dinsdag, juli 30, 2019

Onderwijs


Mensen veranderen en bedrijven zijn in transitie
‘Scholen en bedrijven vinden elkaar in verbeterde en digitale leeromgeving’

Er is geen weg terug. Er komt een generatie aan die zelf een leerpad wil kiezen en zelf bepaalt hoe en wanneer zij hun diensten aanbieden. Bedrijven in de tuinbouw zullen moeten leren hoe zij daar mee omgaan. Die flexibiliteit en creativiteit komt op meerdere plaatsen naar boven, als je de HR-managers van traditionele, maar zichzelf vernieuwende bedrijven spreekt. De digitale tuinbouwschool is in opkomst.

De goede man of vrouw op de juiste plek. Dat is een vraagstuk waar de glastuinbouw zich al sinds jaar en dag voor moet inspannen. Met een opgaande economie is de schaarste aan goede, gekwalificeerde medewerkers groot. Sjoerd Nieboer, zelfstandig trainer en parttime leercoach bij InHolland, beweegt zich tussen de wensen van jonge mensen in opleiding en bedrijven die zich inspannen om de juiste mensen aan te trekken.

Van vroeg tot laat
“Die twee sluiten niet altijd op elkaar aan”, legt hij uit. “Waarom kiest maar een beperkte groep studenten voor een carrière in de tuinbouw, terwijl er zulke mooie uitdagingen liggen? Het heeft soms te maken met beleving.”
De traditie van altijd hard werken heeft de tuinbouw groot gemaakt. In het productieseizoen is het werken van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de gewoonste zaak van de wereld. “En wanneer het druk is, dan zetten we er nog een tandje bij”, weet Nieboer, die zelf als puber een bijbaantje had en meeging in die energie. 
“Het is de heersende mentaliteit waar niets verkeerd aan is, die is meegenomen van ouders op kinderen vanuit een tijd dat de bedrijven nog overzichtelijk waren.” Die kleine bedrijven nemen echter in aantal sterk af en maken plaats voor middelgrote tot zeer grote bedrijven. Die transitie vereist een nieuwe blik op werkgeverschap en onderwijs. 

Flexibele deeltijdopleiding
Nieboer is betrokken bij de nieuwe flexibele deeltijdopleiding Tuinbouw & Agribusiness van InHolland, die inmiddels twee jaar draait. Hij heeft contacten met veel bedrijven in de sector, om het onderwijsaanbod goed af te stemmen. 
Bijzonder aan deze opleiding is dat studenten niet meer terug gaan naar de schoolbanken. Zij doen de opleiding grotendeels in de praktijk, op een bedrijf in de tuinbouwketen. Leren en jezelf ontwikkelen gebeurt dus daar waar de meeste ontwikkelingen plaatsvinden, aan de hand van een individueel opleidingstraject. Dat past in veel gevallen beter bij de persoonlijke wensen van jonge mensen.
Studenten behalen in een kort of langer traject een HBO-diploma. Onderweg worden zij regelmatig getoetst. Niet met schriftelijke tentamens, maar met intensieve interviews. Deze opleiding is bij uitstek geschikt voor mensen die al een baan hebben en zich verder willen verdiepen. “Je ziet dat wij als kennisinstelling moeten meebewegen met ontwikkelingen in de arbeidsmarkt. Wij zijn in transitie van school naar kennispartner voor bedrijven. Samen ontwikkelen we relevant onderwijs, afgestemd op de behoefte”, legt Nieboer uit. 

Meer managementkwaliteiten
Net als de school als kennisinstelling zijn bedrijven in transitie. Niet ieder productiebedrijf heeft al een HR-afdeling, maar deze specialisatie begint zich wel af te tekenen bij de grotere bedrijven. Miranda van Beek is HR-manager bij Opti-flor in Monster en voelt zich daar als een vis in het water. Toen zij vier jaar geleden in dienst trad was dat een nieuwe functie. Het orchideeënbedrijf heeft inmiddels zeven locaties en 300 medewerkers. 
Het bedrijf maakte in de afgelopen jaren een enorme groei door. Deze groei vraagt om andere kwalificaties van de medewerkers, die van laag tot hoog zijn geschoold. “Wij zoeken naar managementkwaliteiten bij onze medewerkers”, licht zij toe. “De vaardigheden die een manager van nu moet hebben zijn heel anders dan vijftien jaar geleden, dus zijn opleiding en bijscholing noodzakelijk.”

Verandering van tijdperk
Vanaf het begin is Opti-flor betrokken bij het World Horti Center in Naaldwijk, waar onderzoek, onderwijs en bedrijfsleven bij elkaar komen. “Wij vinden de samenwerking met scholen essentieel. Op deze manier zitten we dicht bij het vuur. Scholen moeten hun lesprogramma’s kunnen afstemmen op de behoefte van het bedrijfsleven”, vindt zij. 
“We zitten midden in een verandering van tijdperk. De wensen van mensen zijn heel anders dan in het verleden. Als bedrijf zal je daar in mee moeten gaan. Uiteindelijk gaat het er om dat taken worden vervuld, maar de manier waarop dat gebeurt kan op verschillende manieren. Digitalisering en automatisering zijn daarbij onontkoombaar. Het bedrijf verandert heel snel en moet daarom ook vooruitkijken naar de toekomst.” 
Van Beek vindt het belangrijk dat de tuinbouwopleidingen veel energie stoppen in scholing op gebied van digitalisering, automatisering en managementkwaliteiten. “Het is jammer dat het imago van de tuinbouw nog niet aansluit op de werkelijke identiteit”, vindt zij. “Want daardoor raken nog te weinig jongeren enthousiast voor deze branche.”

Kracht van binnenuit
Behalve het aantrekken van nieuwe krachten via MBO en HBO-opleidingen heeft Opti-flor aandacht voor de ontplooiing van eigen medewerkers. Van Beek: “Onze kracht komt van binnenuit. Dat beseffen we goed.” Daarom besteden ze veel aandacht aan de eigen medewerkers en hun behoefte om door te groeien. Er zijn meerdere ontwikkeltrajecten binnen het bedrijf, waardoor medewerkers kunnen doorgroeien naar teeltmedewerker, teamleider of een andere functie.
Twee medewerkers nemen inmiddels deel aan de flexibele deeltijdopleiding van InHolland. “Dat is een interessant traject, want sommige medewerkers vinden het niet aantrekkelijk om de hele dag in de schoolbanken te zitten. Op deze manier kunnen zij door ontwikkelen. De school biedt theoretische kennis aan en wij de praktische. Daardoor snijdt het mes aan twee kanten. Een mooie samenwerking die voor alle partijen tot het gewenst resultaat leidt”, besluit zij. 

Veel verschillende facetten
Bedrijven die wat verder in de keten opereren staan voor dezelfde uitdaging. Suzanna Stampraat is recruiter voor de verschillende bedrijven van handelsbedrijf Best-Fresh in Poeldijk. Deze groep heeft inmiddels 400 mensen in dienst, verdeeld over verschillende BV’s. 
“We hebben veel MBO’ers en HBO’ers in dienst”, vertelt ze. De medewerkers hebben een gevarieerde opleiding: van teelt, logistiek, commerciële economie, international supply chain tot agribusiness. “Ons bedrijf kent heel veel verschillende facetten. Het is een kwestie om de juiste mensen te vinden voor de juiste plaats.”
Stampraat bevestigt dat het niet meevalt om de juiste mensen aan te trekken. “Goede verkopers zijn nu eenmaal lastig te vinden. Bovendien zoek je mensen met hele specifieke kennis en vaardigheden, die belangrijk zijn voor deze dynamische branche. En heb je ze gevonden, dan moet je ze ook nog kunnen vasthouden.”
Het bedrijf heeft goede ervaringen met stagiairs. “Vaardigheden moet je grotendeels op de werkvloer leren. Gesprekken met klanten en daarbij proeven wat hun wensen zijn, dat leer je niet op school”, legt ze uit. “We hebben al snel door welke stagiairs het goed gaan doen. Jongeren met praktijkervaring, die al een relevante bijbaan hebben gehad, die pik je er zo uit. Die vinden sneller aansluiting bij ons team.”

Nieuwe competenties
Ook het handelsbedrijf is in transitie. De handelsketen verandert en het bedrijf speelt daar op in om van toegevoegde waarde te blijven. Stampraat: “Voorbeelden daarvan zijn joint ventures met telers om hen te ontzorgen.”
Deze verandering heeft invloed op de kennis die nieuwe medewerkers moeten hebben. Het bedrijf zoekt steeds vaker mensen die gespecialiseerd zijn in marketing en productontwikkeling. “We zoeken mensen die concepten kunnen ontwikkelen en verstand hebben van consumentengedrag. Creatieve mensen.” Dat zijn hele andere competenties die de inkoper of verkoper van weleer heeft. Volgens de recruiter zal daghandel altijd blijven bestaan, maar de afzet naar het retailkanaal breidt in de toekomst verder uit.

Persoonlijke ontwikkeling
Priva in De Lier investeert in langdurige relatie met haar werknemers, staat te lezen op de website van het bedrijf dat is gespecialiseerd in procesbeheer en klimaatregeling. Het bedrijf heeft wereldwijd 450 medewerkers in dienst. Voor sommige functies is het structureel lastig om gekwalificeerde mensen te vinden. “Onze grootste uitdaging zit in domeinkennis”, vertelt Rob Schoones, manager van Priva Academy. “Het is dan de vraag of je mensen kunt vinden die zijn opgeleid binnen het vakgebied dat je zoekt. Binnen ons bedrijf richten we ons meer op teamprestaties, waarbij iedereen ertoe doet en ieders bijdrage wordt gewaardeerd. Behalve aantrekkelijk werk en goede arbeidsvoorwaarden en een fijne werkomgeving doen wij veel aan persoonlijke ontwikkeling.”
Het personeelsbestand bestaat uit een mix van jonge mensen en ervaren medewerkers die al langer in dienst zijn. Wie al langer binnen deze organisatie werkzaam is, heeft vaak al verschillende functies doorlopen. 

Online opleiding
Voor die persoonlijke ontwikkeling heeft het bedrijf een eigen Academy opgericht. Dit is een online leerplatform waarmee het bedrijf haar personeel opleidt. Het maakt niet uit in welk land je werkzaam bent, iedereen heeft toegang tot dezelfde opleiding en heeft dus dezelfde kansen. Met dit leerprogramma speelt het bedrijf in op de veranderingen die wereldwijd plaatsvinden.
“Digitalisering neemt een enorme vlucht. Dit is van invloed op de wijze waarop wij werken. En daar zijn nauwelijks opleidingen voor. Daarom betrekken wij onze medewerkers in ‘het nieuwe werken’”, legt Schoones uit.
Het is nog maar drie jaar geleden dat het bedrijf haar medewerkers klassikaal opleidde. Inmiddels gebeurt dit ook digitaal binnen en buiten het bedrijf, bij installateurs en tuinbouwbedrijven. Mensen kunnen wereldwijd deelnemen aan het programma en dit doen op het moment dat het hen uitkomt. “Die omschakeling was best ambitieus, maar de kennisbehoefte is groot. We worstelen met het vraagstuk hoe kennis voorhanden blijft, voor ons en onze klanten. Je moet jezelf afvragen of de traditionele manier van leren op school en werken bij bedrijven genoeg is om bij te blijven in deze snel veranderende wereld.”

Horticultural Academy
Daarom heeft het bedrijf vorig jaar besloten om alle tuinbouwscholen – MBO, HBO en Universiteit in binnen- en buitenland – toegang te geven tot het leerprogramma. Een school kan namelijk kennispartner zijn voor Priva, maar dat kan evengoed andersom. Schoones: “Wij hebben het gevoel dat we hiermee op de goede weg zijn. Inmiddels roept deze stap ook vragen op. Onze kennis is maar een deel van de kennis die medewerkers nodig hebben om goed te presteren. We praten dus met andere toeleveranciers over dit onderwerp en daar speelt hetzelfde vraagstuk.”
Het bedrijf heeft daarom besloten om dit platform door te ontwikkelen, dus tot een ‘Horticultural Academy’, zodat ook andere bedrijven kunnen aanhaken en een eigen klaslokaal kunnen inrichten. “Zo kunnen wij de sector een digitale school aanbieden. Misschien is dit nog een stap te ver, maar de ontwikkelingen gaan door en we sluiten niets uit. En als we het nu hebben over duurzaam ondernemen, bedenk dan hoeveel overhead we besparen en hoeveel minder CO2 we uitstoten door minder verkeersbewegingen.” 

dinsdag, juli 23, 2019

Energietransitie

Glastuinbouw kan wezenlijke bijdrage leveren aan samenleving
Warmteaanbod Westland verbinden, verdelen en verzekeren voor teler en burger



Meer geothermiebronnen, de aanleg van warmtetransportleidingen, het Westland staat de komen jaren voor een grote uitdaging. Waar WKK’s op uiterst efficiënte wijze glastuinbouwbedrijven voorzien van warmte en elektriciteit, begint fossielvrije energievoorziening aan een opmars. Warmtesysteem Westland en het slim en efficiënt inzetten van energiebronnen zou wel eens de sleutel kunnen zijn die de tuinbouw onmisbaar maakt voor de omliggende steden.

Op haar kantoor bij Westland Infra in Poeldijk klapt Evelien Brederode, programmamanager energietransitie bij Capturam, haar laptop open en toont een plattegrond van het Westland, waarop alle warmtecollectieven zijn ingetekend. Deze collectieven zijn verbonden aan bestaande en nog aan te boren geothermiebronnen. Het zijn er veel, want het Westland heeft een gunstige ondergrond voor geothermie. 
“De Onder Krijtlaag ligt hier op 2 tot 3 kilometer diepte, met daarin het Alblasserdam- en Delfzandsteen. Deze zandsteenlagen zijn bijzonder geschikt om water aan te onttrekken. Bovendien is de temperatuur meer dan 85°C”, legt ze uit. 
Trias Westland is waarschijnlijk de bekendste geothermiebron in het gebied, omdat hier is geprobeerd naar 4 kilometer diepte te boren in de Triaslaag. Helaas is deze laag niet geschikt voor rendabele warmtewinning. Binnenkort start op dezelfde locatie opnieuw een boring naar de Onder Krijtlaag voor een tweede geothermiedoublet. Op de eerste bron worden 26 bedrijven aangesloten. Door deze tweede boring krijgen meer bedrijven de kans om hun energievraag te verduurzamen.

Door koppeling minder kwetsbaar
Bijna alle bedrijven met een grote warmtevraag zijn al aangehaakt bij een warmtecoöperatie. De bronnen die er al
zijn of nog komen zijn nagenoeg gebiedsdekkend. Een logische vervolgstap is om deze bronnen en hun clusternetten met elkaar te verbinden. Brederode: “Zo ontstaat een robuust netwerk. Dit heeft veel voordelen. Door koppeling verlies je kwetsbaarheid. Op het moment dat er storing is bij één bron kunnen de andere dit opvangen. Omgekeerd zijn de risico’s voor individuele warmtecoöperaties kleiner, als er bijvoorbeeld deelnemende bedrijven wegvallen. Bronnen moeten nu eenmaal blijven draaien, ook als de warmtevraag afneemt.” 
Glastuinbouw Nederland en ETP (Energie Transitie Partners) hebben op 7 november 2018 hun haalbaarheidsstudie gepresenteerd voor het regionale Warmtesysteem Westland (WSW). Met de aanleg van dit net is een investering gemoeid van 360 tot 650 miljoen euro, afhankelijk van de reikwijdte van het systeem. Dat bedrag kunnen de ondernemers grotendeels zelf bij elkaar krijgen. Het rapport trekt inmiddels veel aandacht van overheden, zoals het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de Provincie Zuid-Holland. Invest-NL, een rijksinstelling die bijdraagt aan het financieren van de energietransitie in Nederland, is al op bezoek geweest in het Westland. 

Meer bronnen nodig
“Een netwerk aanleggen is ingrijpend en de kosten van de infrastructuur zijn relatief hoog”, legt Brederode uit. De uitdaging ligt in het goedkoop beschikbaar maken van CO2-vrije warmte en investeren in een robuust en toekomstbestendig warmtenet. Daarom zal de groei van WSW stapsgewijs worden uitgevoerd. “We starten met de ontwikkeling van geothermiebronnen en werken tevens een project uit voor de koppeling met restwarmte uit de Rotterdamse haven.”
Zeer recent zijn er twee nieuwe warmtecoöperaties opgericht, namelijk Wippolder en Polanen. Robin Schaap, financieel directeur van Koppert Cress in Monster is voorzitter van Warmtecoöperatie Polanen. Dat dit bedrijf betrokken is in een aardwarmteproject is best bijzonder, want het heeft al zwaar geïnvesteerd in duurzame energievoorziening. “Tien jaar geleden hebben we onze hoofdvestiging opnieuw ingericht met als uitgangspunt dat elektriciteit in de toekomst goedkoper en gas schaarser wordt”, vertelt hij. 

Belang duurzame energie
Het in cressen gespecialiseerde teeltbedrijf heeft destijds een WKO (warmte koude opslag) aangelegd, met een opslag die op 170 meter diepte ligt. De warmte die vrijkomt van de kas, de LED’s, het kantoordak en de koelcellen wordt weer op andere momenten ingezet. “Maar voor het laatste stukje duurzame energievraag kunnen wij goed aardwarmte gebruiken.”
Polanen heeft inmiddels een buisinesscase opgesteld en een SDE+ aangevraagd. Schaap verwacht binnen een paar weken de uitslag van deze aanvraag. “We hopen in 2020 te starten met de boring.” Het bestuur van de coöperatie heeft actief telers benaderd en inmiddels zijn er veertig lid geworden. “De leden hebben de intentieovereenkomst getekend, omdat ze ook het belang zien van duurzame energie. Spannend wordt het op het moment dat de boor de grond in gaat.”

Verbinding met andere netwerken
Het warmtesysteem strekt verder dan alleen het verbinden van de geothermiebronnen in het Westland. Het net moet ook geschikt zijn voor de aansluiting van tuinbouwbedrijven met een warmteoverschot en de bebouwde omgeving in de regio Westland. In de studie is ook de mogelijkheid van een houtstookinstallatie opgenomen. 
Interessant zijn ontwikkelingen die buiten het Westland plaatsvinden, zoals de inzet van warmte die afkomstig is uit het havengebied van Rotterdam en de transportleidingen die worden aangelegd om de standswarmtenetten van Rotterdam, Den Haag en Leiden te verbinden. 
Een vraag die ETP, de glastuinbouw en de gemeente Westland bezighoudt is het berekenen van de juiste dimensionering van het netwerk. Uit een analyse van Wageningen Economic Research blijkt dat de jaarlijkse warmtevraag van het Westland kan dalen van 20 PJ naar 15 PJ, omdat het netto areaal naar verwachting iets zal afnemen en er wordt meer bespaard op energie.
De basislast van het net zal afkomstig zijn van geothermie (8 PJ), aangevuld met 4 PJ havenwarmte. Voor piekverbruik (3 PJ) zijn andere warmtebronnen nodig. Brederode: “Warmtetransport is altijd lokaal, hoogstens regionaal. Dus op momenten dat er extra warmtevraag is, zou je die lokaal moeten invullen, bijvoorbeeld met WKK’s of de biogasinstallatie. Daarom zie ik voor de toekomst zeker een rol voor de WKK’s.” 

CO2 belangrijke schakel
Een belangrijke schakel in de transitie naar fossielvrije tuinbouw is een betrouwbare CO2-voorziening. De leveringszekerheid en capaciteit van OCAP neemt toe nu afvalenergiebedrijven in Amsterdam en Rotterdam onderzoeken om hun CO2 aan dit net te leveren. 
Het gemeentelijk Havenbedrijf in Rotterdam, Gasunie en Energie Beheer Nederland willen na 2020 CO2 afvangen en opslaan in de ondergrond, in zoutcavernes en uitgeproduceerde olie- en gasvelden. Het is logisch dat het Westland deze ontwikkelingen op de voet volgt, want deze CO2-bron zou wel eens interessant kunnen zijn voor de glastuinbouw.
Een derde en meer directe optie om voldoende CO2 voor plantengroei beschikbaar te krijgen is het afvangen van CO2 uit de buitenlucht. De kosten om dit proces uit te voeren dalen, zo blijkt uit een kostenanalyse van Amerikaanse wetenschappers en interieurs. Zij ramen de kosten tussen de 94 en 232 dollar per ton CO2, afhankelijk van de gebruikte technologie en de locatie van een fabriek. 

Voortrekkersrol
Met het collectieve warmtesysteem kan de Westlandse glastuinbouw 650 miljoen m3 aardgas per jaar besparen, zo blijkt uit de haalbaarheidsstudie van Glastuinbouw Nederland. “Wij vervullen een voortrekkersrol”, meldt Hans van den Berg, procesmanager warmte bij deze organisatie. “Niet alleen willen we de sector zo goed mogelijk voorbereiden op de energietransitie, we kunnen ook een rol vervullen in de totale transitie.”
WSW heeft een meerwaarde, omdat de tuinbouw beschikt over een grote buffercapaciteit voor warmte. Bovendien kan de koppeling met het stadswarmtenet voordelen opleveren voor de warmtevoorziening van steden. De tuinbouw kan bijvoorbeeld warmte afnemen in de nacht, terwijl de huishoudens die juist op andere momenten nodig hebben. 
Van den Berg: “Doordat de glastuinbouw in staat is om retourwater goed uit te koelen, wordt het systeem voor de stedelijke omgeving heel efficiënt. Denk aan hoge temperaturen voor woningen en lage temperaturen voor de glastuinbouw.”

Bijdragen aan samenleving
De obstakels om de energietransitie te volbrengen zijn nog groot. De projecten zijn complex en er zijn nog veel vragen rond regelgeving en het afgeven van vergunningen. Desondanks is Schaap overtuigd van de meerwaarde van de koppeling van glastuinbouw en steden. “De een kan niet zonder de ander. Als tuinbouw komt er gewoon een moment dat we ons energieverbruik moeten verduurzamen. We kunnen dus een bijdrage leveren aan een duurzame samenleving door een schakel te zijn in de energievoorziening van steden én door producten te telen die mensen gezond maken en houden.”
“Door deze samenwerking in het Westland vormen we een representatieve groep in het proces naar verduurzaming en een aanspreekpunt waar beleidsmakers rekening mee houden”, legt Brederode uit. Zij verwacht dat, ondanks de hoge aanloopkosten, uiteindelijk een warmtesysteem ontstaat dat zeer toekomstbestendig is. Tuinbouw en burgers zullen steeds meer met elkaar verbonden raken. “Het WSW kan zorgdragen dat het Westland voor glastuinbouwbedrijven een extra aantrekkelijke regio blijft om te vestigen.”

dinsdag, juli 16, 2019

Energietransitie

Directeur Robert Kielstra van Energie Combinatie Wieringermeer
‘Geopolitieke verschuivingen hebben meer impact dan klimaatakkoord’ 



De energietransitie stelt het relatief jonge tuinbouwgebied Agriport A7 voor grote uitdagingen. Bij de start ging alle aandacht naar de infrastructuur voor energievoorziening in deze regio. Inmiddels speelt klimaatproblematiek als een rode draad door de investeringsplannen. Maar bovenal willen de ondernemers in de toekomst minder afhankelijk zijn van geopolitieke verschuivingen.

Glastuinbouwgebied Agriport A7 in Wieringermeer heeft in haar korte bestaan al grote stappen gemaakt in duurzaam energieverbruik. Toen de publieke netwerkbeheerder in 2006 maar weinig animo toonde hebben de ondernemers de koppen bij elkaar gestoken en zelf een particulier netwerkbedrijf opgezet voor gas en elektriciteit. Vandaag de dag heeft Energie Combinatie (ECW) dertig medewerkers in dienst. Robert Kielstra is vanaf het begin betrokken bij de opbouw van de organisatie en sinds 2010 directeur. 

Geothermie
Vanaf het begin hebben de grootschalige tuinbouwbedrijven in dit gebied flink geïnvesteerd in WKK’s, voor het opwekken van warmte, CO2 en elektriciteit. Inmiddels is het energielandschap veranderd, waardoor de schijnbaar onuitputtelijke Nederlandse gasbron eindig lijkt. Het werd dus vrij snel duidelijk dat er iets moest gebeuren. De eerste boringen naar aardwarmte in andere delen van Nederland maakten de ondernemers enthousiast. Daarom besloten zij in 2012 te investeren in geothermie. In 2014 zijn de eerste twee doubletten opgeleverd en in 2018 volgde een derde doublet. 

'Geothermie is een nieuw en intensief hoofdstuk'

Parallel daaraan had tuinbouwgebied Het Grootslag in Andijk dezelfde ambitie, maar het lukte niet om een goede organisatie op te zetten. “Eigenlijk lag het voor de hand om samen te werken”, legt Kielstra uit. “Geothermie is een nieuw en intensief hoofdstuk. Er gaat veel tijd in zitten en je moet het goed doen. Daarvoor heb je een professionele organisatie nodig. Omgekeerd heeft een professionele organisatie meerdere aardwarmtebronnen nodig om goed te opereren. In een week tijd waren we het eens over zowel de tarieven voor de klant als de vergoeding voor de aandeelhouders.” Inmiddels zijn in Andijk twee doubletten geboord, waarvan de laatste in april 2019 is opgeleverd. 


Warmte opslaan
De warmte die afkomstig is van de geothermiebronnen dekt meer dan 25% van de totale warmtebehoefte van de tuinbouwbedrijven van Agriport en meer dan 40% van het Grootslag. De broodnodige CO2bemesting is afkomstig van de WKK’s op de bedrijven, die voor een deel door ECW worden geëxploiteerd. Daarnaast neemt het gebied zuivere CO2af van OCAP. 
Door de behoefte aan voldoende CO2is er in de zomer meer warmte over dan in de winter. Tegelijkertijd leveren de doubletten jaarrond warmte, omdat ze nu eenmaal moeten blijven draaien.  Daarom vindt er op dit moment een proefboring plaats naar circa 450 meter diepte voor een Hoge Temperatuur Opslag (HTO). Als dit slaagt dan zal water van 850C vanuit de doubletten in de opslag worden gepompt, waarna het op andere momenten weer beschikbaar komt. Zo stijgt het rendement van aardwarmte.
Kielstra: “Dertig procent van de kosten van het traditionele tuinbouwbedrijf gaat naar energie. De kosten van CO2zullen stijgen en die van warmte hopelijk iets dalen.” ECW onderzoekt daarom ook de kansen voor een biomassacentrale ter aanvulling van andere energiebronnen.  

CO2onmisbaar
Volledig fossielvrij telen vindt Kielstra nog een hele uitdaging. “Voor het belichten van de gewassen zijn de tuinbouwbedrijven afhankelijk van elektriciteit. Bovendien is voldoende CO2een voorwaarde.” Daarom is er voorlopig nog een belangrijke rol weggelegd voor de gasmotoren, de WKK’s, voorzien van een rookgasreiniger. 
Samen met partners bestudeert ECW ook de kansen om ruw biogas om te zetten in groen gas, door het CO2er uit te halen. Dat gebeurt nu nog kleinschalig, maar dat kan veranderen. Het beperken van CO2uitstoot kan dan bijdragen aan een lagere footprint. 

Andere sectoren
“Het klimaatakkoord is een stok achter de deur”, vindt de directeur. ‘We zullen er naar moeten handelen. We gaan steeds meer naar een licence to produce, daarvan zijn we goed doordrongen.”
Voor de ondernemers in het gebied zijn echter de geopolitieke veranderingen van nog grotere invloed dan de klimaatproblematiek. “De tuinbouw is geopolitiek kwetsbaar, waarbij anderen de beschikbaarheid en prijs van grondstoffen bepalen. Daar moeten wij voor waken.”

'Het klimaatakkoord is een stok achter de deur'

ECW investeert ook veel in data en ICT, om alle processen te optimaliseren. Bovendien bestudeert de netwerkbeheerder ook verbindingen met andere sectoren. Zowel Microsoft als Google hebben vlakbij datacentra in aanbouw. “Misschien schalen we verder op naar industrie en bedrijfsleven buiten de tuinbouw of huishoudens. Die rol kunnen we vervullen. De afgelopen twaalf jaar hebben we een bijzondere organisatie met veel expertise opgezet en al veel pionierswerk gedaan. Het is nog een jonge sector, waarbij je af en toe je neus stoot. We zijn echt in transitie, maar wij kunnen voor veel partijen van waarde zijn”, besluit hij.

ECW Netwerk
Energie Combinatie Wieringermeer (ECW) is opgericht in 2006, met als doel om de energie infrastructuur in glastuinbouwgebied Agriport A7 te realiseren en optimaliseren. De ondernemers van de aangesloten glastuinbouwbedrijven zijn mede-aandeelhouder. Inmiddels houdt het netwerk zich ook bezig met grondwatervergunningen, dus activiteiten die de kadastrale grenzen van tuinbouwbedrijven overstijgen.




dinsdag, februari 12, 2019

Gezondheid


De impact van veel groente eten op gezondheid

Eten van groente en fruit is misschien de enige sleutel voor een goede gezondheid’

Het is nog maar tien jaar geleden dat de discussie over de relatie tussen chronische ziekten, leefstijl en voeding echt vaart kreeg. Op dat moment waren nog niet veel mensen ontvankelijk voor die boodschap. Het tij is inmiddels gekeerd. Bewegen en gezond eten is speerpunt geworden van overheid, zorgverzekeraars en artsen. Groente en fruit spelen een belangrijke rol in bestrijding van obesitas, leefstijl gerelateerde ziekten, maar ook om sneller te herstellen na ziekte.

Wat is de overeenkomst tussen huisarts Tamara de Weijer, cressenteler Rob Baan en Food for Care directeur Siebe Geertsema? Alle drie zijn ze niet de stoppen als ze losgaan over hun favoriete onderwerp: voeding, leefstijl en gezondheid. Toen dr. Frank van Berkum ongeveer tien jaar geleden het probleem obesitas en daaraan gekoppelde leefstijl gerelateerde ziekten aan de kaak stelde, was Nederland nog niet helemaal klaar voor deze indringende boodschap. Hoewel nog steeds niet iedereen even enthousiast reageert, groeit de groep aanhangers van deze theorie en zijn veel mensen wakker geschud. 

Arts en leefstijl
“Eén op de twee Nederlanders heeft overgewicht. Ruim één miljoen mensen voelen zich somber en een vergelijkbaar aantal heeft diabetes type 2. Meer dan anderhalf miljoen mensen hebben hart- en vaatziekten en vijf tot tien miljoen mensen hebben één of meerdere chronische aandoeningen”, vertelt Tamara de Weijer. Ze ziet ze dagelijks verschijnen op haar spreekuur. “Als artsen schrijven we steeds meer pillen voor, maar we doen te weinig aan het voorkomen van deze ziekten.”
De Weijer richtte tweeëneenhalf jaar geleden ‘Arts en leefstijl’ op, een vereniging die in haar korte bestaan al duizend leden (huisartsen en zorgprofessionals) telt. In september 2018 presenteerde deze vereniging een handleiding voor huisartsen om medicatie af te bouwen van diabetes type 2 patiënten. Naar verwachting kan 50 tot 70% van de patiënten minder medicatie gebruiken of zelfs helemaal stoppen als zij hun dieet aanpassen en meer bewegen. Dat is op zijn zachtst gezegd een revolutionair protocol. In het dieet is een belangrijke rol weggelegd voor het eten van veel groente en fruit. “Geen pil, maar een paprika helpt tegen diabetes.” Met deze ferme uitspraak onderstreept ze haar missie.

Goede eetgewoontes stimuleren
Hoewel de consumptie van groente toeneemt, is het nog steeds droevig gesteld met de feiten. Nederlanders eten gemiddeld 139 gram per dag, terwijl dat minstens 250 gram zou moeten zijn. Misschien zelfs meer. “Voor mensen die van dieet moeten veranderen is het lastig om ineens die hoeveelheid groente in de hoofdmaaltijd te verwerken. En daarom zal je ook op andere eetmomenten verse groente moeten inpassen, bijvoorbeeld in salades, soepen of als snack.” Onlangs verscheen het boek ‘Eet beter in 28 dagen’ van haar hand, waarin ze mensen leert om een nieuwe leefstijl aan te wennen en met recepten laat zien dat dit heel lekker kan zijn.
De huisarts wil goede eetgewoontes stimuleren, want inmiddels staat wetenschappelijk vast dat ziektes in veel gevallen zijn te voorkomen als mensen anders gaan leven. Meestal komen patiënten pas bij haar wanneer ze al ziek zijn. “Zie ik bijvoorbeeld iemand met knieklachten, dan constateer ik dat er mogelijk sprake is van overgewicht. Dan ga ik zeker het gesprek aan, want op dat moment zijn mensen ontvankelijk voor de boodschap”, vertelt zij. Voor echte veranderingen verwijst zij vervolgens bijvoorbeeld door naar een diëtist of een psycholoog. En ze plant alvast een afspraak in na eventuele behandeling. Zo ziet zij ook de rol van een huisarts in de toekomst. “Onze rol is signaleren, motiveren, doorverwijzen en een stukje nazorg.”
Voor de tuinbouw ziet zij grote kansen. “Eten van groente en fruit is misschien wel de enige sleutel voor een goede gezondheid”, denkt ze. 

Gezonde medicijnkast
Het doet Rob Baan van Koppert Cress goed dat zijn West-Friese streekgenote dit onderwerp zo nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij haar collega’s en patiënten. Jarenlang leek hij een roepende in de woestijn met zijn boodschap dat groente onderdeel is van onze medicijnkast. Het liefst zou hij claimen dat broccoli kanker bestrijdt, maar dat is hem niet toegestaan. Dat hij misschien op lange termijn daarin toch gelijk krijgt, is zeker niet uitgesloten. 
“Het is gewoon hartverwarmend dat voeding eindelijk de plaats krijgt die het verdient”, vindt hij. “Eigenlijk moet alle aandacht gaan naar gezondheid, dus lijfstijl. Pas daarna naar reparatie. Ik zie dus dat door deze ontwikkeling arts, kok en tuinder steeds dichter naar elkaar toe groeien.”

Enorme markt
Met het in 2014 geïntroduceerde Dutch Cuisine, dat het gebruik van 80% groente promoot in restaurantmaaltijden, probeert hij het Nederlandse koksgilde te bereiken. In restaurants speelt het gebruik van groente nog te vaak een ondergeschikte rol. Om hem heen voelt hij goede vibraties, nu meer mensen zich inzetten voor gezonde voeding, zoals bijvoorbeeld Kokkerelli, een educatief programma voor basisscholen om kinderen inzicht te geven in een gezond eetpatroon. Of het onderzoek bij Brightlands Venlo, naar gepersonaliseerde voeding. 
“Ik vind het belangrijk dat de tuinbouwsector nauw betrokken is bij deze ontwikkeling. Nog te vaak gaat het om kilo’s en afzet, terwijl er zoveel meer mogelijk is”, vindt hij. “Er ligt een enorme markt voor gezonde voeding en daar moeten we op inspelen. Geef koks goede ingrediënten, zodat zij ook goede maaltijden kunnen maken. Ik ben van mening dat je in een land als Nederland geen goedkope producten moet willen maken.” Om zijn overtuiging om te zetten in daadkracht is Baan toegetreden tot het bestuur van Glastuinbouw Nederland. 

Voeding is een medicijn
Heb je de pech dat je door ziekte bent getroffen, dan wil je zo snel mogelijk herstellen. Ook in dat traject kan voeding veel meer betekenen dan voorheen werd gedacht. FoodforCare is een spinoff van cateraar Maison van den Boer, geleid door Siebe Geerdsema. Dit programma is in 2013 ontstaan uit een pilot bij het Radboudumc in Nijmegen. Jonge patiënten van de afdeling Medische Oncologie gaven aan dat de standaard ziekenhuisvoeding hen niet smaakte. Hoewel het beter was voor hun herstel lieten ze het staan. In 2014/15 is het FoodforCare concept uitgerold op vijf afdelingen en inmiddels is de hele keuken van het medisch centrum overgenomen.
Patiënten krijgen gedurende de dag op vijf tot zeven eetmomenten kleine, smaakvolle en verleidelijke gerechten geserveerd. De geur en aanblik blijkt aanstekelijk, want daardoor gaan ze toch eten, al hebben ze soms geen trek. Per patiëntengroep is onderzocht welke basiselementen deze maaltijden moeten bevatten. Dit zijn voornamelijk eiwitten en veel groente en fruit. Patiënten krijgen dus een persoonlijke keuze uit gerechten. Denk daarbij bijvoorbeeld aan zoutarm of aangepaste voeding voor diabetespatiënten. 
“We hebben wetenschappelijk kunnen aantonen dat patiënten sneller en beter herstellen na een behandeling. Voeding is dus echt een medicijn”, legt Geerdsema uit. Patiënten die het ziekenhuis verlaten kunnen ook thuis nog gebruik maken van deze service.

Traditionele zorgmarkt
Hoewel het nut inmiddels vaststaat is de weg om dit concept uit te rollen lang. Inmiddels kan Geerdsema ook een revalidatiecentrum tot zijn klantenbestand rekenen, maar veranderingen in zorgcentra zijn niet eenvoudig. Jarenlang werken facilitaire afdelingen al op dezelfde manier en de bereidheid om te veranderen is niet altijd aanwezig. 
“We hebben te maken met een zeer traditionele zorgmarkt”, legt hij uit. “Het valt niet mee om alle gewoontes en roosters aan te passen.” De verkorte ligduur is echter een belangrijk argument, waardoor hij de artsen in ieder geval al enthousiast krijgt. Het is dus een kwestie van tijd, maar hij houdt vast aan de wetenschap dat gepersonaliseerde voeding helpt bij het herstel na ziekte. 

Powervoeding
“In wezen moet je het onderwerp steeds positief benaderen. Ook nu krijgen ondervoede patiënten speciaal door de voedingsindustrie ontwikkelde met eiwit verrijkte producten, maar echt heel erg smakelijk zijn ze niet. Vaak worden ze thuis zelfs weggegooid. Wanneer we deze powervoeding smakelijker kunnen maken op basis van natuurlijke stoffen, dan bereiken we veel meer.”
Geerdsema heeft zijn pijlen inmiddels gericht op trainingen en advies aan voedingsassistenten en keukenmedewerkers, want de verandering moet van binnenuit komen. Als zij enthousiast worden van deze nieuwe ‘à la carte’ werkwijze, dan komt het omslagmoment sneller. Een iets duurder voedingsconcept kan uiteindelijk winst opleveren voor de ziekenhuizen door minder ligdagen en zorgt er voor dat patiënten weer sneller op de been zijn.

donderdag, november 15, 2018

Bramen




Onderzoek naar teelt en belichting bij bramen en frambozen

‘Er zit nog veel meer potentie in de teelt van zachtfruit onder glas’


Een onderzoek met veel nadruk op het verzamelen van nieuwe kennis. Zo mag je het jongste project met bramen en frambozen bij Wageningen University & Research in Bleiswijk wel noemen. Over de teelt van zachtfruit onder glas is nog relatief weinig bekend, terwijl de consumentenvraag toeneemt. Er zit nog veel potentie in teeltoptimalisatie, vinden onderzoekers en telers. Onder de rook van het onderzoekscentrum doet een paprikateler ervaring op met deze ‘nieuwe’ teelt.

Paprikateler Wouter van den Bosch in Bleiswijk teelt dit jaar voor het eerst bramen. Daarvoor heeft hij met zijn familie een nieuwe locatie van 1,2 ha gevonden in Berkel en Rodenrijs. Dat is een hele omschakeling, laat hij weten, want zachtfruit telen is toch heel wat anders dan hij gewend is. Samen met zijn oom Jaap de Schipper verkent hij dit nieuwe terrein en regelmatig wisselen zij van gedachten met Jan Janse van Wageningen University & Research.
Hemelsbreed een paar kilometer verder heeft Janse inmiddels een jaar onderzoek gedaan naar belichting bij bramen onder glas met als doel de productie te verbeteren. Bij het naastgelegen Improvement Centre is afgelopen jaar gekeken naar vervroeging van het oogstseizoen. De belangstelling voor dit gewas is de laatste jaren toegenomen, niet in de laatste plaats door de groeiende vraag naar ‘superfoods’ én de matige kwaliteit van importproduct in de wintermaanden. Volledig jaarrond bramen telen in Nederland gebeurt nog niet, maar met de juiste belichtingsstrategie komt dat doel wel dichterbij.

Welk kleurenspectrum
In de eerste proeven is SON-T-belichting vergeleken met hydbridebelichting, dus een combinatie van SON-T en tussenbelichting met LED’s. De totale lichtintensiteit lag rond de 150 µmol/m2/s. Tussen beide behandelingen waren er in deze proeven geen duidelijke verschillen in productie of kwaliteit.
            Komend winterseizoen zal Janse verder gaan met zijn belichtingsonderzoek. Ditmaal heeft hij de beschikking over vier afdelingen met helder en diffuus glas, twee voor bramen en twee voor frambozen. Iedere afdeling is ingericht met 75 µmol/m2/s LED-toplicht. 
De onderzoeker wil in de nieuwe proef dieper ingaan op het kleurenspectrum. De standaard toplicht installatie wordt aangevuld met drie soorten tussenlicht, namelijk standaard rood/blauw, extra blauw en extra verrood. De lichtintensiteit van het tussenlicht is 75 µmol/m2/s, waarmee de totale lichthoeveelheid op 150 µmol/m2/s komt. 
De plantdatum van de jongste proef was 13 september. Gekozen is voor de bramenrassen Loch Ness en Chester. In de twee afdelingen met frambozen staan de rassen Kwanza en Shani. De eerste oogst staat gepland rond kerstmis en de teelt gaat door tot april.

Zoveel mogelijk informatie
“Er is eigenlijk nog maar weinig bekend over de bramenteelt onder glas”, vertelt Janse. Vanaf 1986 zijn de eerste planten onder glas geteeld en dan nog zonder belichting. “We weten bijvoorbeeld nog niet welk temperatuurregime, lichtintensiteit of CO2-niveau optimaal is. In onze voorjaarsteelt hebben we tijdelijk iets te lage temperaturen aangehouden, waardoor wat snelheid in productie is verloren gegaan. Dat kan dus beter.” 
Omdat er nog veel te leren is wil de onderzoeker gedurende het seizoen zoveel mogelijk informatie verzamelen. Tijdens de teelt zal hij bijvoorbeeld fotosynthesemetingen doen bij verschillende lichtintensiteiten en CO2-gehaltes en op verschillende tijdstippen van de dag. Ook de effecten van het lichtspectrum zal hij meten op blad en vrucht, onder andere aan de hand van chlorofyl, flavonolen en anthocyaan. Smaak en inhoudsstoffen krijgen veel aandacht in dit onderzoek, want dat is een voorwaarde wanneer je in de winter bramen gaat telen in belichte kassen.

Twee klimaatschermen
Met Kas als Energiebron als financier van dit onderzoek is het logisch dat Het Nieuwe Telen (HNT) veel aandacht zal krijgen. De afdelingen hebben een lichtuitstoot- en een energiescherm gekregen, waarmee uitstraling tot een minimum beperkt kan blijven. De schermen openen en sluiten op basis van een uitstralingsmeter. 
Tenslotte krijgt weerbaarheid aandacht. Bramen en frambozen onder glas kunnen juist uitblinken door een minimaal gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Janse wil weten of het lichtspectrum invloed heeft op gevoeligheid voor bijvoorbeeld trips en meeldauw. In het rijtje metingen neemt hij ook fenolen, bladoppervlakte, drogestofgehalte en een indirecte bepaling van wortelexudaten mee, met als doel om verbanden te vinden. 

Niet eenvoudig
Voor Van den Bosch is dit onderzoek belangrijk. “We weten in grove lijnen hoe deze teelt verloopt, maar we missen vooral nog het minutieus sturen”, legt hij uit. Op 1 januari heeft hij de eerste teelt Loch Ness geplant,op 9 juli de tweede teelt. Met deze tweede teelt hoopt hij door te gaan tot december, afhankelijk van de prijzen en zolang de vruchten nog willen afrijpen. 
Terugkijkend op de eerste teelt vond hij het niet eenvoudig om de benodigde bemesting te bepalen. Dat heeft voor een groot deel te maken omdat hij nog geen referentie heeft en er weinig kennis beschikbaar is. “We hebben nog genoeg uitdagingen”, vindt hij. Dat geldt voor bemesting, klimaat en arbeid. 
Op de momenten dat het gewas in productie is zijn er 45 medewerkers tegelijk aan het werk. “Op dit relatief kleine oppervlak vergt dat wel wat organisatie”, vertelt De Schipper die deze locatie runt. Het oogsten moet bijvoorbeeld heel voorzichtig gebeuren, heeft hij dit eerste jaar ondervonden. Doe je dat niet, dan verschijnen er rode korrels op het geoogste product. “Bovendien is het ook nog een leerproces om de vruchten in het juiste stadium te oogsten”, vult hij aan.

Verdere professionalisering
In de tweede teelt bleek een deel van zijn plantmateriaal minder van kwaliteit te zijn. “Je hebt te maken met uitgangsmateriaal met een voorgeschiedenis”, legt Van den Bosch uit. De opkweek vindt niet onder geconditioneerde omstandigheden plaats, maar buiten op een veld. Weersinvloeden hebben een grote invloed op de kwaliteit van de planten. Het plantmateriaal voor de herfstteelt is bovendien bewaard in de koelcel. Het is dus erg lastig om een oorzaak aan te wijzen als plantmateriaal niet perfect is. 
Janse vindt dat er nog heel veel moet gebeuren op gebied van professionalisering van deze teelt. “Het standaardras Loch Ness is ontwikkeld voor de buitenteelt en al 35 jaar oud. Er is nauwelijks veredeld op productierassen voor beschermde teelten, waar veel potentie in zit.”
Voor het temperatuurregime geldt hetzelfde. Ook daarover is nog weinig bekend. Van den Bosch: “In de glasteelten zijn we gewend om snelheid te maken. Die neiging heb je nu ook, maar het is niet zeker of dit werkt. Ik verwacht dat er nog veel valt te leren over teeltoptimalisatie.” 

Proef met LED’s
De teler heeft als proef in een paar paden LED’s geïnstalleerd als tussenbelichting, in zijn geval 75 µmol/m2/s. Deze laat hij achttien uur per etmaal branden, ongeveer vergelijkbaar met andere vruchtgewassen. Deze belichting zou verschil moeten maken ten opzichte van de rest van het gewas. Van den Bosch: “Die rekensom kunnen we nog niet maken. Daar is het nog veel te vroeg voor.”
Hij vindt het gewas in de belichte paden erg generatief. Die term ligt voor hem als paprikateler voor op de tong, maar deze is nog niet ingeburgerd in het jargon van zijn collega’s die al jaren bramen telen. Vegetatief of generatief, die discussie moet nog komen.

zaterdag, augustus 04, 2018

Belichte tomatenteelt

Belgische tomatentelers: zwaardere belichting en LED-tussenlicht
LED-tussenlicht maakt het spel om topkwaliteit te telen nog leuker

Marja en Leo Verdonck- van Dessel van kwekerij Den Boschkant

Vlaamse tomatentelers zijn volop bezig om hun teelt te intensiveren. Twee bedrijven hebben vorig jaar de nieuwste generatie LED-tussenlicht modules laten installeren. Dit doen ze stapsgewijs om de investering te spreiden, maar ook om het effect goed te kunnen vergelijken met alleen toplicht. Het is opmerkelijk dat zij koers zetten op een nog beter product in het winterhalfjaar, waarbij ze productieverhoging als bonus meepikken.

Een voor een verwijdert een medewerker de bedrading van de assimilatiebelichting. Ditmaal voor de laatste keer, want Marja en Leo Verdonck - van Dessel van kwekerij Den Boschkant in Vremde (B) gaan de armaturen vervangen voor een nieuwe installatie. “Ieder voorjaar halen we alle armaturen weg om ze ’s zomers op te slaan, want we willen zoveel mogelijk natuurlijk licht naar binnen laten”, vertelt Marja.
Belgische tomatentelers zijn zeer gefocust op lichtbenutting, zo blijkt uit het rondje dat we samen met Piet Hein van Baar, plantspecialist bij Signify (voorheen Philips Lighting), vandaag maken langs zijn Vlaamse relaties. Zowel Den Boschkant als Primato van Kevin Pittoors in Putte hebben flink geïnvesteerd in belichtingssystemen. Beide bedrijven zijn in omvang enigszins met elkaar te vergelijken. Ze mikken op topkwaliteit, die zij afzetten via veiling BelOrta.

Tomaten en asperges
Het bedrijf van de familie Verdonck is 9 ha groot. In 2005 is het eerste deel gebouwd, waarna in 2010 het tweede deel volgde. Op de oude locatie, waar zij in 1986 begonnen, telen zij nu op 1,7 ha kasasperges. Leo heeft altijd tomaten geteeld, Marja was psychiatrisch verpleegkundige. Die twee activiteiten brachten zij bijeen door op hun bedrijf ‘groene zorg’ aan te bieden. “We bieden hier een zinvolle dagbesteding aan”, legt Marja uit. Het geeft voldoening als we soms nét dat verschil kunnen maken door mensen op weg te helpen.”
Binnen het assortiment op dit bedrijf worden altijd wat bijzondere tomatentypes getest, zoals de kleine tros pruimtomaat Lily. Het hoofdassortiment bestaat uit middensegment Brioso en de grotere pruimtomaten Prunus en Intense. De septemberplanting Prunus wordt halverwege het seizoen vervangen door een tussenplanting met vier koppen.

Veel licht, hoge plantdichtheid
In 2010 besloten zij om 4,3 ha te belichten met 180 µmol/m2/s SON-T lampen. Vorig seizoen zijn op 4,3 ha de derde generatie GreenPower Interlight modules van 75 µmol/m2/s toegevoegd. Daarmee komt de totale belichtingscapaciteit in dit deel van de kas op een forse 255 µmol/m2/s. Binnenkort valt de beslissing welke nieuwe installatie boven het gewas komt te hangen als de oude lampen worden vervangen.
De plantdichtheid is bij aanvang van de teelt hoog. Eigenlijk is Verdonck meteen op de eindafstand gestart van 30 cm (4,2 planten per m2). “We hebben voor dit systeem gekozen omdat we relatief vroeg planten. In september is er nog voldoende natuurlijk licht. Extra koppen aanhouden zou dan precies gebeuren op het moment dat het licht afneemt. Voor mij voelt dat niet helemaal goed. Bovendien vind ik altijd dat het aanhouden van een dief meer ongelijkheid geeft”, zo legt hij uit.

Betere trosstrekking
In het deel met tussenlicht worden de modules in hoogte verhangen, zodat de LED’s altijd ter hoogte van de zich ontwikkelende tros hangen. De plant heeft niet alleen profijt van het extra licht, maar ook van wat warmte. De temperatuur van de modules loopt op tot 38°C.
Sinds de aanvang van het belichtingsseizoen heeft de teler gemerkt dat de trossen zich beter ontwikkelen. Met name de strekking en uniformiteit bij Brioso valt hem op. De kwaliteit van het eindproduct is stabieler, hoewel de teler beseft dat hij wel aan de limiet zit qua plantafstand.
“Wij hoopten dat LED ook verbetering van smaak zou geven”, merkt zijn vrouw op. “Toen wij destijds SON-T lampen installeerden ging de kwaliteit, maar bovendien de smaak in de lichtarme periode erg vooruit. Tussenlicht draagt niet meer bij op dat vlak, is onze ervaring. Dat verschil merken we minder.”

Constante kwaliteit
Welke vervolgstappen het bedrijf in de toekomst gaat maken op gebied van belichting staat nog niet vast. Voor 100% LED’s zullen zij niet kiezen, omdat ze de warmteafgifte van de SON-T lampen van wezenlijk belang vinden voor het klimaat in de kas. Toch lokken ook de LED’s bovenin de kas, omdat de beperkte warmteafgifte toelaat om een langere periode te belichten.
Hun visie is om klassieke teelt en belichte teelt te blijven combineren, om zo een constant, uniform, duurzaam en lokaal geteeld product te kunnen leveren. Arbeid technisch is dat eveneens interessant. “We werken hier met een vaste ploeg medewerkers. In het verleden piekte de arbeid in de zomer. Nu hebben we op wat golfbewegingen na het hele jaar evenveel werk”, vindt Marja.
Sinds zij zijn gestart met belichten is biologische bestrijding van ziekten en plagen wel een uitdaging. “Het is lastig om plagen op te ruimen als je bedrijf nooit echt leeg is, besluit Leo.


Kevin Pittoors van kwekerij Primato en Piet Hein van Baar, Signify
Snelle groei
Het bedrijf van de familie Pittoors maakte in korte tijd een grote ontwikkeling door. Enkele jaren geleden was het bedrijf nog 3 ha groot, maar sinds zoon Kevin de gelederen versterkt is het gegroeid naar 16 ha. Eind 2015 startte de bouw van 6,2 ha, gevolgd door 6,2 ha in 2017, beide met diffuus glas met AR-coating. Het spiksplinternieuwe bedrijfsgebouw is om door een ringetje te halen.
Drie jaar geleden startte Kevin Pittoors nog met een onbelichte teelt. Inmiddels hangt boven de helft van het bedrijf 180 µmol/m2/s SON-T lampen, in vier stappen afschakelbaar. Sinds vorig jaar heeft 2,6 ha van de belichte afdeling tussenlicht modules gekregen, 75 µmol/m2/s. Het totale vermogen is dus gelijk aan dat van Den Boschkant. “Eigenlijk is het een uit de hand gelopen proef”, vertelt de ondernemer. “Het heeft geen zin om maar in een paar paden LED’s op te hangen. Je moet er ook de watergift op kunnen sturen, want extra belichte planten verdampen meer en hebben dus meer water nodig.”
Pittoors levert zijn middelgrove trostomaten binnen het BelOrta segment Elite. In de onbelichte afdeling teelt hij Foundation, in de belichte afdeling Xandor. Het laatste ras koos hij vooral vanwege het uithoudingsvermogen. Daarnaast teelt hij zowel belichte als onbelichte cherrytomaten Juanita, zonder de LED’s.

Belichting rustig opbouwen
Half oktober (week 42) is de belichte teelt geplant; 2,8 planten per m2. Achtereenvolgens hield hij bij de LED’s extra stengels aan in week 44, 47, 49 en week 10. Daarmee verhoogde hij de stengeldichtheid naar 3,2; 3,7; 4,2 en uiteindelijk 4,4 planten per m2. In de rest van de belichte afdeling is hij naar dezelfde eindafstand gegaan, maar volgens een trager schema. De trossen werden in de SON-T-afdeling gesnoeid op 5, in de LED-afdeling gedeeltelijk op 6.
De teler bouwt zijn belichtingsschema heel geleidelijk op. Pas veertien dagen na het planten gaat hij zijn SON-T lampen gebruiken, eerst op de donkerste dagen. In week 50 zit hij op de maximale belichtingsduur van 18 uur per etmaal. Van Baar: “Er is een wezenlijk verschil in belichtingsregime tussen de Nederlandse en Belgische telers. Nederlanders schakelen sneller over op intensief belichten, terwijl de zuiderburen dat rustiger aan doen.”
Ook het afbouwen in het voorjaar gaat geleidelijk. Op het moment dat de kastemperatuur boven 25°C stijgt, of zodra de instraling boven 700 W/m2 komt schakelt de teler zijn LED’s uit. In week 15 hebben de SONT-T-lampen voor het laatst gebrand. De teler: “Vanaf eind maart, begin april buigen we onze belichtingsstrategie om zodat het gewas ook in de zomer goede kwaliteit tomaten produceert.”

Blad blijft groener
De teler is zijn LED’s gaan inzetten op het moment dat de afstand tot de kop 30 cm was. Vervolgens kwamen ze gedurende de teelt naast de uitgroeiende tros te hangen. “We zagen al vrij snel flinke verschillen”, vertelt hij. “Je merkt dat het blad onderin groen blijft. Met het tussenlicht blijven alle bladeren actief, terwijl ze bij alleen SON-T-toplicht sterk verouderen.”
In het voorjaar, als de SON-T lampen niet meer branden, blijft hij de LED’s wel inzetten, zolang de temperatuur in de kas niet te ver oploopt. In de praktijk is dat vooral in de ochtenduren als kas en gewas nog koel zijn.
Pittoors heeft het afgelopen belichtingsseizoen al veel verschillen gezien tussen de gewassen met of zonder tussenlicht. “We zagen het gewas in de afdeling met LED’s snel sterker worden. Daarom hebben we de etmaaltemperatuur een halve graad omhoog bijgesteld en verschillen gemaakt in het bijzetten van de extra stengels.”
Om alvast een voorproefje te nemen op het volgende teeltseizoen geeft hij aan dat hij zijn LED’s sneller zal inzetten. Bovendien overweegt hij om met 3,75 stengels per m2 te starten. “Dat wilden we dit jaar nog niet doen. De kas, de installatie, alles is nieuw. Dat is niet het moment om de grenzen op te zoeken. Je wilt namelijk niet het risico nemen dat het gewas te zwak komt te staan.”

Langere levensduur
Beide bedrijven hebben een hogere productie gehaald in de afdelingen met LED’s. Het productievoordeel weegt uiteraard mee in de afweging of een dure belichtingsinstallatie rendeert en die doelstelling is ruimschoots gehaald. Het al dan niet inzetten van LED’s als tussenbelichting moet bijdragen aan productie, kwaliteit en bedrijfszekerheid. Pittoors had bijvoorbeeld op 1 mei een meerproductie van 25% in de afdeling met LED’s.
“Iedere mol toplicht levert bijvoorbeeld tien gram tomaat op. Iedere mol tussenlicht heeft een efficiëntie die anderhalf keer hoger ligt”, zegt Van Baar. Per watt leveren de LED’s 3 µmol/m2/s groeilicht, tegenover 1,8 µmol/m2/s SON-T licht. “Daar komt dan nog – zoals wij dat noemen – een X-factor bij, vanwege de volledige benutting van het lichtspectrum en de plaats van het licht in het gewas.”
Deze verbetering in rendement moet het verschil goedmaken tussen de investering in SON-T lampen of een hybride installatie met LED’s. Het grote voordeel van de LED’s is dat ze minimaal drie keer zo lang meegaan als SON-T lampen. Voor Belgische telers is de investering in efficiëntere LED’s iets sneller rond te rekenen dan voor Nederlandse telers, vanwege de hogere elektriciteitsprijzen.