vrijdag, maart 16, 2012


Astrid Valstar pleit voor meer aandacht kleine gewassen
‘Eucharis heeft meer fans bij bloemisten dan bij handelaren’

Bijna geen bloem kan tippen aan de schoonheid van eucharis. Er is een hechte band tussen de familie Valstar en dit fraaie bolgewas. Toch valt het Astrid Valstar moeilijk om een successtory te brengen nu de middenprijs al lange tijd onder de kostprijs is gedaald. Nog even en de kleine gewassen gaan het onderspit delven, vreest zij. Een gezamenlijke aanpak kan misschien het tij keren.

Geen royal wedding zonder eucharis. Kroonprinses Victoria van Zweden huwde vorig jaar haar personal trainer Daniel, vergezeld van een groot bruidsboeket met eucharis. Fragiel, elegant, sierlijk, is de omschrijving die deze bloem mee krijgt. Onmisbaar voor de liefhebbers, onbekend bij het grote publiek.
Toen Astrid Valstar haar man John leerde kennen kwam de bloem ook in haar leven. De passie van haar schoonvader groeide uit tot kwekerij JovaPlant in Naaldwijk, gespecialiseerd in zowel potplanten als snijbloemen van dit bijzondere gewas. In Nederland zijn twee kwekerijen met eucharis als hoofdgewas.
De productie van de snijbloemen gaat jaarrond door. Een deel van de bollen wordt in september op pot gezet, voor bloei rond Moederdag. De hoeveelheid bol op pot is bescheiden, want de markt is snel overvoerd.

 Potplant of snijbloem
Valstar heeft zorgen over het voortbestaan van de eucharis als snijbloemgewas. De kleine gewassen staan onder druk, merkt zij. Dat is niet tijdelijk door de huidige omstandigheden, maar een feit dat ze al veel langer constateert. Voortdurend heeft zij contact met de handel en bloemisten om haar snijbloemen onder de aandacht te brengen. Een aantal afnemers pakt dit heel goed op, maar de meesten reageren lauwtjes. Het tegenovergestelde gebeurt bij de potplanten. Op de FloraHolland Trade Fair merkt ze juist enthousiasme van de handel voor de potplanten. “Als je daar iets nieuws laat zien, zijn de reacties juist heel positief. Er is een groot verschil tussen de verkoop van potplanten en snijbloemen”, legt zij uit.

Bijzonder assortiment
“Het valt me zo ontzettend tegen dat iedereen in het vak juist een oproep doet om je te onderscheiden, maar vervolgens niet de daad bij het woord voegt”, legt ze uit. Dit geluid hoort ze vaak bij de handel. Bedrijven willen graag een bijzonder assortiment voeren, maar de kleine eucharis lijkt een beetje te ontsnappen aan hun aandacht.
Hoewel de aanvoer van de snijbloem jaarrond vrij constant is zitten er nauwelijks pieken in de prijsvorming. Soms komt het ineens voor dat de bloemen duur zijn, maar er is doorgaans geen peil op te trekken waarom dat gebeurt. Zelfs als de aanvoer stokt, blijft de telersprijs op hetzelfde niveau hangen. “Maar als er in het algemeen weinig bloemen verkrijgbaar zijn, dan mist de handel het product en bellen ze op”, legt Valstar uit.
Ze verdeelt de aanvoer over alle veilpunten om zoveel mogelijk spreiding te krijgen. Zelden staat er meer dan één kar voor de klok, dus van een echte overproductie is geen sprake.

Last of meerwaarde
Ondanks deze status quo zit ze niet bij de pakken neer. Ze steekt veel energie in het bezoeken van handelaren om haar product onder de aandacht te brengen. Bij enkele handelaren resulteert dat in een vaste afname, maar het merendeel lijkt de eucharis meer als een last te ervaren dan een meerwaarde voor het assortiment.
Vorig jaar bezocht ze veel bloemisten. Daar blijkt het tegengestelde het geval. Die spreken veel waardering uit voor de bloem en gebruiken deze regelmatig in hun bloemwerk. Voor mengen in een boeket vinden ze dit product echter te duur. “Maar dat is geen wonder”, constateert zij. Terwijl Valstar voor de klok gemiddeld 40 cent per steel ontvangt betaalt de bloemist 100 cent inkoop. “Dat is een schrikbarend groot verschil”, vindt ze. “Bij grote producten als bijvoorbeeld rozen is die marge veel kleiner. Als die situatie in stand blijft, is het bijna onmogelijk dat eucharis – of welk klein product dan ook – extra kans maakt op groei.”

Veel geduld
De kostprijs van eucharis ligt een flink stuk hoger dan de gemiddelde prijs die de teler ontvangt. De bol is moeilijk te telen en de verwerking vraagt veel geduld. Iedere steel krijgt een flesje water mee. De bloemen liggen met twintig stelen in een doos, netjes verpakt met schuimrubber laagjes om beschadiging te voorkomen. Van elke bloem worden de schudblaadjes handmatig verwijderd. In elke doos ligt een folder met informatie over behandeling en houdbaarheid. Alles om de bloemen in goede conditie bij de eindklant te krijgen.
Inmiddels heeft het bedrijf een eigen website, facebookpagina en twitteraccount. Valstar: “Ik merk de laatste tijd dat het bezoek aan de website omhoog gaat. Dat is ook een gevolg van mijn deelname aan social media. Of dat echt iets op gaat leveren is nog afwachten.”

Onzekere toekomst
Intussen zoekt de teler naar producten die mee kunnen lopen in het teeltschema op het bedrijf. Alleen inzetten op de eucharis betekent een onzekere toekomst. “Wij hebben gewoon zorgen”, legt ze uit. “Als het zo doorgaat moeten we echt gaan minderen, hoe graag we ook deze bloemen telen. Toch bereiken ons genoeg signalen dat we er mee door moeten gaan. Ik weet zeker dat er kansen liggen als er exporteurs bereid zijn samen met ons de schouders er onder te zetten. Dan lukt het zeker.”

donderdag, maart 08, 2012

Twee jaar geleden bezocht ik het bedrijf Pireco. Een kleine onderneming, opgezet door een man met idealen. In het kader van de discussie rond de RUB-regeling is dit verhaal ineens weer actueel.



Wim van Garderen en Ronald Kiel:
‘Wij zijn zakenmensen met een portie idealisme’

Er zijn twee benaderingen om planten gezond te houden: symptomen van plagen en ziektes bestrijden of planten sterk en weerbaar maken. Pireco is de naam van een bedrijf, maar ook van een productlijn van natuurlijke middelen om planten en gewassen juist vitaler en dus sterker te maken.

Een industrieterrein in Lelystad is de thuisbasis van een met knoflookgeur omgeven bedrijf dat pionierswerk verricht op basis van eeuwenoude wijsheden uit oost en west. Oud-boomkweker Wim van Garderen en zakenman Ronald Kiel bedenken hier methoden om planten gezond te houden. In de productieruimte van het bedrijf staan grote vaten met kruidenmengsels. Gefermenteerde en geconcentreerde extracten – in totaal elf - van bijvoorbeeld knoflook of plantenblad zijn ingrediënten voor Pireco. Het bedrijf maakt een productlijn voor kruidachtige planten en houtige gewassen, vloeibare middelen, korrels, granulaat en capsules.

 Weerbaar maken
Van Garderen liep in zijn tijd als boomkweker tegen moeilijk te bestrijden ziektes aan, zoals schurft in sierappels. Hij bedacht dat het veel logischer was de planten weerbaar te maken, dan dat hij maar steeds curatief aan de slag moest. Hij filosofeerde over de kringloop van het plantenleven. “Eenzijdige bemesting met nitraten maakt de plant zwak”, redeneerde hij. “Bovendien gaan wij anders met onze cultuurgewassen om dan de natuur zou doen. Wij halen in de herfst het blad weg, waarvan de essentiële stoffen niet meer terug komen in de boden en beschikbaar zijn voor de wortels.”
Daarnaast speelt het probleem van plaagdieren. Van oudsher is bekend dat plagen bepaalde planten mijden. Dus als je extracten van die planten op laat nemen door plantenwortels van cultuurgewassen dan zijn ze daardoor onaantrekkelijk geworden.
Op basis van die theorie begon hij met het verzamelen van natuurlijke stoffen en kruiden en startte met experimenteren. En met succes.

Geduld hebben
“Pireco is niet de enige oplossing voor problemen”, gaat hij door. “In de professionele land- en tuinbouw is men gewend direct resultaat te zien van beschikbare middelen. Hier moet je geduld hebben.” De oud-boomkweker legt uit dat het een tijdje duurt voordat een teler resultaat ziet van de toepassing. De wortels moeten de gelegenheid krijgen om het middel op te nemen. Bovendien moet hij werken aan meer factoren om planten en gewassen in een betere conditie te krijgen. Dat moet hij dus eerst leren. Het is dus logisch dat Van Garderen ook veel vragen krijgt vanuit de sector en daarmee graag samenwerkt. “Je moet van Pireco geen wonderen verwachten”, geeft hij aan, “maar door intensieve samenwerking kunnen goede resultaten worden behaald.”

Beginnende industrie
Het zoeken naar nieuwe methoden en gebruik van effectieve ingrediënten gaat onverminderd door. Binnen de duurzame land- en tuinbouw past de aanpak volgens het principe van dit bedrijf prima. Ronald Kiel: “Dit is echt een beginnende industrie, waar we nog veel over moeten leren. In december hebben we het SKAL certificaat behaald. Dat is een goed stap. Het geeft ons nu de mogelijkheid om ook de biologische landbouw te ondersteunen.”
Niet voor niets heeft het bedrijf zich midden in de polders gevestigd. Zo zitten ze in het hart van de akkerbouw, waar zij hun missie het eerst in de praktijk willen brengen. Ook zetten zij proeven uit bij officiële instanties en in de praktijk, om de werking aan te tonen en te verbeteren.

Minder aantrekkelijk
Hoe zit het nu met die knoflook? Van Garderen glimlacht. “Planten die stoffen uit knoflook opnemen zijn minder aantrekkelijk voor plagen. Neem nu gras op sportvelden. Engerlingen kunnen daar flink in huishouden. Aangezien de engerlingen verder naar beneden kruipen als gevolg van het injecteren of spuiten, vreten ze niet meer aan de graswortels. En als een rozenstruik de stoffen opneemt, dan vinden luizen ze niet aantrekkelijk meer. Nee, planten gaan hierdoor niet naar knoflook smaken.”
Vaak gaat de telefoon als er een ziekte of plaag optreedt die moeilijk is te bestrijden met gangbare middelen. Zoals in het geval van eikenprocessierups. Op dat moment worden er proeven gedaan om een probleem te tackelen. Maar zeker bij een houtig gewas is dat een gecompliceerd verhaal, waarbij de groeiomstandigheden en de samenstelling van de grond ook een belangrijke rol spelen.

Verder ontwikkelen
Van Garderen en Kiel geloven in hun product, maar dat maakt hen geen fantasten. Sinds enige tijd heeft het bedrijf een eigen onderzoeker in dienst, die tot taak heeft het gedachtegoed verder te ontwikkelen. “Noem ons maar zakenmensen met een portie idealisme en realisme”, vindt Kiel. “Onze producten moet je dus niet zien als wondermiddel”, vult Van Garderen aan. “Ze zijn er niet om ziektes te bestrijden, maar om ze te voorkomen.”

vrijdag, februari 10, 2012



Fred van Heyningen over voortschrijdende crisis:
‘Drastische waardedaling vastgoed helpt de sector om zeep’

Van alle glastuinbouwondernemers schreef afgelopen jaar 90% rode cijfers. In 2012 zullen er meer tuinbouwbedrijven te koop komen dan in voorgaande jaren. Rabobank  denkt na over een goed beleid om de consequenties van deze transitie en de daaruit voortvloeiende betalingsproblemen bij hun klanten te managen. “Ik kan geen concurrentievervalsing tussen telers onderling toelaten”, vindt Fred van Heyningen die deze dreiging wil voorkomen.

De kredietportefeuille glastuinbouw van de Rabobank heeft even op zeven miljard euro gebalanceerd, maar is momenteel aan het dalen. Tot 2004 steeg deze gestaag, maar na die datum verdubbelde dit bedrag in razend tempo als gevolg van schaalvergroting. De Westlandse bank heeft vier miljard euro uit staan.
De sector is inmiddels gebutst en gehavend door de slepende kredietcrisis en de glasgroentesector kreeg daar afgelopen jaar nog een EHEC-crisis overheen. Inmiddels verkeert eenderde van de ondernemers in zwaar weer. De sierteelt kreeg eveneens te maken met slechte marktomstandigheden. Door de opeenstapeling van tegenslag moeten veel telers al dan niet gedwongen hun bedrijf beëindigen.
Ondanks deze dramatische tegenslagen boekt de lokale bank nog steeds goede resultaten en heeft de directie voorzieningen getroffen om de crisis het hoofd te bieden.


Richard en Marian van Ruijven over schuldsanering:
‘Probeer het stuur in eigen hand te houden’

Nog één jaar bikkelen en Marian en Richard van Ruijven uit De Lier kunnen weer opgelucht adem halen. Door pure pech moesten zij hun bedrijf beëindigen. Met opgeheven hoofd doorstaan ze een lastige periode in hun leven, die je niemand toewenst maar die toch te overwinnen is. Dit verhaal kwam tot stand omdat Richard en Marian van Ruijven hun medewerking verleenden.

Negen jaar lang was Richard van Ruijven tuinder. Samen met zijn broer Cor teelde hij lisianthus op hun bedrijf Rico Quality Flowers in Honselersdijk. Ze mikten op goede kwaliteit en probeerden zich te onderscheiden met nieuwe rassen. Daarvoor maakten ze afspraken met de leverancier van hun uitgangsmateriaal.

Faillissement
Doorgaans pakt het overstappen op nieuwe rassen goed uit. Maar in dit specifieke geval viel de productie van het nieuwe assortiment tegen. In plaats van de beloofde 90% oogstbare takken kwamen de broers op 50%. Een flinke financiële tegenvaller, aangezien de nieuwe rassen een groot deel van hun bedrijf besloegen. Oorzaak van de tegenvallende productie zat volgens Richard in het wortelstelsel van de afgeleverde planten, maar naar de winter toe zag het plantmateriaal er weer wat beter uit. In overleg met de leverancier besloten ze het er nog een jaar op te wagen.
Van Ruijven: “In het voorjaar van 2009 werd zichtbaar dat het plantmateriaal niet verbeterd was en de oogst weer tegen zou vallen.” Nog tamelijk onverwacht stopte de bank de financiering van het bedrijf. Dat gebeurde een dag voor de zomervakantie. “Eigenlijk een absurde situatie. We zijn gewoon op vakantie gegaan”, herinnert hij zich. Zijn echtgenote Marian vult hem aan: “Het kwam toch nog vrij plotseling, maar op zo’n moment moet je reëel zijn. Dit hou je niet vol.” Voor hen was het wel een klap in het gezicht dat juist de leverancier van het uitgangsmateriaal als eerste het faillissement aan vroeg.

donderdag, december 22, 2011


Jaap en Nancy Rip over hun mini-bromelia’s:
‘Een klant komt altijd van rechts’

Van vandaag op morgen beginnen met mini-bromelia’s is een utopie. Jaap en Nancy Rip hebben een speciaal zintuig voor het aanvoelen van wensen uit de markt en hebben hun assortiment daar volledig op afgestemd. Hun service naar klanten vinden zij hun kracht.

Als de dochter van een lijnrijder en de zoon van een bromeliateler elkaar diep in de ogen kijken dan kan het bijna niet anders of er bloeit iets moois op. Mini-bromelia’s in hun geval en een leuk gezin natuurlijk. Op kwekerij Ripplants in Pijnacker, tussen bont gekleurde bromelia’s, werken Nancy en Jaap Rip aan hun eigen concept, voortbordurend op de lange traditie die de familie heeft in het telen van bromelia’s.

Een vak apart
Lang teelde Jaap samen met zijn vader op 6.500 m2 bromelia’s, zoals aechmea, guzmania en vriesea. Het was een kleine kwekerij met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. In 1992 ging hij proefjes doen met de teelt van mini-bromelia’s; een vak apart, zo bleek. Soort voor soort probeerde hij uit en lang niet iedere bromelia was geschikt om als mini-variant door het leven te gaan.
“Je ontwikkelt een neus voor die variëteiten die geschikt zijn”, legt Rip uit. “Sommigen worden te groot, anderen hebben een te lange teeltduur.” Inmiddels hebben de ondernemers een assortiment van twintig verschillende mini-bromelia’s, die in teeltduur variëren van twintig tot veertig weken. “Zo’n breed assortiment met zoveel variatie past natuurlijk niet in een strak georganiseerd bedrijf”, vertelt Nancy. “Het is dan ook maatwerk. Natuurlijk zijn er telers die ons concept proberen te kopiëren, maar dat is minder gemakkelijk dan het lijkt.”
De teelt van mini’s sloeg dusdanig aan dat Rip in 2000 de laatste grote planten verwisselde voor het kleine assortiment. Ook zochten ze verdere verbreding, met een eetbare mini-ananas en Aloë Vera. De laatste telen ze niet alleen als mini, maar ook in grotere potmaten.

Lijnen uitzetten
Mini’s telen is één ding, maar hoe vind je een afzetmarkt voor de plantjes in 5,5 cm pot? Daar wist Nancy in de begintijd wel raad mee. Haar vader, een Noordwijkse lijnrijder, nam de plantjes mee in zijn wagen naar Duitsland, waar hij ook zelf een aantal bloemenwinkels had. Zo kregen de twee al heel snel in de peiling of er belangstelling was en voor welke variëteiten. “Dit is een ideale startpositie om in de gaten te krijgen welke soorten populair zijn en voor welke er minder belangstelling is”, legt Jaap uit.
Rip kon de export naar Duitsland verder opbouwen aan de hand van de vraag van exporteurs. Inmiddels is Nancy’s vader met pensioen, maar de lijnen zijn uitgezet. Het grootste deel van de afzet loopt via bemiddeling en in cash-and-carry’s worden nieuwe producten uitgetest. Ook de trade fairs zijn plaatsen om meningen van aspirant kopers te testen. De afzet is inmiddels een fulltime job.

 Eigen concepten
Het telen en verhandelen van mini-bromelia’s is een echte specialisatie, hebben ze ondervonden. Jaap: “Juist de soorten die je graag wil telen, kun je moeilijk krijgen.” De bromelia’s worden voornamelijk uit zaad gekweekt, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Amerika. Plantmateriaal dat nu wordt besteld, komt pas als volgroeide plant in 2013 op de markt.
Dat maakt ook de afzet gecompliceerd. Snel inspelen op trends is vrijwel onmogelijk, dus moet je een voorspellende gave hebben. Een vraag van een exporteur is niet zomaar in een order om te zetten.
Nancy heeft inmiddels een eigen plan getrokken en bedenkt concepten voor de mini’s. Zo meent ze dat kleine plantjes in trek kunnen zijn bij kinderen of een leuk kassa-artikel zijn. Ze ontwikkelde een kleurige display voor een mengsel van plantjes onder de naam ‘Happiness in Colour’. De Duitse mix heet ‘Alles Liebe’. Felle kleuren moeten de consumenten verleiden. Het lijkt aan te slaan in Duitsland, Nederland en Oostenrijk. De wensen per land zijn echter verschillend. Zo verwacht ze dat Scandinavië niet voor dit concept zal vallen.

dinsdag, november 22, 2011


Het telen van Celosia’s is een uitdaging voor Feiko Sonneveld

‘Dit gewas vraagt een perfect klimaat’

Celosia’s telen is niet voor iedereen weggelegd. De teelt is met 10 ha bescheiden van omvang en er is geen ruimte voor areaaluitbreiding. Maar als je er eenmaal aan begint, dan is de liefde wederkerig, weet Feiko Sonneveld. Pas zes seizoenen groot in hanenkammen, maar nog lang niet op de top van zijn kunnen.

Ergens achteraf op een laantje in de binnenlanden van Monster tuint Feiko Sonneveld, die rust en ruimte om zich heen heeft, maar koos voor de niet makkelijk te telen Celosia cristata. Hij teelt de Act-typen, die voller en ronder ogen dan de Bombay serie. Een bonte zee van kleuren, geel, roze en rood maken de grauwe dag meteen zonnig. Net als de teler, die het zichtbaar naar zijn zin heeft. Rond hem heen wordt volop gebost. Met vijf stelen tegelijk komen de bloemen via een oogstband naar voren, alwaar ze over een (chrysanten)bosmachine gaan en op 75 cm worden afgesneden.

Kriebels
Sonneveld heeft al heel wat gewassen uitgeprobeerd. Van oorsprong teelde hij asters op een klein bedrijf in Naaldwijk. Celosia’s (plumosa) had hij slechts uitgeprobeerd in een voorjaarsteelt. In 2001 werd hij uitgekocht voor woningbouw en had een sabbatical gedurende een jaar. “Het was een ijkmoment om na te denken of ik tuinder wilde blijven, maar het begon toch weer te kriebelen”, glimlacht hij. In 2002 nam hij daarom een bestaand bedrijf over van 20.000 m2, waarvan hij een deel vernieuwde en weer asters ging telen.
In 2005 had hij het eigenlijk na overdenking wel gezien met die teelt en schakelde over op Celosia in de zomer en chrysant in de winterperiode. Beide gewassen sluiten goed aan op elkaar, qua teeltregime en manier van oogsten. “Het was voor mij een enorme uitdaging om van teelt te wisselen”, gaat hij door en deed eerst een proefteelt met de hanenkammen. Vanaf dat moment was hij verkocht.


Perkplantenteler Peter van der Plas positioneert violen in hoger segment
‘Goed samenwerken is de kern van succesvol concept ontwikkelen’

Een nieuw concept ontwikkelen en het succesvol in de markt zetten gaat met vallen en opstaan. Perkplantenteler Peter van der Plas schakelde de hulp in van de Concept Factory om een plan te bedenken violen hoger in de markt te positioneren. Een goed plan uitdenken is één ding, maar succesvol uitwerken vraagt heel veel inspanning.

Tussen het Blauwe Hek en de Oranje Sluis in Maasdijk groeien de kleurige violen van perkplantenkwekerij Peter van der Plas. Sinds jaar en dag levert hij de bekende clayettes onder anderen aan bouwmarkten, waar de prijsdruk gigantisch is. “Dat moet anders”, vindt Van der Plas. “Het constant omlaag brengen van de kostprijs om voldoende marge te behalen, is de doodsteek voor de sector.” Uit eigen ondervinding weet hij dat waardevolle producten soms waardeloos zijn geworden door die houding.
Via verpakkingsleverancier Modiform kwam hij op het spoor van Concept Factory, een bedrijf dat bloem- en plantconcepten ontwikkelt. Daar kwam hij in contact met Janny Meemelink, die ruime ervaring heeft opgedaan in de sierteeltmarkt en retail. Samen werkten ze een nieuw concept uit om een deel van de productie boven de massa uit te tillen. Een case om van te leren.

maandag, november 21, 2011

Tuinderstroonrede

De Tuinderstroonrede is op 2 november 2011 uitgesproken op de Hori Fair. In dit bijzondere project analyseert een Raad van Elf tuinbouwmensen de problemen in de sector en te nemen maatregelen. Onderstaand de integrale tekst. Op de foto Foodlog's Dick Veerman, alias de Koningin.


It’s about trust, stupid



Geachte Leden der rond de Nederlandse Tuinbouw verzamelde Staten Generaal,

Vooralsnog krijgt u deze titel illegaal. Bestonden die Staten maar, dan zouden de donkere wolken die zich de afgelopen jaren boven tuinbouwland hebben samengepakt wellicht niet zijn ontstaan. Er was dan mogelijk een bloeiend ‘business ecosystem’ ontstaan. Zo noemden visionaire consultants al in de jaren ’90 van de vorige eeuw creatieve vrijplaatsen waarin nieuw aanbod en vraag zich sneller en beter moesten ontwikkelen. Directer bovendien omdat zelfs consumenten er serieus onderdeel van uit maken en niet alleen als koopvee.

Dáár moeten we naar toe. Het is onze ambitie om daar te komen. Als middel erheen is de Tuindersraad opgericht, die hopelijk zal inspireren tot een heuse hippe Statenvergadering. Eentje waarin het vertrouwen tussen de schakels in de keten onderling kan worden hersteld. 
Dat vertrouwen is weg. Daarom kan de markt op dit moment zijn verwoestende werk doen. 



Opbouw rede
Deze rede bestaat uit drie onderdelen:
1. een analyse: hoe zijn we gekomen waar we staan? 
2. een conclusie: waar gaan we heen als we zo doorgaan? 
3. voorstellen op hoofdlijnen: welke visie en maatregelen kunnen ervoor zorgen dat de tuinbouw niet als een Phoenix hoeft te sterven en herrijzen maar kan vernieuwen vanuit een gezonde doorstart?

Aangetekend zij, dat sectoren niet te redden zijn. Ondernemers moeten zichzelf redden. Wijze bestuurders hebben echter de taak de barrières weg te nemen die op dit moment zelfs de sterkste ondernemers het leven te moeilijk maken.



ANALYSE
De afgelopen vijftien jaar is een ondernemersvijandige omgeving ontstaan. Dat is het gevolg van een samenloop van omstandigheden. 



Witte pomp: maakte het product ‘om het even’
Tuinders telen ‘gewoon’ komkommers, paprika’s en tomaten, ook al zijn er verschillen in teelt en zijn er rassen en teeltwijzen waarvan de smaakresultaten consumenten hogelijk zouden verrassen. De Nederlandse tuinbouw maakt vooral ‘witte pomp’ en geen Shell, Mobil, Q8 of Esso ook al doen die allemaal hetzelfde in je motor. Een handjevol uitzonderingen daargelaten, maken ze geen Apple’s, Dells of HP’s, laat staan Porsches, Aston Martin’s of Maserati’s en zelfs geen Volkwagen, Dacia of Skoda. Geen Renault of Peugeot en geen Fiat, Seat, Ford of Honda.
Hun product is ‘gewoon een tomaat’ of ‘gewoon een paprika’, terwijl ‘gewoon een auto’ een begrip is waar niemand zich iets bij kan voorstellen. Hun koper kan en mag niet kiezen. Als een komkommer of paprika ‘gewoon’ een paprika of komkommer is, dan zal het ook hun verkopers worst zijn. Iedere paprika, tomaat, trostomaat, roma-tomaat, komkommer of chrysant is dan even goed. Als de tuinder een consument geen reden geeft om zijn product te prefereren is het ook AH, Jumbo en de zeldzaam geworden groentenboer om het even. 



Collectieve afzetstructuren, bulkhandel en intransparantie: oorzaak voor vijandig innovatieklimaat
De afzetstructuren zijn collectief en strikt. Ondernemers kunnen niet makkelijk buiten de ‘one size fits all’ treden. De bestaande structuren zijn dodelijk gebleken voor de innovatie van het product en de communicatie daarover naar het publiek. Waar het publiek reikhalzend uitziet naar de nieuwste Apple of Astra, verwacht het niets van tomaten of paprika’s. Die zijn ‘gewoon’ en zijn werkelijk verschrikkelijk om het even. 

Daarbij komt dat het vervangen van ‘de klok’ door de structuren die zo’n 15 jaar geleden zijn ontstaan om, zoals men destijds dacht, tuinders ‘marktmacht’ en een ‘onderhandelingspositie’ te geven ervoor gezorgd hebben dat niemand meer weet hoeveel tomaten en paprika’s er rondgaan en gevraagd worden. 

In die situatie is elke paprika is er één teveel, zelfs als dat niet zo is. Op momenten van een schijnbaar overschot zijn de tuinders een gemakkelijke prooi voor afnemers. Ze zijn het weerloze slachtoffer geworden van de collectieve kracht die ze dachten te maken. De macht waar hun vertegenwoordigers en sectorshapers van droomden werd hun dodelijke zwakte. 
Ook de handel die niet vraagt om of zich inzet voor onderscheidende producten is daar debet aan. Ons land speelt een leidende rol in de internationale groenten- en fruithandel, maar voegt amper waarde toe aan de goederenstroom die we van A naar Z en een heleboel tussenplekken verplaatsen. 
Nederland zet slechts door en maakt geen waarde. Handel als louter logistieke functie biedt de Nederlandse tuinbouw, die het moet hebben van innovatie en onderscheidend vermogen ten opzichte van concurrende tuinbouwclusters, geen toekomst. De huidige handelsgeest is dodelijk voor het Nederlandse tuinbouwproduct. 


EHEC en kansen: structuur zefs vijandig in crisisdagen
Innovatie en onderscheid worden als het ware uit de tuinder geslagen. Dat werd duidelijk tijdens de EHEC-crisis. Telersverenigingen en handel verzetten zich tegen de terechte ‘EHEC-vrij’-claim die enkele telers wilden hanteren. Zelfs in die extreme omstandigheden reduceerden zij de kracht van Nederlandse tuinders tot een onverschilligheid. Economisch en marketingwise toont een dergelijk voorval aan dat ze geen waarde toe- maar juist afvoegen. Ze zitten ondernemers in de weg. Ondernemers of collectieven van ondernemers die zich willen onderscheiden zouden daarom beter hun eigen verkopen ter hand kunnen nemen.

Laat het hardop en duidelijk gezegd zijn: waar economen en marketeers markten met veel aanbieders in complete mededinging en weinig afnemers als uiterst onwenselijk beschouwen hebben telersverenigingen, handel en hun lobby's in ‘Brussel’ alles op alles gezet om een onwenselijke markt met hand en tand in stand te houden. Wie het weet mag het zeggen: is het onkunde of onverschilligheid? 



Organisatie GMO-subsidies: versterking vijandig klimaat
Deze situatie is verergerd door de manier waarop de zogenaamde GMO-subsidies zijn verdeeld. Ooit zijn ze in het leven geroepen om innovatie te stimuleren en afzet te verbeteren. Door hun verbondenheid met de telersverenigingen zijn de middelen voornamelijk geïnvesteerd in verdere kostprijsverlaging in plaats van verbetering van onderscheidend vermogen. De GMO gelden hebben eraan bijgedragen dat nog meer product, nog sneller naar de markt kon en die nog sneller kon verpesten. Het is tekenend dat ondernemers die GMO gelden ontvangen hun product niet mogen onderscheiden. Zelfs niet met het wereldwijd bekende begrip ‘Holland ‘dat Holland als gekend veilig tuinbouwland zou kunnen oproepen.

Het is pijnlijk om het hardop te zeggen, maar het moet geconstateerd worden: de openbare middelen die bedoeld waren om de inkomstenstroom te verbeteren zijn besteed aan zaken die het vijandig klimaat tegen creatieve ondernemers met plannen voor onderscheidende, lekkerdere en alleen al daarom gezondere tuinbouwproducten verder hebben versterkt. 


Ruime geld- en kapitaalmarkt: context zorgde en zorgt nog steeds voor ‘meer van hetzelfde’ in plaats van innovatie
De ruime geld- en kapitaalmarkt van het vorige decennium zorgde voor snelle uitbreiding van het areaal met veel, heel veel van hetzelfde. Daarbij kwamen nieuwe financieringsconstructies die ook elders in de economie voor inmiddels doorgeprikte bubbels hebben gezorgd. Deze cocktail zorgde weliswaar voor modernisering en verduurzaming van het kassenbestand, maar tevens voor een waardedaling van het areaal. Het maakte oudere en kleinere bedrijven de facto waardeloos. In afwachting van een nieuw klimaat, zorgt het er helaas ook voor dat banken met een grote exposure in tuinbouw kopschuw worden voor maatregelen die tot een afwaardering van hun onderpand kunnen leiden. Dat nieuwe klimaat ontstaat echter niet zolang de bestaande situatie van overproductie voortbestaat. De oude tijd heeft de nieuwe in een forse houdgreep. Dat besef is nog zeer onvoldoende tot de sector als geheel doorgedrongen. 


CONCLUSIE
Er is een fuik ontstaan die leidde tot de productie van steeds meer van hetzelfde. De markt is verpest met goed, maar veel van hetzelfde product dat door organisaties die geen waarde weten toe te voegen wordt doorgezet aan te weinig inkopers. De thans geldende afzet- en organisatievormen van de tuinbouw versterkten de zich twee decennia geleden reeds vormende (in)kopersmarkt. Door het afschaffen van ‘de klok’ tasten bulktelers bovendien als een blinde muis in een donker pakhuis naar de verhouding tussen vraag en aanbod. Om geen kansen te missen produceren ze maar aan en verlagen ze hun kostprijs door hun balansen te verlengen en zich steeds verder in de schulden te steken.
In feite zou er product ouderwets moeten worden doorgedraaid. De markt voelt een voortdurende staat van verzadiging, al kan niemand die precies maken. We weten bovendien dat afgekeurd product ver van onze grenzen als regulier opduikt. Alles wordt verkocht en gegeten. Dat de marktwaarde onder de al scherpe kostprijs is gedaald schijnt niemand te deren.

Er worden kilo’s geknald naar inkopers. De lage inkoopprijzen worden echter niet vertaald naar consumenten. Zij betalen hoge prijzen voor vers omdat het retailkanaal via hoge marges in dat segment zijn margemix in het zwart houdt. Wederverkopers concurreren immers met elkaar op merkartikelen en houdbaar. Het is dan ook onzinnig om een hoger deel van de bruto marge van supers op vers te eisen. Hun netto marge wordt de facto immers bepaald door hun totale margemix.
Het probleem zit in de organisatiestructuren van de tuinbouw zelf.

In deze marktomstandigheden hebben zelfs uitzonderlijke ondernemers het zo druk met overleven dat zij geen puf meer over hebben om aan hun toekomst te werken. Overproductie en overstretch van hun emoties hebben hun balansen en moraal uitgemergeld. Er zullen meer faillissementen en bedrijfsstakingen plaatsvinden dan nodig is wanneer we kijken naar de kwaliteit van het thans nog aanwezige ondernemerschap. Dat kan de bedoeling niet zijn van koepels, banken en overheid. Zij hebben dan ook een bijzondere verantwoordelijkheid.


Tijd voor verandering: een horizon
Sectorgenoten en andere betrokkenen, het is tijd voor verandering. Dat gaat niet van de ene dag op de andere, maar kost tijd. Ook de Grote Mars begon met de eerste Stap.

Om weer lucht te krijgen moet ‘witte pomp’, de bulkproductie, in volume terug. Op korte termijn zal dat moeten door afschrijving van ca. 5% van het areaal. Marktkenners geven aan dat dit het permanente gevoel van verzadiging uit de markt zal halen. Tegelijk zullen maatregelen moeten worden genomen om het in de markt aanwezige volume voor bulkondernemers zichtbaar te maken.

Daarnaast moeten bulkondernemers worden gestimuleerd om Renaults, Skoda’s, Volkswagens, Fords en BMW’s te ontwikkelen. Niet alleen voor de binnenlandse markt maar ook voor de belangrijke exportmarkt.

Wederverkopers bevinden zich in een slag om de consument. Een groeiende groep consumenten zoekt naar een transparant en kwalitatief hoogwaardig product dat overtuigt omdat het bovendien lekker is. Gangbare kanalen spelen inmiddels in op deze trend. Dat is een ontwikkeling die in het voor de Nederlandse tuinbouw belangrijke buitenland al verder is dan in Nederland. Ook in Nederland ontwikkelt zich het aanbod met een herkomst of intentionele waarde (good, fair en clean) inmiddels snel. Als Nederlandse ondernemers geen vaart kunnen maken, zullen ze door buitenlandse ingehaald worden. Zo mag het Belgische Flandria inmiddels als een voorbeeld worden genoemd dat de Nederlandse sector voorbijstreeft op dit gebied. Ook in Nederland zijn op geheel eigen wijzen inmiddels voorbeelden van deze ontwikkelingen te zien, zoals Greenco en Looije bewijzen.

De consument verliest zijn vertrouwen in producten waarvan hij niet weet hoe ze tot stand zijn gekomen. Op dit moment is het wantrouwen nog te klein om hen ineens en massaal over te halen tot nieuwe op de eindmarkt gerichte verkoopformules die van deze waarden hun kernpropositie maken De markt is er nog niet aan gewend. De basis is echter onmiskenbaar aanwezig. Daarom zijn experimenten nodig om de markt zich te laten ontwikkelen en te laten zien dat die bestaat. Dat geeft perspectief en vertrouwen. 

Er zijn kansen te over. De toekomst biedt in vele variaties ruimte voor zogenaamde ‘product marketing’ die het verhaal van het product vertelt in combinatie met radicale vormen van ‘customer intimacy’. Die ruimte kan niet door de wederverkopers alleen worden ingevuld en biedt daarom de basis voor verticale ketenintegraties op basis van wederzijds vertrouwen in elkaars rol. De tuinbouwer zal zijn product transparant moeten maken en het verhaal daarover moeten vertellen. Consumenten zijn de afgelopen 40 jaar niet meer voorgelicht over wat zij eten. Schandalen, voedselveiligheids- en gezondheidsvraagstukken zorgen ervoor dat hun interesse groter is dan ooit. Dit biedt kansen voor een geheel nieuwe vorm van inhoudelijke marketingverhalen. De tuinder kent dat verhaal en moet het vertellen en leren vertellen. Consumenten kunnen vertellen wat zij willen als zij zien wat ze kunnen vragen. Zo zullen ze mede-eigenaarschap nemen van producten in een duurzamere wereld die tevens een lekkerdere en gezondere wereld zal worden. Consumenten zijn niet gek. Je moet ze vertellen waartussen ze kunnen kiezen.

De wederverkoper van de tuinder zal de laatste de ruimte moeten geven om zijn dialoog met consumenten te starten. Zo ontstaan nieuwe evenwichten op basis van wederzijdse afhankelijkheid, de superioriteit van producten, vertrouwen in elkaars kwaliteiten en betrouwbaarheid die om meer gaat dan korte termijn belangen en kostprijzen alleen. 

Dit spel zal in zowel binnen- als buitenland moeten worden ontwikkeld, in samenwerking met wederverkopers, handel en – vooral niet in de laatste plaats – consumenten. Zij zullen gaan zien dat ze iets te kiezen krijgen en daar een stem in hebben. Een nog te groot deel van de tuinbouwondernemers is er niet van overtuigd dat dit zal werken. Zij zien nog niet dat ook supermarkten behoefte hebben aan echte vertrouwensbanden met de consument. In de huidige marktomstandigheden is dat begrijpelijk. 

Er is geen reden om de productie in Nederland alleen te concentreren. Vertrouwen en samenwerking met buitenlandse wederverkopers betekent dat bedrijven zich dichter bij consumenten moeten vestigen of, op basis van superieure teelt- en teeltenkennis, gaan samenwerken met bedrijven elders in de wereld. Tuinbouw is een serieuze industrie en dient zich dan ook serieus over de wereld te verspreiden. Het is een industrietak die niet verder dan circa 500 kilometer van zijn eindklanten verwijderd zou moeten zijn om de hoogst mogelijke kwaliteit en diversiteit bij de laagst mogelijke kosten te kunnen bieden.

De genoemde maatregelen noodzaken het verlaten van het collectivistische denken en de strikte collectieve afzetstructuren en daarmee verbonden keurslijven voor ‘innovatie’. Daaraan vasthouden zet de tuinbouw, die economisch en maatschappelijk van belang is voor Nederlands positie in Europa, voor jaren op achterstand. Kennis vliegt weg en voorsprong verdwijnt. 
Als de tuinbouwproductie het land verlaat, verlaat ook de geest van de tuinbouw de Natie. Differentieer, internationaliseer, hou een brede ontwikkelbasis in Nederland maar verbreed thans naar het buitenland vanuit onze kennisvoorsprong.

De allerbelangrijkste basis om vanuit die geest te werken is vertrouwen in mensen in alle schakels van de keten. Dat vertrouwen is weg en moet herwonnen worden. 



TOT SLOT - opmaat naar de toekomst
Een sanering van 5% van het areaal zal lucht bieden en ondernemers op adem laten komen. Banken, bestuurders en overheid moeten op de kortst mogelijke termijn bepalen of ze hun verantwoordelijkheid eindelijk willen nemen. De ademtocht die ontstaat zullen wij invullen met praktische voorstellen die we op 1 februari aanstaande openbaar maken. In die voorstellen maken we inzichtelijk hoe de bestaande budgetten voor de sector als totaal kunnen worden gebruikt om de zojuist geschetste context voor ondernemerschap efficiënt en effectief te ontwikkelen. Die verantwoordelijkheid nemen we omdat we denken dat de bestaande collectieve geest te vertroebeld is om het te kunnen.

Een bankier vroeg onlangs dringend om plannen vanuit de sector. Wij maken hem hier duidelijk dat het bulkt van de kansen, maar dat een eerste stap nodig is om de verlammende paniek van het voortdurend bestaande overaanbod weg te nemen. 
Zet die stap als banken of als banken in samenwerking met de overheid. Het is wijs om deze saneringen ten koste te laten gaan van de minst presterende bedrijven. Of dat warm of koud moet, is een kwestie van gezamenlijke bestuurlijke verantwoordelijkheid nemen of die afwijzen. Hoe dat ook zij, het resultaat moet zijn dat er areaal afgeschreven wordt en de daarmee gemoeide kassen voorlopig leeg blijven.

Deze interventiemaatregel haalt het onderlinge wantrouwen uit de markt en creëert een gezond en duurzaam substraat voor ondernemerschap. Eerder zullen er naar onze stellige overtuiging geen concrete plannen komen die een noemenswaardige sector overlaten. 
Met deze uitspraak verklaren wij waarom er geen werkbare sectorplannen uit de organisatie van de bedoelde bankier kwamen, ondanks de belofte dat die er zouden komen. Het vertrouwen van en in ondernemers moet eerst hersteld worden. Dat gaat niet met de permanente adem van te veel – en nog meer - product in je ondernemersnek.

Ook koepels, bank en overheid moeten vertrouwen hebben. Hebben ze dat niet, dan zal de tuinbouw net als de scheepvaart destijds eerst vastlopen, steeds meer weggegooid geld kosten en pas ver daarna als een Phoenix uit zijn as kunnen herrijzen. 
Nederland heeft inmiddels weer een bloeiende high tech scheepvaart. Er is echter meer kapot gemaakt dan ons lief was.
Laat dat in tuinbouw niet ook gebeuren. 

U hoort verder van ons op 1 februari en wij nodigen iedereen uit die als illegaal Statenlid mee wil kijken naar het werk dat we in de aanloop tot die datum verzetten. 

Onderwijl beoordelen we de bestuurders op hun lef om vertrouwen te hebben en dat te creëren. De Grote Mars begon met de eerste Stap. Saneer een beetje bulk en laat dat de laatste one size fits all stap zijn. Het is tijd voor ondernemerschap. Er zullen ondernemers verdwijnen en werk vinden bij andere, mogelijk elders in de wereld.
Groot en klein, niche en merkbulk zullen hun nieuwe wegen vinden in nieuwe ketenverbanden en nieuwe, maar op ondernemerschap gebaseerde collectieven.

Wij sluiten af. Om te bereiken wat we hier schetsen zijn dienende bestuurders nodig en ondernemende vlaggendragers met kloten. Als we ons dat realiseren zal het vanaf 2012 eerst een beetje minder kut gaan en daarna steeds beter. Dan krijgt Nederland tuinbouwland weer vertrouwen in de toekomst.

Wordt vervolgd...


Bron: Foodlog

donderdag, november 17, 2011

Slechte tijden

Zojuist las ik op de AGF-site dat Kwekerij de Tún bv uit Berlikum is failliet verklaard. Twee jaar geleden interviewde ik Aart Cornelissen, eigenaar van onder andere dit bedrijf over een hele andere kwestie, namelijk energie. Aart was heel open over de situatie op zijn bedrijf. Op dat moment liep hij al tegen enorme verliezen aan.
Het was net zo’n grauwe dag als vandaag. Op de terugweg naar huis begon het tot me door te dringen hoe slecht sommige ondernemers er voor staan. Het zette me aan om uiteindelijk Tuinders Titanic te schrijven en alles dat volgde.
 Op dit moment probeert een kleine groep van tuinbouwmensen achter de schermen orde in de chaos te brengen. Hun analyse is te lezen in de Tuinderstroonrede en er volgt nog meer. Houd dus Foodlog in de gaten.

Maar nu als eerbetoon aan Aart Cornelissen het interview van twee jaar geleden dat verscheen in Onder Glas


Vruchtgroenteteler start in nieuw handelsplatform
Aart Cornelissen: ‘Eenderde omzet moet uit energie komen’

Vruchtgroenteteler Aart Cornelissen in Berlikum doet inmiddels ruim drie jaar zijn eigen in- en verkoop van energie. Door de groei van zijn bedrijf is het geïnstalleerde WKK-vermogen inmiddels 10 MW, waarvan een kwart nog meedraait in een pool. In januari gaat hij mee draaien in het nieuwe handelsplatform van Nuon.

Het kan snel gaan. Zou Aart Cornelissen negen jaar geleden gedacht hebben dat hij nu een bedrijf van 22 ha zou bestieren, toen hij uit Zundert vertrok voor een avontuur in het noorden? Waarschijnlijk niet. Toch gebeurde het sneller dan verwacht door een toevallige samenloop van omstandigheden en enige drang tot expansie.