zaterdag, maart 21, 2015

Interview


Fred van Heyningen over internationaal ondernemen:
‘Als wij geen stappen doen in het buitenland doet een ander het’




Nederlandse boeren en tuinders zijn de beste ter wereld, hoort Fred van Heyningen op zijn reizen naar het buitenland. Volgens hem kunnen Nederlandse ondernemers een belangrijke rol vervullen bij het beteugelen van het wereldvoedselvraagstuk. Maar ze zijn te klein om het alleen te doen. Daarvoor moeten ze samen opereren, ondersteund door banken en overheid.

Op de kop af een jaar geleden verruilde Fred van Heyningen zijn functie als directielid van Rabobank Westland voor die van Global Head Food & Agri Banking bij Rabobank Nederland in Utrecht. Hij is voorzitter van de board van de agrarische financieringstak van deze bank in de Verenigde Staten, een bedrijf waar momenteel 600 mensen in dienst zijn, en lid van de board voor Australië en Nieuw-Zeeland. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de tachtig onderzoekers van Food & Agri research, die wereldwijd opereren en kijken naar trends en ontwikkelingen.
Van Heyingen liet de tuinbouwsector op nationaal niveau achter zich en richt zich nu op de kansen van Nederlandse bedrijven in het buitenland. Het was een jaar van indrukken opdoen, contacten leggen, inventariseren en plannen maken. Hij vertelt over de kansen en de valkuilen die hij ziet voor Nederlandse bedrijven in het buitenland.


Internationale strategie
Hoewel de bank momenteel in Nederland moet bouwen aan herstel van vertrouwen, staat de bank goed aangeschreven in het buitenland, heeft hij gemerkt. Met een portefeuille van 21 miljard euro in de veehouderij, waarvan 12 miljard in Nederland, behoort de bank wereldwijd tot de belangrijkste agrarische banken. De totale portefeuille in de primaire sector bedraagt 30 miljard euro aan leningen en kredieten in het buitenland en evenveel in Nederland.
Het eerste jaar heeft Van Heyningen nodig gehad om voor zichzelf een beter beeld te vormen wat de bank internationaal doet. “Zo ben ik in landen geweest waar we al lang bankieren, maar ook in landen met opkomende markten. Het meest ben ik bezig met het bepalen van de internationale strategie op gebied van Food & Agri. Onze centrale kringvergadering, ons besluitvormend orgaan, zal in mei besluiten wat onze strategie voor de komende vijf tot tien jaar zal zijn.”
Belangrijk vindt hij in welke landen de bank aanwezig wil zijn en hoe klanten nog beter kunnen worden bediend met de aanwezige kennis. “Hoe verbinden we bijvoorbeeld de grote handelshuizen met onze boeren en tuinders.”

Hoogste productie
De wereldbevolking groeit naar verwachting tot negen miljard mensen in 2050. Hoe kan de Nederlandse tuinbouw bijdragen aan de voedselvoorziening? “Heel veel. Neem nu een land als India. Daar woont 17 procent van de wereldbevolking. Slechts 10 procent van het land is geschikt voor voedselproductie. Bovendien heeft het land maar een paar procent van de totale zoetwater voorraad wereldwijd ter beschikking. Voor dit land is het dus van groot belang om intensiever en duurzamer te telen.” Van Heyningen zet daar de kennis van de Nederlandse tuinbouw, of zelfs de hele agrarische sector, tegenover. “Dan zie je hoe goed wij kunnen omgaan met weinig productiemiddelen. Wij zijn kampioen wanneer het gaat om de hoogste productie per druppel water.”
De Nederlands glastuinbouw kan dus heel veel betekenen in het beheersbaar houden van het voedselvraagstuk. “Maar dan moet dat wel concreet zijn. We hebben techniek, kennis en ondernemers. Zonder echte telers is die techniek waardeloos.”

Geïntegreerde plannen
Van Heyningen geeft een voorbeeld. “Een Turks bedrijf bestelde 4 ha kas in Nederland. Het kreeg daarbij min of meer de garantie dat het 60 kg tomaten per m2 zou kunnen plukken. De productie kwam echter door onvoldoende begeleiding niet hoger dan 35 kg per m2. Dat viel uiteraard tegen. De tweede fase van het project werd niet besteld.”
Hij is er groot voorstander van om geïntegreerde plannen te ontwikkelen. “Samen met investeerders in andere landen, waarbij wij niet alleen technologie leveren maar ook kennis en begeleiding. Er zullen dus ook Nederlandse telers bereid moeten zijn om mee te gaan en zich langjarig aan een project te verbinden.”
De sector moet bovendien bereid zijn om zich te laten betalen naar de opbrengst van het project, leert dit voorbeeld. “Dat kan uiteraard alleen bij een sterke samenwerking tussen kassenbouwers, zaadleveranciers, marketingorganisaties, telers en kennisleveranciers. Als bank moeten we daar een rol in spelen en wellicht ook de overheid. Je kunt namelijk niet al het risico bij de ondernemer leggen. Zo’n combinatie kan de Nederlandse positie versterken.”

Langdurig investeren
Gevraagd of Nederland daar wel goed in is, antwoordt de financieel specialist: “Als wij het niet doen, doet een ander het. Er zijn niet alleen Nederlandse toeleveranciers op de markt. Wanneer ik in het buitenland een compleet tuinbouwbedrijf zie, afkomstig uit een ander land, dan denk ik: we hebben de verbinding gemist.”
De structuur van het Nederlandse horticluster wreekt zich volgens Van Heyningen, omdat er veel kleinere partijen zijn met uitzondering van bijvoorbeeld Rijk Zwaan of FloraHolland. Er zijn dus niet zo veel bedrijven die de omvang en de middelen hebben om langdurig te investeren in het buitenland. Dat is wel het geval bij andere clusters, waar één grote speler veel draagkracht heeft. Of overheden, die toeleveranciers bijzonder actief ondersteunen, zoals in Frankrijk en Israël.”
Hij ziet het dus als de missie van de bank om het bedrijfsleven te ondersteunen en te kijken of bevordering van samenwerking mogelijk is. “De bank is bereid om in langlopende projecten te investeren, maar wel samen met ondernemers en overheid, omdat de risico’s groot zijn. Zijn we niet in staat om die professionaliseringsslag te maken, dan blijft vernieuwing lastig. Dan kunnen we te weinig internationale projecten naar ons toe trekken.”

Beste ter wereld
De vraag is actueel of de Nederlandse bedrijven op dit moment sterk genoeg zijn om die stap te maken. “In Nederland hebben we te maken met een lastige financiële situatie, hoewel dat niet voor alle bedrijven geldt. Dat zal niet snel veranderen. Toch denk ik dat het voor onze toeleveranciers en telers echt goed zou zijn als de internationalisering doorzet. Zo blijft de tuinbouw vernieuwend.”
Voor ondernemen in het buitenland heb je echt die Hollandse drive nodig om er een succes van te maken, zo luidt zijn mening. “Waar je ook komt, op het moment dat er een Nederlander aanwezig is dan heb je te maken met een krachtige onderneming. Dat moet maar eens gezegd: de Nederlandse boeren en tuinders zijn de beste ter wereld. Maar goed, je moet het wel kunnen waarmaken en vormgeven.”

Enorme sprongen voorwaarts
Ondernemers en toeleveranciers hebben niet altijd de mogelijkheid om langdurig te investeren in een project, zeker niet wanneer de terugverdientijd lang is. Daar ligt dus de rol van de bank. “Je kunt een bedrijf niet vragen om tien jaar voor te financieren. Wij kunnen in samenwerking met de overheid voor de overbrugging zorgen, omdat het gaat over aanzienlijke bedragen. Ook onze kennis over internationaal financieren kunnen we inzetten. We zijn in veel landen vertegenwoordigd en hebben mensen die ter plekke kunnen assisteren. Daarbij moeten we wel onze plaats weten, want ondernemers in andere landen moeten het zien als hun project, waarbij zij een verbintenis met ons aangaan.”
Die bescheidenheid is gepast. Van Heyningen was bijvoorbeeld in India bij een bedrijf dat een eigen proeftuin heeft. Daar zijn ze heel goed bezig met het ombuigen van Westerse technieken naar Indiase omstandigheden. Wanneer je vanuit Nederlands perspectief kijkt, loopt zo’n initiatief nog steeds achter, maar het bedrijf maakt wel enorme sprongen voorwaarts. “Nog tien jaar en het is een concurrent van Wageningen UR. De sector moet partner worden van dit soort bedrijven, want ze gaan door.”

Concurrentie fors onderschat
Als geboren en getogen Westlander doet het de bankman pijn hoe de sector er voor staat. “Achteraf gezien zijn zaken niet goed gegaan en daar heeft onze bank ook zijn bijdrage in gehad. We zijn wel degelijk bezig om daarvan te leren, maar de problematiek is ingewikkeld en omvangrijk.”
De kritiek is dat de bank te ver is gegaan in het financieren. “Ik denk dat het tevens belangrijk is om te kijken naar de concurrentiepositie van de tuinbouw als die moderniseringsslag niet was gemaakt. Vanzelfsprekend zou de schuld per bedrijf lager zijn, maar hoe concurrerend zouden ze dan zijn geweest?”
Zo langzamerhand gaan geluiden op over sanering en de sector moet daar zijn verantwoordelijkheid in nemen. “Dan mag je verwachten dat wij daar eveneens goed over nadenken. Toen ik me drie jaar geleden liet ontvallen dat 800 hectare in het Westland niet meer duurzaam zou zijn, kreeg ik de wind van voren. Achteraf hadden we op dat moment veel krachtiger moeten optreden. Je mag concluderen dat we samen verantwoordelijk zijn voor de situatie die is ontstaan.”
Lang werd gedacht dat de crisis tijdelijk was. “Eén van de grootste lessen vind ik dat we met elkaar niet hebben gezien wat er in het buitenland gebeurde. Zo dachten we een betere prijs te ontvangen voor onze groenten dan de Spanjaarden; dat het allemaal niet zo’n vaart liep. Wat we niet zagen is dat de kwaliteit daar verbeterde, het verschil kleiner werd en dat heel veel Spanjaarden die tot 2008 werkzaam waren in de bouw daarna weer teler zijn geworden.”

McKinsey-rapport
En hoe nu verder, is de logische slotvraag. Volgens Van Heyningen staan de sectoren er heel verschillend voor. De potplantenondernemers staan sterk. Nederland heeft hierin een sterke positie en als de economie aantrekt zal dat hier merkbaar zijn. De snijbloementelers blijven onder druk staan door concurrentie vanuit het buitenland.
In de glasgroente, waar de problemen het grootst zijn, komt het er naar zijn mening op aan of de telers en hun organisaties gezamenlijk uitvoering willen geven aan de noodzakelijke omslag die het McKinsey-rapport aanbeveelt. “Ik vind het belangrijk om elkaar daarbij niet in een wurggreep te houden, maar om een oplossing te vinden waarin ook de bank haar verantwoordelijkheid neemt. Evenals de overheid. Een sector die zo belangrijk is voor de Nederlandse export moet haar kennis over internationale ontwikkelingen op een hoger niveau brengen. Daar ligt de zorgplicht van de sector, maar ook van ons.”

2 opmerkingen:

Olaf van Kooten zei

Een bewonderenswaardig interview. Fred durft hier zijn nek uit te steken en legt de vinger op de zere plek. Hij is een van de weinigen in bobo land die zijn verantwoordelijkheid neemt, chapeau!

Piet Zwinkels zei

Laat Fred het voortouw nemen en tuinders, die hierin geïnteresseerd zijn, bij elkaar brengen. Kijk dan niet naar de portemonnee van die kwekers, maar kijk naar hun specifieke kwaliteiten. Bundel deze kwekers en begeleidt ze, als bank in het buitenland. Deel daarbij met elkaar de risico's en de Nederlandse tuinbouw gaat weer voorop in de wereld op de plek, waar de mogelijkheden liggen!
Vergis je niet: het productieveld, waar ook ter wereld, is uitwisselbaar, maar de kennis, de mentaliteit en vastberadenheid van een goed gemotiveerde Westlander nooit!
Dus Fred, niet alleen de verhalen, maar DOEN!