaad om zich te verweren tegen de 'inkoopmacht' van de retail. Zichtbaar begint echter te worden dat niet de inkoopmacht, maar het aanbodsurplus het probleem is. Waar de tuinbouw in 'software' (nieuwe en lekkerdere producten en meer toegevoegde waarde) had kunnen investeren en daarvoor riante subsidies ontving, hebben ondernemers geïnvesteerd in overproductie. 

Familie moet bijspringen
Ruim drie jaar na de uitgebreide discussies over de toekomst van de tuinbouw op Foodlog is het nog slechter gesteld met de tuinders. Ze hadden met behulp van GMO-subsidies kunnen werken aan bijvoorbeeld echte consumentenmerken, die hun groenten minder uitwisselbaar maken. In plaats daarvan zijn er na wat fusies zestien telersverenigingen ontstaan, waarvan de meesten een zo breed mogelijk productenpakket voeren en de retailers op hun wenken kunnen bedienen met perfect verpakte tomaten onder huismerk. Verenigingen zijn dus de concurrentie met elkaar aangegaan. De bank kijkt van de zijlijn toe, want het onroerend goed staat zwaar 'onder water', bankiersjargon voor een situatie waarbij gedwongen verkoop de hoogte van de lening niet meer uit het bedrijf laat komen. 

Drie jaar geleden concludeerde directeur Fred van Heyningen van Rabobank Westland dat eigenlijk een kwart van de bedrijven zou moeten afvallen, gezien hun financiële situatie. In die drie jaar is er geen behoorlijk prijsherstel geweest en heeft de sector een extra klap opgelopen door de Ehec-crisis. Tussen 2010 en nu hebben zo’n 200 tuinders de handdoek in de ring gegooid. Bij lange na niet het aantal dat eigenlijk had moeten stoppen om de markt op te schonen. De anderen hebben de buikriem aangehaald en teren ernstig in op eigen vermogen in de hoop dat het ooit beter wordt. Daar waar de bank niet meer wil financieren, springt familie bij. In vele gevallen zonder uitzicht op terugbetaling. 
Opmerkelijk genoeg zijn er ook handelsbedrijven die participeren in overnames, zoals in het paprikabedrijf van de familie Van Dijk in Harmelen. Zulke praktijken zijn allang geen incident meer. De tuinder wordt voorman-arbeider op zijn eigen bedrijf. De trots is geknakt. De motivatie om te ontwikkelen en een beter product te maken is eruit. Er wordt nog slechts geproduceerd. Tegen de klippen op zelfs, zodat het probleem intact blijft.

Cluster naar de kloten
De glastuinbouw was Nederlands parel aan de landbouwkroon. De bekende Amerikaanse managementgoeroe Michael Porter noemde juist de Nederlandse tuinbouw in zijn wereldberoemde boeken als het toonbeeld van een sterk cluster. Dat begrip staat voor een goed functionerende collectieve intelligentie van allerlei functies rond een industrietak. Die roem lijkt door subsidiemisbruik, onderlinge concurrentie, gebrek aan marktbesef, gebrek aan wil om collectief in te grijpen en jarenlang vergiftigend financieringsbeleid ten einde. Sharon Dijksma lijkt nu, net als haar partijgenoot Dijsselbloem in het bankwezen, de realiteit onder ogen te willen zien. Er zal flink wat afgeschreven, geleden en zelfs gesloopt moet worden. En Porter? Die moet op zoek naar betere voorbeelden van collectieve intelligentie. Het oude cluster blijkt naar de kloten.

 Foodlog, 18 april 2013.